Een zomer zo’n tien jaar geleden. Ik verbleef met mijn ouders en mijn twee jaar jongere broer in een vakantiehuis ergens ten noorden van de grote Zweedse meren. Mijn vader en moeder lagen op bed, mijn broertje speelde Minecraft op zijn Toshiba-laptop. Ik had mijn pyjama aangetrokken en mijn tanden gepoetst en staarde nu, peinzend, in de badkamerspiegel.
De zomervakantie was het moment om mezelf opnieuw uit te vinden. Het zou nog weken duren voor mijn klasgenoten mij weer te zien kregen. Iedere verandering – in uiterlijk of gedrag – tussen de laatste dag van het vorige schooljaar en de eerste van het nieuwe zou een vanzelfsprekend gevolg zijn van de ontwikkeling die nu eenmaal bij de grote vakantie hoort. Tijdens het schooljaar was die totale transformatie onmogelijk. Maandag op school komen met nieuwe kleren, nieuw haar en een andere instelling; men zou het verdacht vinden, het zien voor wat het was: een poging op te klimmen in de sociale rangorde.
Ik staarde in de badkamerspiegel, peinzend, en keurde mijn ogen, mijn oren, mijn neus en lippen. Die lippen, die me eerst wat te dik hadden geleken, hadden eigenlijk wel iets. Het was in ieder geval beter dan van die dunne, afwezige lippen – was dat nou prettig zoenen? En mijn ogen, wat moest ik daarvan denken. Ze waren blauw, wereldwijd toch een betrekkelijk zeldzame kleur. Nee, het ging me om mijn blik, die afwerend was, nors. Wie wilde met zo iemand praten, die je aanstaarde alsof hij overal liever zou zijn dan hier, op deze plek, op dit moment. Mijn blik moest open zijn, uitnodigend, zodat mensen – zelfs mensen met wie ik nog nooit een woord had gewisseld – mij zouden vragen hoe mijn vakantie was geweest, en of ik nog wat leuks had meegemaakt.
Ik trok mijn linker mondhoek wat omhoog, enkele millimeters, tot er een glimlach verscheen. Geen al te superieure of domme glimlach, maar een glimlach die zei: ‘Ik ben in voor een gesprek.’ En terwijl ik van de badkamer naar de slaapkamer liep, bleef ik diezelfde spiertjes aanspannen. ‘Als ik zo in slaap val,’ dacht ik, ‘dan zal dit mijn natuurlijke gelaatsuitdrukking worden.’
Een poos later werd ik wakker van een zeurende pijn ergens tussen mijn kaak en mijn jukbeen, die me urenlang uit mijn slaap hield.
Ewout Meyster en de ‘manosphere’
Hetzelfde oppervlakkige streven naar zelfverbetering om aardig of aantrekkelijk gevonden te worden, of zelfs bewonderd en gevreesd, is een van de belangrijkste thema’s in Wessel te Gussinklo’s Ewout Meyster-cyclus. In De opdracht (1995), het tweede deel van de reeks, gaat de veertienjarige Ewout naar een zomerkamp voor verzets- en oorlogskinderen en stelt hij zich tot doel een grote persoonlijkheid te worden, net als Churchill en Roosevelt (en Hitler). Thuis heeft hij moeilijke woorden (‘autark’, ‘inherent’) en scherpe comebacks (‘een-nul, die is voor jou’) ingestudeerd en tijdens het kamp is hij voortdurend op zoek naar nieuwe manieren om de aandacht te trekken en vast te houden. Zijn taalgebruik en overdreven gedrag leiden ertoe dat hij steeds meer geïsoleerd raakt en uiteindelijk compleet faalt in het volbrengen van zijn opdracht.
In het derde deel, De hoogstapelaar (2019), bevindt de inmiddels zeventienjarige Ewout zich in een ogenschijnlijk verbeterde situatie: hij heeft een aantal vrienden om zich heen verzameld, die naar hem luisteren, hem zelfs bewonderen. Zijn positie doet denken aan die van de hedendaagse ‘manosphere’-influencer, maar dan op kleinere schaal. Hij organiseert spreekuren waar zijn vrienden heen kunnen voor advies, bijvoorbeeld over hoe om te gaan met de seksuele avances van een bevriende jongen. Ook zijn gedachten over een foto van een dirigent passen bij het wereldbeeld van de ‘manosphere’: ‘Zo’n hoofd hebben, zo’n gezicht met net zo’n kaak en ook die groeven en donkere holten onder de krachtig uitstekende jukbeenderen, en de nobele welving van de iets gebogen neus. En natuurlijk zulke ogen; ogen, sterk en dwingend, maar toch met minzaamheid en begrip. Zo’n gezicht, zo’n uiterlijk, de voorsprong die je dan had.’

Even later denkt Ewout na over het uiterlijk van zijn vriend Frits: ‘Als hij zo’n kaak had […] zou hij daar steeds over nadenken en zijn kaak oefenen, zijn kaak naar voren steken, hoe moeilijk dat ook was. Of ‘s nachts in bed als niemand het kon zien, een verband om zijn kaak teneinde hem te dwingen naar voren te staan.’ Die gedachten roepen dan weer associaties op met het begrip ‘looksmaxxing’, het maximaliseren van de fysieke aantrekkelijkheid. Ewout blijkt zelfs, nog lang voordat de maand november eraan gewijd werd, ideeën te hebben gehad over het ‘NoFap’-principe: ‘Misschien zou hij anders moeten eten – of minder masturberen, misschien zou dat verschil maken, want de kracht die je dan verloor.’
Het belangrijkste verschil tussen Ewout en de ‘manosphere’-influencer (of -geïnfluencete) is, denk ik, dat Ewout – tot ieders geluk – opgroeit in een tijdperk zonder internet en sociale media. Hij was veroordeeld tot de echte wereld en had geen toegang tot 4chan boards of subreddits met gelijkgestemden om zijn ideeën over macht en mannelijkheid mee uit te wisselen. Zijn verwoede pogingen om van iedere sociale interactie een wedstrijd te maken die hij zou winnen met verbaal dan wel uiterlijk vertoon zijn gedoemd te mislukken. Als Ewout zijn vriend Frits aanspreekt op zijn terugwijkende kin – ‘Zou je daar niet iets aan doen?’ – kijkt die verbaasd en bevreemd. Als hij hem vervolgens had geadviseerd om met een hamer tegen zijn kaakbeen te tikken om botgroei te stimuleren – dat noemt men ‘bone smashing’ – was hij per ommegaande naar een psychiater gestuurd.
Ik zie het overigens wel voor me, mocht het concept in zijn universum hebben bestaan: Ewout in zijn stoel bij het raam, een flesje cola – ‘die moderne Amerikaanse drank […] die duidelijk maakte wie je was en dat je het begrepen had; begrepen de onbenulligheid, het achterlijke gedrag iets anders te drinken – limonades en zo’ – in zijn ene hand, en dan met een klauwhamer in de andere zijn kaak bewerkend.
Dit stuk verscheen eerder op De Twintigers
Laat een reactie achter