Een herontdekt kluchtspel van de ongrijpbare Joost van Breen

Joost van Breen schreef tussen 1656 en 1665 een vijftal kluchtspelen, waaronder De swarte minnaers. Een kluchtspel is een kort, komisch toneelstuk waarin de menselijke tekortkomingen aan de orde worden gesteld; het kluchtspel bankiert op scatologische en seksuele humor, maakt graag gebruik van verkleedpartijen, schuwt ook poppekastgeweld niet, en het taalgebruik is recht-voor-zijn-raap en doorspekt met kwinkslagen.
De swarte ninnaers was tot voor kort enkel bekend van een herdruk uit het midden van de 18e eeuw, maar er bestond, blijkens de veilingcatalogus Nederduitsche tooneelspellen van Van Tongerlo uit 1754, wel degelijk een eerdere druk: bijzonder is evenwel dat dit kluchtspel niet afzonderlijk was uitgegeven maar als onderdeel van een kluchtboek, De Gasconse klucht holster, uytgeschut door den knodd’gen Gringalet uit 1659, dus een ‘plunjezak’ vol met allerlei korte, kluchtige vertellingen, anekdotes en snelle grappen of moppen. Dergelijke kluchtboeken waren bijzonder populair in de 17e eeuw.
Van De Gasconse klucht holster is maar één enkel exemplaar overgeleverd, dat nu is opgenomen in de rijke collectie Nederlandse toneelstukken van de Bibliothèque Nationale in Parijs. Pas toen de romanist en specialist in de theatercultuur Jelle Koopmans het kluchtboek bestudeerde in de jaren tachtig van de vorige eeuw, signaleerde hij dat De swarte minnaers onderdeel was van dit kluchtboek (in Dokumentaal 1988), en pas toen dit kluchtboek in 2018 werd gedigitaliseerd en online werd geplaatst, kon het publiek opnieuw kennis nemen van de oorspronkelijke uitgave van De swarte minnaers. De teksteditie daarvan is nu te lezen op de site van Ceneton.


Titel van De Gasconse klucht holster De klucht als by-voegsel in het kluchtboek
De inhoud van De swarte minnaers is als volgt. Ryer en Goris dingen allebei naar de hand van Duyfje, maar zij gaat al met Frick. Om van de lastige heren af te komen, bedenken Frick en Duyfje een truuk. Frick maakt elk van zijn beide mededingers wijs dat Duyfje van de ander houdt. Hij stuurt ze naar een tovenaar om hun uiterlijk te veranderen in dat van de andere vrijer. Frick doet zich voor als de tovenaar en “tovert” hun gezicht zwart. Duyfje speelt het spel mee en incasseert tegelijk hun huwelijkspenning. Van Breen schetst deze list in een snelle dialoog waarmee het spel in medias res begint:
Ryer. Maer zeeker Frickje, zou Duyfje mijn niet beminnen?
Frick. O neen mijn lieve Maet, set dat vry uyt jou sinnen.
Ryer. Wat schorter dan aen, ik heb immers Eer en Goet.
Frick. Maer malle Goris treet jou de schoen uyt de voet.
Ryer. Die kale Schoft is die dan zoo moy.
Frick. Neen, gy bent moyer en ryker.
Ryer. O Potboef! wat benje een doortrapten Pluymstrijker;
Wat zou zy met hem doen? kloof zy van zin berooft is.
Frick, Hy heeft het selfs gezeyt, dat hy met haer verlooft is.
Ryer. ’k Vrees dat ik zwymen zal, wat moet een Mens al lyen,
Zie daer, was het geen schant, ik zouder wel om gryen.
Frick. Nou Ryer zyt te vreen, en maekt u zelfs niet quaet,
Beveelt de zaek aen myn, ik weet voor u nog raet.
Ryer. Ey Frick Oom doet je best.
Frick. ’t Zal aen mijn niet mankeren,
Ryer. Zoo ik haer krijg, zal ik een Vaen voor jou spenderen:
Frick. Je bent te rezoluyt, ik bid daer toch van zwijght.
’k Zal maken door practijk, dat gy moy Duyfje kryght.
Hier is een Tovenaer, geteelt in Barbaryen,
Die heeft een aardigh goet gebracht uyt Wallachyen;
Hy zeyt dat Jupiter hem hier mee heeft gesmeert,
Doen hy hem door de liefd’, hadt in een Swaen verkeert:
En met dit zelfde nat, zal hy u aensicht strijken,
Dat ghy geen Ryer meer, maar Goris zult gelijken;
Gaet dan by Duyf, en zegt dat ghy van liefde brant,
En steekt haer dan terstont u Troupenningh in de hant;
Ik weet, zoo waer ik leef, ten zal u niet ontschieten,
Zoo zult ghy Goris Bruyt, voor uwe Vrouw genieten.
Ryer. Waar woont dees Tovenaer?
Frick. Hier in de Logen straet,
Daar is hy gelogeert, int Huis van Pietje Praet.
Ryer. Wanneer is hy wel t’huis?
Frick. Ontrent de Klok vier uren.
Ryer. ’k Wou dat ik by hem was, ik kan niet langer dueren.
Ik springh van blijdschap op, mijn lijf van vreugde beeft.
Frick. Onthout dat ghy de Man een goed vereeringh geeft.
Ryer. ’t Komt op geen stuyver aen, ik zal dat Swijn wel wassen,
Adieu ik ga dan heen.
Frick. Wilt op u tijt wel passen,
Ryer. En twijfelt daar niet aen. Och ik ben zoo verblyt,
Nu krygh ik Duyfje weer, die mijn al was ontvryt Binnen.
Als Ryer opgewonden wegloopt vertelt Frick aan het publiek dat hij dit de ander al op de mouw heeft gespeld:
Frick. Gaet zotte Minnaar gaet, ghy zult u zelfs bedriegen,
Ghy hebt haer alzo vast, als Duyven die daar vliegen,
Ik heb dit sno bedrogh aen Goris ook geseyt,
Want zy zijn alle by verlieft op eene Meyt.
En dan voert Frick zijn plan uit:
Frick. Wast hier u aensight mee, wilt met de lap u drogen;
Goris droocht hem met een Lap daer Swartsel aen is.
Goris. Dit lijkt wel Maegde pis, het bijt me in de ogen.
Frick. Spreek mijn dees woorden na; diabolum nigredine supero, en u dan drymael keert
Houd op, het is gedaen, ghy zyt al gemetamorphoseert,
Ryer en Goris hebben allebei erotische dromen over de goede afloop:
Goris. Hoe zal ik die geyle Duyf noch vatten in mijn armen?
Ryer. Hoe zal ik mijn Eyer-korf in haar saghte Schoot verwarmen?
Goris. Hoe zal ik soenen en sabben, als zy by mijn op het Bet leyt?
Ryer. Hoe zal ik laggen, als ik haer heb by de Vrolickheyt?
Goris. Hoe zal ik haar blanke Boesem met mijn Handen streelen?
Duyfje gaat zogenaamd in op hun avances, maar als Ryer en Goris ontdekken dat ze zijn bedrogen, breekt er een buurtruzie uit. De zaak escaleert als Duyfjes moeder, die bijzonder goed kan schelden zich ermee bemoeit.
Frick. Wech onbesneden Guyts met uwe platte Neusen.
Ryer. O Bedrieger! ik sel jou noch kerven als een Vis,
Ik salje villen als een Os, en leggen jou in warme Pis.
Frick. Voort Coenraet haelt de Schout, en wilt haer maer verklicken,
Goris. Ghy de Schout, Duyf en haer Moer die mogen onse poort eens licken.
De schout komt eraan te pas en Ryer en Goris moeten hem trakteren in de kroeg om verdere vervolging te voorkomen. Als moraal raadt Frick de meisjes in het publiek aan om geen jongens aan het lijntje te houden die ze toch niet willen, en alleen met hun echte lief in zee te gaan.
Kluchtspel en kluchtboek

Toen aan het einde van de 17e eeuw de culturele smaak veranderde, werden kluchtspelen soms nog in gekuiste versie herdrukt, maar vaak raakten ze geheel in de vergetelheid. In de jaren veertig van de 18e eeuw zijn echter vier spelen van Joost van Breen, waaronder De swarte minnaers dus, woordgetrouw herdrukt voor de liefhebbers door een onbekende particulier. Het vijfde spel werd gedrukt aan de hand van een manuscript, en dus vermoedelijk voor het eerst uitgegeven, dankzij de advocaat Joan Seba Marcus (1727-1784) die een groot liefhebber was van het toneel. Dat De swarte minnaers oorspronkelijk was opgenomen in een kluchtboek is wel bijzonder. Het verband tussen kluchtspelen en kluchtboeken ligt natuurlijk in de komische thematiek. Een aantal kluchtvertellingen, met wellicht als bekendste voorbeeld het Kluchtigh avontuertje van ’t nieuws-gierigh Aechje van Enckhuysen in het kluchtboek van de Milde St. Marten uit 1654, is ook gedramatiseerd voor het toneel; anderzijds konden binnen een kluchtspel ook kluchtvertellingen als scène worden opgenomen of in de dialogen worden verteld.
Verschillende Nederlandse kluchtboeken uit het midden van de 17e eeuw werden ook gepresenteerd in de context van het komisch toneel, zoals blijkt uit de titelprenten: een figuur op de bühne trakteert het publiek op zijn kluchten. Een aantal kluchtboeken werd zelfs toegeschreven aan auteurs en acteurs van het komische toneel. Aan de schrijver Jan Soet, die onder andere een aantal kluchtspelen schreef, werd het in 1655 verschenen en vaak herdrukte kluchtboek ’t Leven en bedrijf van Clement Marot toegeschreven. Het in 1656 gepubliceerde en eveneens vaak herdrukte kluchtboek De geest van Jan Tamboer werd via de titel geassocieerd met, of zelfs toegeschreven aan de beroemde acteur van komische rollen Jan van Meerhuysen, bijgenaamd Jan Tamboer. En in 1659 stelde Joost van Breen zijn kluchtboek De Gasconse klucht holster samen dat hij opdroeg aan deze Jan van Meerhuysen, en waaraan hij zijn eigen kluchtspel De swarte minnaers toevoegde. De titelprent toont het komische toneelpersonage Gringalet, die vanaf het toneel allerlei kluchten uit zijn plunjezak uitschudt over het publiek. Na het kluchtspel volgen nog vier gedichtjes van de dichter Pieter van Rixtel, en een afsluitende kluchtvertelling.
In 1660 verscheen er nog een tweede deel van De Gasconse klucht holster. De inleiding en uitleiding werden verzorgd door Pieter van Rixtel (Sonder rust) en glasschilder Pieter Verhoeck (Die noch toe sach). In dit deel is tussen de overige kluchtvertellingen een scabreus gedicht of lied van Joost van Breen opgenomen, de Klacht van de hoere-jager, die berouw heeft van zijn daden nu hij syfilis heeft. Deze tekst is naderhand anoniem opgenomen in de liedbundel Den Italiaenschen quacksalver, ofte nieuwe Amsterdamsche Jan Potazy uit 1694. Het gedicht wordt gevolgd door een parodistische uitnodiging voor een ‘begrafenis’ (of eerder een drankgelag) op zondag 23 april 1656 waarin Joost van Breen wordt genoemd als relatie van de ‘overledene’, een onbekende Cousijn van Joost van Breen, Zijde-Schilder. Zijdeschilder zal wel het daadwerkelijke beroep zijn geweest van Joost van Breen. Tot de verdere genodigden behoorde ook Pieter de Keen, Lichtmaecker, de schoonbroer van Joost die kaarsenmaker was. Verschillende teksten uit het tweede deel van De Gasconse klucht holster zijn naderhand opgenomen in het kluchtboek Toneel der snaaken, gepubliceerd in 1700.
Wie was Joost van Breen?
Over Joost van Breen is weinig meer bekend dan dat hij tussen 1656 en 1665 vijf kluchtspelen schreef, namelijk De klucht van ’t kalf (1656), Bedroge jalouzy (1659), De swarte minnaers (1659), Jean de la Roy, of d’ingebeelde rijke (1665) en De ziende blindeman, en een achttal gedichtjes, vaak onder de zinspreuk Al rollende en de initialen I.v.B. Daarnaast stelde hij dus het eerste deel van De Gasconse klucht holster samen. Hij is ten onrechte ook wel vereenzelvigd met de Joost van Breen die een boek over de stuurmanskunst schreef, mogelijk op grond van een suggestie van Van der Aa in zijn Biographisch woordenboek.
In ieder geval stamden de beide Joosten af van de familie Van Breen uit Antwerpen die aan het eind van de 16e eeuw uitweek naar Middelburg; een aantal Van Breens vestigden zich vervolgens begin 17e eeuw in Amsterdam.
Zeeman Joost woonde in Middelburg en was equipagemeester voor de VOC. In 1662 schreef hij Stiermans gemack, een boek over de stuurmanskunst en het gebruik van de spiegelboog, een door hem uitgevonden navigatie-instrument. Het sonnet dat hij voor zijn boek schreef, ondertekent hij met de zinspreuk Weyt niet te breet. Hij ging in 1640 in ondertrouw met Tanneken Jans, en overleed in 1679.
Schrijver Joost is zeer waarschijnlijk wel de Joost of Josuwa van Breen die werd geboren in 1631 in Amsterdam als zoon van Arnout van Breen, goudsmid. Zijn oom was de bekende schriftsnijder Daniel van Breen. Hij werd al vroeg wees, in 1637. Joost ging op 24 oktober 1652 in ondertrouw met Catharina of Katrijntje van Gota, die afkomstig was van de familie À Gota of Agota die een zijdeververij dreef. Joost woonde toen in de Pijlsteeg. Het echtpaar kreeg vier kinderen. Het is onbekend wanneer Joost is overleden, in ieder geval vóór 9 april 1666, toen Catharina in ondertrouw ging met Olivier Revier, stoelmaker. Nog in het voorjaar van 1665 was zijn klucht Jean de la Roy driemaal op de planken gebracht. Van de overige kluchten is alleen bekend dat de Bedroge jalouzy in 1659 eenmaal werd opgevoerd.

In de lied- en gedichtenbundel Nieuwe hofsche rommelzoo uit 1655 staat een ondeugend bruiloftsliedje op het huwelijk van I.V.B. en K.G., vermoedelijk van de hand van de tekenaar Willem Schellincks. Afgezien van de Klacht van de hoere-jager zijn de zeven overige gedichtjes van Joost van Breen gepubliceerd in soortgelijke bundeltjes vol feestgedruis met vrolijke liedjes, gedichtjes en andere korte tekstjes voor feesten en partijen, zoals de Koddige olipodrigo uit 1654, de Amsterdamsche vreughde-stroom uit 1654, de Stootkant of Nieuwe-Jaers-gift uit 1655 en Cupidoos lust-hof uit 1662. Dit alles plaatst Joost van Breen in de sociale en literaire kring waartoe ook Jan van Daalen, Markus Waltes, Johannes Zacharias Baron en Melchior Willemsz de Jonghe behoorden, een gezelschap van veelal jonge lieden die een ambacht uitoefenden en daarnaast soms een kluchtspel, ernstig toneelspel of gedicht schreven.


De koddige olipodrigo (1654) De Amsterdamse vreugde stroom (1654)
Literatuur
Byvoegsel [bij De Gasconse klucht holster, 1659]. De klucht van de swarte minnaers. Door J. v. B. [digitaal raadpleegbaar https://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/BreenMinnaers1659.html]
De swarte minnaers, klugt-spel door Joost van Breen (Al Rollende) [ca. 1748] [digitaal raadpleegbaar https://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/BreenMinnaers1748ca.html]
De Gasconse klucht holster. Uytgeschut door den knodd’gen Gringalet. 1659. Amsterdam. [digitaal raadpleegbaar https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k3216956#]
Het toneel der snaaken […] by een versamelt door den geestvermaerden Jan Tamboer. 1700. Amsterdam. [digitaal raadpleegbaar https://digitalcollections.universiteitleiden.nl/view/item/1806770]
Den Italiaenschen quacksalver, ofte nieuwe Amsterdamsche Jan Potazy. 1694. [digitaal raadpleegbaar via https://www.dbnl.org/tekst/_ita001ital01_01/]
Eeghen, I. H. van. 1990. Daniel van Breen, ‘schriftsnijder’ te Amsterdam, en Beverwijk. In: Amstelodamum 77: 1, 52-57. [digitaal raadpleegbaar via https://www.amstelodamum.nl/archieven/]
Harmsen, A.J.E. 2021. Kluchten van koetjes en kalfjes. In: Neerlandistiek 26 februari 2021. [digitaal raadpleegbaar https://neerlandistiek.nl/2021/02/kluchten-van-koetjes-en-kalfjes-2/]
Jong, K. de. 2015. Pieter Rixtel (1643-1673). Een dichter zonder rust. Hilversum.
Koopmans, J. 1988. [aanvullingen op] P.P. Schmidt, Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de Nederlanden, een descriptieve bibliografie, Utrecht 1986. In: Dokumentaal 17: 99-102.
Koopmans, J., & Verhuyck, P. 1991. Een kijk op anekdotencollecties in de zeventiende eeuw. Jan Zoet. Het leven en bedrijf van Clément Marot. Amsterdam.
Meder, T. 2017. Vertellen alsof het gedrukt staat. (Re-)oralisatie van 17de– en 18de-eeuwse lectuur. Volkskunde 3: 273-189. [digitaal raadpleegbaar https://pure.knaw.nl/ws/files/5889472/3.2017_Meder.pdf]
Schmidt, P. P. 1986. Zeventiende-eeuwse kluchtboeken uit de Nederlanden. Utrecht. [digitaal raadpleegbaar https://www.dbnl.org/tekst/schm020zeve01_01/]
Schmidt, P.P. (ed.). 1992. Den kluchtigen bancket-kramer of ’t leven en bedryf van Frans de Check, 1657. Geertruidenberg. [digitaal raadpleegbaar https://www.dbnl.org/tekst/_klu001kluc02_01/]
Veldhorst, N. 2009. Zingend door het leven. Het Nederlandse liedboek in de Gouden Eeuw. Amsterdam. [digitaal raadpleegbaar https://library.oapen.org/handle/20.500.12657/35326]
Laat een reactie achter