
Laat ik beginnen met een compliment voor het omslag: het Boekenweekgeschenk 2026, Piaggio van Hendrik Groen, ziet er aantrekkelijk uit. But jammer genoeg kun je een boek niet bij de cover judgen. Dus ga ik meehuilen met de literaire wolven in het bos en mijn plasje over het Boekenweekgeschenk doen.
Ik zit al sinds 1990 in het boekenvak en ik weet dus dat er al tientallen jaren steeds weer discussies oplaaien over de kwaliteit en het literaire gehalte van het Boekenweekgeschenk. Ook weet ik dat er altijd op gewezen wordt dat de CPNB Collectieve Propaganda verspreidt voor het Nederlandse Boek in het algemeen en niet voor het literaire boek in het bijzonder. Maar aangezien de CPNB tegenwoordig geen afkorting meer is, maar de vier letters simpelweg de naam van de organisatie vormen, hoeven we het daar niet meer over te hebben en kunnen we dus spreken over wat het Boekenweekgeschenk de afgelopen decennia is geweest: een uithangbord voor de literatuur.
Hendrik Groen debuteerde in 2014 met Pogingen iets van het leven te maken, Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 1/4 jaar.De knipoog naar Sue Townsends The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13 and 3/4 (1982) is moeilijk te missen. Ik weet nog wel dat oudere mensen in mijn omgeving me proestend over het boek van Hendrik Groen vertelden, maar dat ik er zelf niet veel aan vond. Ik hou van (schijnbare) schlemielen en tragikomische slapstick, maar dit was me veel te uitleggerig. In de openingsalinea (het is Nieuwjaarsdag) verklaart de verteller: ‘Ik hou ook het komend jaar niet van bejaarden.’ En dan een paar regels daaronder de lach-of-ik-schiet-punchline: ‘Ik ben zelf 83 1/4 jaar.’
Wat een onnatuurlijke zin is dat: ‘Ik hou ook het komend jaar niet van bejaarden.’ Als je dat vergelijkt met wat Adrian Mole op Nieuwjaarsdag doet, die maakt een lijstje met droogkomische goede voornemens (in de vertaling van Sylvia Witteman: ‘6. Ik zal aardig zijn voor de hond.’), maar blijkbaar wilde Hendrik Groen dat vermijden en kwam hij tot die onnatuurlijke eerste zin. Adrian Mole gaat verder met een geweldige notitie:
Mijn vader heeft op het feestje gisterenavond de hond dronken gevoerd met kersenlikeur.
Dat zou de openingsregel van een goede smartlap kunnen zijn.
Terwijl Hendrik Groen vervolgt met:
Er was royaal poedersuiker gemorst.
Het is niet zo moeilijk om te vast te stellen dat in een ‘geheim dagboek’, ook al is het ironisch bedoeld, die zin van Adrian Mole natuurlijk aanvoelt, maar die rare objectiverende toon van Hendrik Groen niet. Bij hem gaat iemand duidelijk een lollig verhaaltje vertellen, in plaats van verslag te doen van zijn leven.
Kortom: van Adrian Mole heb ik destijds genoten, bij Hendrik Groen kreeg ik de neiging om hard weg te rennen. Helaas heb ik me toch laten verleiden om Piaggio te gaan lezen.
Het begint met een flash forward, een vooruitwijzing die vaak wordt toegepast in spannende boeken waarvan het echte begin niet zo spannend is. Wat meteen al opvalt zijn de spaties tussen de drie puntjes van het beletselteken en dat twee keer na het woord ‘maar . . .’ Waarom hebben ze dat laten staan? Over de spatie tussen het laatste woord en het beletselteken kun je van mening verschillen, maar in het Nederlands horen tussen die drie puntjes geen spaties.

Op de volgende bladzijde meteen nog maar een maar . . .

Zo’n flash forward heeft dus als doel om de spanning te verhogen, vandaar ook dat hier de laatste zin dat nogal ondubbelzinnig tracht te bewerkstelligen door over de vrouwelijke hoofdpersoon Marieke te verklaren:
Morgen begon ze aan het spannendste avontuur in járen.
Waarom staat dat accent op die a? Bestaat er de kans dat iemand het uitspreekt als ‘jarén’? Maar goed. Erg spannend zal het niet worden, kan ik verklappen, want het verhaal volgt het stramien van talloze feel good movies en romcoms. Twee mensen die nogal van elkaar verschillen moeten ondanks tegenslag op elkaar verliefd worden, of op zijn minst genegenheid gaan voelen, maar verwacht van Hendrik Groen geen Much Ado About Nothing.
Na de vooruitblik krijgen we een kopje te lezen: Zes weken eerder. Ik heb de onhebbelijkheid om bij het lezen van een boek na te denken over hoe het in elkaar zit, wat de constructie of de organisatie is, dus ik verwachtte dat er nog wel wat wilde sprongen in de tijd zouden plaatsvinden, gemarkeerd door zo’n tussenkopje, Drie milliseconden later of Dertig eeuwen eerder, maar nee. Dat doet vermoeden dat iemand anders tegen de auteur heeft gezegd dat hij die scène waarin Marieke zes weken later haar koffer pakt als een soort proloog aan het boek moet vooraf laten gaan. Er zijn dus blijkbaar mensen geweest die mee hebben gelezen.
Het boek gaat over gewone mensen, dat is op zich goed, natuurlijk. De mannelijke hoofdfiguur heet Anton en is schoenenverkoper, of beter ‘filiaalmanager’ van een schoenwinkel die tot een keten behoort die van de ene op de andere dag failliet wordt verklaard — wat een totaal ongeloofwaardige flashback oplevert van deze Anton die zijn eigen winkel niet kan betreden.
Er staat een klant voor de deur te wachten, die tegen Anton zegt: ‘Iemand heb zich zeker verslapen.’ Hè ja, wat benne we lekker gewoon! Als gewone mensen zo moeten worden gekarakteriseerd, dan hoeft het voor mij al niet meer, maar ik heb dapper doorgelezen en hele gifbeker leeggedronken.
Hierboven schreef ik dat het Boekenweekgeschenk lang een uithangbord voor de literatuur was. Dat is dit boekje zeker niet, helaas. Onlangs vroeg een vrouw in een cartoon van GUMMBAH zich af wie er eigenlijk bepalen wat kunst is. Het antwoord van een man, met zijn handen in zijn zakken: ‘Flapdrollen.’ Als het op literatuur aankomt, ben ik zo’n flapdrol.

Piaggio is geen literatuur en dus geen uithangbord voor de literatuur en dat is doodzonde. Ik geloof dat het ook als lectuur slecht gelukt is, maar ik lees weinig lectuur, dus misschien is lectuur (al die boeken met fleurige omslagen die op aparte tafels in boekhandels liggen over liefde die alles overwint, zelfs het concentratiekamp) altijd wel zo slecht. Ik denk dat lezers (en boekverkopers die dit moeten aanbieden aan hun klanten!) hoe dan ook beter verdienen dan dit.

Uiteindelijk gaan Marieke en Anton (hij is de broer van de buurvrouw van Marieke en woont vlakbij haar, maar voor ze elkaar op een feestje ontmoeten, hebben ze elkaar nog nooit gezien, je gelooft het niet) naar Italië om een Piaggio, de als auto vermomde brommer die over het omslag tuft, naar Nederland te brengen. Daarvoor moeten ze met dat gammele ding de Alpen over. Dat wordt minder spectaculair dan Livius de tocht van Hannibal beschrijft; het hoogtepunt is Marieke die misselijk wordt van de vele haarspeldbochten en (spoileralarm!) overgeeft, per abuis niet in de kotszak, maar in de tas met het proviand voor de dag — een grap die uit de moppentrommel van Ernst, Bobbie en de rest lijkt te zijn opgediept.
Trouw aan het boekenweekthema komen er ook generaties aan het bod. De man heeft een vader en de vrouw heeft een dochter. Zoals het in machteloze schrijfsels betaamt, worden de relaties met die twee eigenlijk alleen in de humeurige tinten van een ruzieachtige verstandhouding geschetst (‘Woedend liep Wendy naar haar oude kamer.’ ‘Hij haalde diep adem: als hij nu érgens geen zin in had, dan was het dat eeuwige commentaar van zijn vader op alles wat hij deed of juist niet deed.’)

Het einde van deze gemakzuchtige lichtvoetigheid is te voorspelbaar om te verklappen. Ik vind het eigenlijk zonde om mijn tijd te besteden aan deze ellende, maar ik voel me (als lezer en als schrijver) gekrenkt door deze hemeltergend slechte novelle. Vaak genoeg lees ik boeken die me niet bevallen, vorig jaar maakte ik me nog druk om Boek 1 van Martin Rombouts, maar met alles wat ik daar niet goed aan vind, kan ik er natuurlijk niet onderuit dat hij een originele, interessante, authentieke, literaire tekst heeft geschreven. Wat ik niet goed vind aan Hendrik Groen is van een andere orde. Dat valt wat mij betreft zelfs buiten de orde.
Ik begrijp dat Hendrik Groen (of eigenlijk Peter de Smet, de man die schuilgaat achter het pseudoniem) kritiek op zijn werk van zich af laat glijden, in een interview in de Volkskrant zei hij tegen Haro Kraak over de kritiek die Joost Oomen bij voorbaat op het Boekenweekgeschenk had: ‘Daar haal ik mijn schouders over op […] Er is altijd wel iemand die het niks vindt. Daar was ik op voorbereid. Mensen sturen het me door. Een lichte ergernis kan ik niet onderdrukken.’
Het is een flegmatieke houding die voor mij geheel in lijn is met dit boek, dat niet de indruk wekt dat de auteur er erg hard aan heeft gewerkt. Het beledigend slechte einde van dit boek, een dode mus if ever there was, had daar nou niet wat beters van gemaakt kunnen worden voor het meer dan een half miljoen keer gedrukt werd?
Hoe je ook naar dit boek kijkt, overal is het ondermaats. Al die uitleg bijvoorbeeld, die ook voor minder ervaren lezers totaal overbodig is. In goede jeugdboeken gebeurt dit ook niet? Schrijvers daarvan willen dat hun jonge lezers ruimte krijgen om zelf gevoelens in te vullen.
Een willekeurige bladzijde tegen het einde, waarin een doos met daarin een dode kat een rol speelt en Marieke en buurvrouw Lidy niet weten wat ze ermee aan moeten: ‘Lidy keek er voorzichtig naar.’ ‘vroeg ze zich verbaasd af.’ ‘Marieke keek peinzend naar de doos.’ ‘Ze trok opeens een heel vies gezicht.’ ‘riep Lidy paniekerig.’
Hier zie je ook meteen dat de vrouwen zonder de man in het boek totaal hulpeloos zijn, want
Anton stapte naar voren en hield de vuilniszak open. ‘Til die doos maar weer terug in de zak, dan neem ik hem mee en begraaf ik hem.’
‘O, wat ben je toch een schat! Als ik jou niet had,’ zuchtte Marieke.
Anton bloosde.
Misschien dat tradwives hier warm van worden, maar ik niet.

Wat heeft de CPNB bezield om deze auteur uit te nodigen om het Boekenweekgeschenk te devalueren tot een ondermaats niemendalletje? Laten we teruggaan naar vorig jaar. Toen schreef de CPNB een wedstrijd uit. Er waren 148 novelles ingestuurd, anoniem, die werden beoordeeld door een jury. De winnaar bleek De krater van Gerwin van de Werf. Ook op dat boek was kritiek, maar ik vond het een goed Boekenweekgeschenk, vooral door het ontroerende slot.

De CPNB maakte zelf een shortlist van boeken die boven de rest uitstaken (mijn eigen inzending zat daar niet tussen) en sommige van die inzendingen (en novelles die niet op de shortlist stonden) zijn inmiddels als reguliere titel verschenen (of nog niet*). Ik noem:
- Mira Feticu — Gewone Hollandse jongens
- Gaea Schoeters — Het geschenk
- Herman Brusselmans — De promotie
- Ingrid de Vries — De violist
- Mathijs Deen — Gras
- Mark Groenen — Honderd jaar helmgras
- Lucy Neetens — Bestemming bereikt
- Lonneke Kossen-Groot — Het verkeerde kind
- Alicja Gescinska — De gezichtslozen
- Bertram Koeleman — Een luisterend oog
- Iris Boter — De leesclub (denk ik — BN)
- *Wim Bax — Held
- *Ellen de Bruin — In blijde verwoesting
- *Richard Osinga — (titel onbekend)
- *Marion Pauw — (titel onbekend)
Ik heb vier van deze novelles gelezen, twee ervan belandden trouwens op de longlist van grote literaire prijzen, en ik vraag me af waarom de CPNB vorig jaar niet gewoon heeft gezegd: voor de komende jaren hebben we een paar mooie geschenken. Waarom zou je dat bloedeloze proza van Groen uitgeven als je ook de zinnelijke rouwtaal van Feticu aan de lezers kan aanbieden, of de noir hersenspinsels van Koeleman, of de übersatire van Schoeters, of de ontroerende familiegeschiedenis (over generaties gesproken!) van Deen?

De CPNB zal jubelen dat er mensen speciaal naar de winkel komen vanwege Hendrik Groen, meer bezoekers dan ooit. En om positief te besluiten, die mensen moeten allemaal een boek aanschaffen om het Boekenweekgeschenk te krijgen en het is geruststellende gedachte dat wat ze ook kopen, het altijd beter zal zijn dan Piaggio.
Dit stuk verscheen eerder op het weblog van Bert Natter.
De aan het einde genoemde roman van Ellen de Bruin, “In blijde verwoesting”, is in februari verschenen onder een andere titel: “De butler van god”. Het is een leuk boek: milde satire over onderwerpen die misschien wat voor de hand liggen (de kunstwereld, psychiatrie, BN-ers), maar de personages zijn innemend en liefdevol beschreven.