
In deel zes (En ook weemoedigheid) van de roman fleuve Het Bureau van J.J. Voskuil zegt de volkskundige Maarten Koning dat hij een artikel over het midwinterhoornblazen schrijft om een hoogleraar psychologie te ‘vernietigen’. De hoogleraar – hij blijft naamloos in de roman – heeft namelijk een boek geschreven waarin hij onderzoekt hoe mensen reageren op het Twentse midwinterhoornblazen. De psycholoog is geïnteresseerd in gevoelens, en om nu achter emoties te komen die mensen delen, heeft hij dit gebruik als voorbeeld genomen. Volkskundigen hebben namelijk beschreven wat de oeroude (Germaanse) basis achter het gebruik zou zijn, en een traditie veronderstelt een gemeenschappelijk gedragen gevoel.
Waarom moet zo iemand vernietigd worden, zou je denken. Die man doet toch alleen zijn werk? Het probleem ligt voor Maarten in de aanname dat het gebruik oeroud is – dat heeft de psycholoog gevonden bij oudere volkskundigen, maar die deugen volgens Maarten niet, die waren fout in de oorlog.
Bovendien is het alllemaal onzin wat die psycholoog heeft onderzocht:
‘Hij heeft 16 proefpersonen op een bandje de klank van de midwinterhoorn laten horen en hen toen een lijst met 24 gevoelens voorgelegd waarop ze moesten aanstrepen wat ze voelden. En wat voelden ze?’ – zijn stem was geladen met sarcasme. ‘Precies hetzelfde als de Germanen toen ze tweeduizend jaar geleden de boze geesten verjoegen.’
In het Volkskundig Bulletin van 1981 staat een artikel van J.J. Voskuil: ‘Het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, of: op de klank van de midwinterhoorn de eeuwigheid in’. Het richt zich tegen de Nijmeegse hoogleraar Persoonlijkheidsleer Hubert Hermans (1937). Na het artikel, van 50 pagina’s, want voor vernietigen moet je de ruimte nemen, staat ook een reactie van Hermans.
Interpretaties
Voskuil doet in zijn artikel iets indrukwekkends: hij reconstrueert uit allerlei bronnen de geschiedenis van het midwinterhoornblazen in Twente en aan de andere kant van de grens, in het Münsterland. Volgens hem blijkt uit de historische bronnen dat het midwinterhoornblazen in de achttiende eeuw – over eerdere perioden hebben we geen gegevens, dus kunnen we alleen gissen – in het Münsterland geen heidense ‘Germaanse’ overgangsrite was, maar een rumoerig kerstgebruik van herders en opgeschoten jeugd, dat door de katholieke geestelijkheid voortdurend werd verboden omdat het de kerkdienst verstoorde. Het werd dus niet bestreden omdat het heidens zou zijn, maar omdat men het onbeschaafd vond en te luidruchtig . Het was de tijd dat een zich ontwikkelende elite zich steeds meer ergerde aan het gewone volk
In Twente ontwikkelde het gebruik zich onder andere maatschappelijke omstandigheden: daar gebeurde het blazen op het eigen erf, vaak boven de put, en zo stoorde het de elite minder. Het kreeg het in de achttiende en negentiende eeuw een betekenis die samenhing met religieuze identiteit, saamhorigheid en soms verzet tegen de overheid . In de negentiende eeuw verzwakte het gebruik, om in de twintigste eeuw nieuw leven te worden ingeblazen, vooral onder invloed van regionalisten als D.J. van der Ven, een van de volkskundigen die Hermans aanhaalt, en die het, zonder historische onderbouwing, in een Germaans-heidens kader van angstafweer en vruchtbaarheid plaatsten.
Voskuil wil met dit hele verhaal laten zien dat de vermeende “oorspronkelijke” gevoelswaarden niet uit de feiten voortvloeien, maar grotendeels het product zijn van latere volkskundige interpretaties.
De laatste inzichten
Dat is allemaal heel erudiet, en door Voskuil meeslepend opgeschreven, maar is Hermans hiermee indertijd vernietigd? Het nawoord van de psycholoog (‘De onlosmakelijke verbondenheid van het tijdelijke en het eeuwige; en: ontmaskering van de schijnlogika via de klank van de midwinterhoorn’) in hetzelfde nummer van Volkskundig Bulletin, maakt duidelijk dat dit niet het geval is.
Hermans vertelt dat het hem er niet speciaal om ging om ‘oergevoelens’ te beschrijven, laat staan dat hij zelf speciaal werd aangetrokken door het idee dat in die midwinterhoorn de Germanen zouden meeklinken. Het ging hem erom dat er een gemeenschappelijk gevoel werd uitgedragen. En dat vond hij dan ook, onder mensen van buiten Twente en die dus geen kennis hadden van de oorspronkelijke traditie. De slotalinea van de vernietigde luidt:
Samenvattend: Het betoog van mijn opponent heeft hoogstens waarde als een historische bijdrage in de studies rond de midwinterhoorn. Als argumentatie tegen mijn onderzoek en de resultaten ervan gaat hij uit van de verkeerde premisse, zodat er sprake is van schijnlogika. Bovendien lijdt zijn betoogtrant aan ernstige innerlijke tegenstrijdigheden, zodat het gaat om een kritiek die zich op pijnlijke wijze in de eigen staart bijt.
(De dagen dat geleerden zich nog in zo’n polemische toon over elkaar uitspraken! En dat ze elkaar uitnodigden om in hun eigen tijdschrift zo op elkaar te reageren! Want Volkskundig Bulletin was het tijdschrift waarvan Voskuil hoofdredacteur was.)
Je kunt je wel afvragen waarom Hermans dan al die overjaarde volkskundigen erbij haalde, als het hem eigenlijk niet uitmaakte dat hij met een oeroud gebruik te maken had, maar aan de andere kant kun je hem misschien ook weer niet verwijten dat hij in 1980 had moeten natrekken wat die volkskundigen die hij citeerde allemaal precies hadden uitgespookt in de oorlog. Het is in het algemeen een beetje gek, vind ik, om woedend te worden op iemand omdat die zich niet jouw laatste inzichten in jouw vakgebied heeft eigengemaakt. Om zo iemand dan meteen te willen vernietigen.
In plaats daarvan had het meer voor de hand gelegen om die oude volkskundigen te vernietigen. Waarom heeft Voskuil dat dan niet gedaan?
Zelverzonnen tradities
Maar je hebt Hermans’ weerwoord niet eens nodig om te zien dat Voskuil veel te boos was om een verantwoorde wetenschappelijke studie te schrijven. Centraal in Hermans’ onderzoek staat namelijk een intrigerend feit waar Voskuil helemaal geen oplossing voor heeft: dat die 16 proefpersonen inderdaad ongeveer dezelfde gevoelens aankruisten toen ze die midwinterhoorn hoorde aanblazen.
Het is daarmee natuurlijk niet gezegd dat ‘de Germanen’ als ze indertijd dezelfde enquête hadden voorgelegd gekregen, ook dezelfde kruisjes zouden hebben gezet, en al helemaal niet dat er een causaal verband zou zijn tussen wat die Germanen en wat de moderne proefpersonen voelden. En trouwens, als dat verband er zou zijn, zou je dat alleen kunnen verklaren door de kwaliteit van de klank: misschien klinkt de midwinterhoorn wel zo dat mensen er bepaalde gevoelens in horen. Waar ze dan eventueel hun zelfverzonnen tradities omheen kunnen kleien.
Dat lijkt me wel degelijk een interessant feit – mensen delen bepaalde gevoelens met elkaar bij het horen van een bepaald geluid. Precies zoals Hermans wilde aantonen. Een mogelijke alternatieve verklaring is dat het niet voor niets was dat die oude volkskundigen deze gevoelens bij het horen van de hoorn op de Germanen projecteerden: niet omdat die Germanen dat er erin hoorden, maar omdat de volkskundigen dat zelf deden.
In deel zes Afgang van Het Bureau komt er, jaren later, een tv-maker bij Maarten Koning langs om een reportage te maken over de midwinterhoorn. Hij heeft Maartens artikel gelezen en zich ‘kapot gelachen’. Nu wil hij een reportage maken waarin hij een paar Twentse boeren eerst laat zeggen dat het midwinterhoornblazen oeroud is, en echt Twents, en dan moet Maarten ook die boeren vernietigen. Maar terwijl hij naar die boeren luistert (‘Ze zegg’n wal dat het nog oet ’t heidendom stamt, om de boze geest’n te verjaog’n.’ ‘Maor daor weet wie niks van.’) en naar de interviewer die maar blijft zuigen, krijgt Maarten bijna spijt:
Als het nog even zo doorgaat, zeg ik straks dat ze gelijk hebben, dacht Maarten geïrriteerd.
Had hij dat maar gedaan.
Ik denk dat Voskuil wel degelijk een punt heeft. Hij richt zich tegen de volgende uitspraken van Hermans: ‘Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de midwinterhoornklank en in het paaslied betekenissen geconcentreerd liggen die ontleend zijn aan de gebruiken waarvan ze als representant beschouwd kunnen worden. Nagegaan wordt in hoeverre de twee muziekfragmenten bij de luisteraar
iets oproepen dat overeenkomst vertoont met de betekenissen die in de folkloristische literatuur aan
beide tradities worden toegekend’.
‘Ik (Hermans, JdP) werd getroffen door de duurzaamheid van de vaak eeuwenoude tradities en tegelijk door
de directheid en frisheid van hun uitdrukkingskracht. Ook kwam ik onder de indruk van de
solidariteit die de mensen in hun gebruiken aan de dag leggen. Het verlangen naar soortgelijke
ervaringen in het leven van onze tijd gaf me de stimulans om samen met een aantal mensen op zoek te
gaan naar ervaringen die’ verwantschap vertonen met dat wat in folkloristische gebruiken tot
uitdrukking wordt gebracht.’
Achter het onderzoek van Hermans schuilt het niet houdbare onderscheid tussen Gemeinschaft und Gesellschaft. Voskuil maakt terecht bezwaar tegen het gebruik van folkloristische literatuur bij het onderzoek van Hermans.
Het enige dat me dan bezwaarlijk lijkt is het idee dat de betekenissen ‘ontleend zijn’ aan de gebruiken, zelfs als de proefpersonen niet op de hoogte waren van die gebruiken, en de mededeling over de ‘eeuwenoude tradities’. Maar dat laatste ontleende Hermans aan de literatuur, en ik vraag me af of hij op de hoogte moest zijn van het feit dat Voskuil die literatuur als achterhaald beschouwde, als Voskuil daar zelf zo weinig over publiceerde. Bovendien zie ik dat allemaal niet als de kern van Hermans’ onderzoek, maar als zijdelingse opmerkingen in de publicatie. Een correctie was op zijn plaats, en die heeft Voskuil geleverd. De vraag is waarom dat gepaard zou moeten gaan met woede, en dan niet tegen de oorspronkelijke ‘folkloristen’, maar tegen geleerde die naar hen verwees.
“De dagen dat geleerden zich nog in zo’n polemische toon over elkaar uitspraken!”
De mooie dagen ook dat Nederlanders nog wisten wat Germanen waren en in elk geval overwogen of iets Germaans erfgoed kon zijn. We horen er weinig meer over.
(PS: En daarom ben ik zo blij met Taaldacht.)
“In plaats daarvan had het meer voor de hand gelegen om die oude volkskundigen te vernietigen. Waarom heeft Voskuil dat dan niet gedaan?”
Dat doet Voskuil ook in dit artikel, vooral Dirk Jan van der Ven krijgt het er flink van langs. Er past erg veel in dit uitstekende en zeer onderhoudende artikel van 50 bladzijden
…en dank aan Voskuils vernietiging van de zgn oeroude kerstboomtraditie, elders in Het Bureau. Hij bestrijdt een brede trend in het historiserend denken, waarin -ook bij Hermans- de historistische “genetic fallacy” , de gelijkstelling van “oorsprong” en “essentie”, op de loer ligt, die ook nu nog het historisch denken vaak vertroebelt. Er kàn helemaal geen “causaal verband” zijn tussen wat oude Germanen en moderne proefpersonen voelen.