
Wie lezen er een tijdschrift als Neerlandistiek? Het is ongetwijfeld heel onprofessioneel, maar wij hebben hier op het hoofdkantoor geen idee. Er reageert weleens iemand via de mail of op sociale media, en één keer is het mij overkomen dat degene die op het stembureau de paspoorten controleerde mijn naam herkende. Maar dat alles levert natuurlijk niet een representatieve steekproef op van de doelgroep.
De makers van de Engelstalige podcast Lingthusiasm pakten het professioneler aan, en hielden een enquête. Ze publiceerden daarover nu een artikel in Language and Linguistics Compass. Je kunt je afvragen of een luisteraarsonderzoek nu echt onderdeel is van de taalwetenschap, ik zou een enquête naar onze lezers geloof ik zelf niet tot de neerlandistiek rekenen, maar het voordeel van een en ander is dat we de resultaten van deze verre collega’s nu kunnen beschouwen.
Genuanceerder
Een van de zaken die me bijvoorbeeld opvalt, is dat het luisteraars van die podcast voor 70% uit Engelstalige landen komen. 1,6% van de respondenten komt uit Nederland – over België zijn er geen gegevens. Ik denk dat Lingthusiasm wereldwijd een van de bekendste podcasts over taal is, en misschien ook wel een van de beroemdste publicaties uberhaupt. Dat het publiek dan toch nog zo sterk Engelstalig is, en niet ook bestaat uit allerlei lieden over de rest van de wereld die ook Engels spreken, vind ik opvallend. Misschien heeft het te maken met het feit dat de aandacht ook wel vrij sterk op het Engels en de Engelstalige wereld is gericht.
Hoe dan ook is nog interessanter de bevinding dat de doelgroep in meerderheid bestaat uit mensen die zich ’taalkundefan’ noemen. Slechts een klein aandeel is student, en een nog kleiner aandeel is beroepstaalkundige. De podcastmakers annex onderzoekers laten zien dat je hun publiek niet simpelweg kunt opdelen in twee groepen: enerzijds “gewone mensen” (of “leken” zoals sommige mensen nog steeds zeggen) en anderzijds “academici.” De werkelijkheid is genuanceerder.
Aangesproken
Er is namelijk een tussencategorie die in eerder onderzoek nauwelijks in beeld kwam: mensen die geen officiële taalkundeopleiding hebben gevolgd, maar die zich wel intensief en zelfstandig in taalkunde hebben verdiept. Zo’n 9% van de respondenten valt in die categorie. Ze hebben zichzelf het vak min of meer zelf aangeleerd, door boeken, video’s, podcasts en dergelijke, zonder dat daar een opleiding of diploma aan te pas kwam.
Het punt is dus dat “geen formele opleiding” niet gelijk staat aan “weinig kennis.” Er zitten luisteraars tussen die qua betrokkenheid en kennisniveau dichter bij academici staan dan bij toevallige luisteraars, maar die in de gebruikelijke indeling (academisch tegenover algemeen publiek) onzichtbaar zouden blijven.
Mijn gevoel is dat dit voor (bijvoorbeeld) Neerlandistiek ook geldt. Dat er best veel lezers zijn die helemaal geen Nederlands hebben gestudeerd, of dat wel héél lang geleden hebben gedaan, maar die op allerlei manieren zichzelf hebben bijgeschoold. Er is inmiddels genoeg op internet te vinden – YouTube-registraties van lezingen, podcasts met interviews, boeken van allerlei soort – om jezelf tot op een betrekkelijk hoog niveau te brengen. En dat veel mensen in de wetenschapscommunicatie nog denken dat ze zich vooral moeten richten op die ‘leken’ die telkens maar weer vanaf het allerlaagste niveau moeten worden aangesproken.
Misschien toch eens zien of we hier niet wat écht onderzoek naar kunnen doen.
Laat een reactie achter