Twintig dichtbundels uit 1975 (5)

Het eerste gedicht in de bij Van Oorschot verschenen bundel:
Zodoende op weg naar niks,
een bordje kaas voor vogels op
het gras gezet en langzaam in de
lucht gekeken of er niemand
langs kwam op de wolken –
en ja hoor, niemand.
Het eerste in de ruim veertig gedichten tellende bundel; vijftien daarvan hebben een titel. Twee afdelingen: ‘De dichter is een koekoek’ en ‘Nest ontzegd’. De laatste afdeling is bijna twee keer zo omvangrijk en ontleent haar titel aan een kort gedicht van Chris van Geel dat in zijn geheel wordt geciteerd. Kort zijn ook de gedichten in Het ironisch handvest: acht keer bestaan ze uit niet meer dan een kwatrijn. Pas tegen het eind worden ze langer en vullen ze bijna een hele pagina. Eén cyclus telt de bundel, ‘Een vierluikje Cambridge’; de vier gedichten bestaan uit vier of vijf tweeregelige strofen.
Een debuutbundel van een in 1946 geboren dichter: Jan Geurt Gaarlandt was in 1975 geen aanstormend jong talent. Het ironisch handvest zou zijn enige dichtbundel blijven. In de jaren daarna zou Gaarlandt naam maken als uitgever, onder meer van het werk van Etty Hillesum, en als de auteur Otto de Kat; onder dat pseudoniem verschenen acht romans die welwillend werden ontvangen, af en toe op een longlist of shortlist terecht kwamen en waarvan er enkele werden vertaald. In een precieze en elegante stijl wordt een wereld opgeroepen van fabrikanten en diplomaten – een milieu dat Gaarlandt van huis uit kende en waarin een studietijd in Cambridge niet overdreven bijzonder is. In 1986 kijkt Gaarlandt in een interview in Vrij Nederland terug op zijn poëtische debuut: hij ziet het niet direct als een jeugdzonde, maar wil toch nog maar ‘drie of vier van die gedichten’ erkennen. Het zou me verbazen als het openingsgedicht daartoe zou behoren.
Welk gedicht verdient nog wel erkenning? Dit wellicht:
Bargoens
Op kippestokken of hanebalken
in het licht bij de hammen in de
schuur in dromen of in ver-
wilderde tuinen komt het bericht:
jij bent het niet, het is nog veel
te vroeg voor woorden. Pas als de
raaf paart met de koekoek en de
wolf wandelt met het lam
zal je spreken en je moeder
spelen op de harp.Tarwe en warme melk roggebrood
honing en druiven een lichaam
verzadiging of uren languit in
je schoot – soms valt een zin
in z’n verband; ik was er niet
ik ben er nooit geweest. Pas
op de dag van de witte sprinkhaan
de nacht van de vergeten stem
zal ik dronkener zijn dan brood’
voller dan wijnals hij neerkomt op een zuil van
vuur, in de gedaante van een dief.
Het is, met zijn gedragen toon en zijn Bijbelse associaties, het meest atypische gedicht uit de hele bundel. Veel kenmerkender is het gedicht er vlak voor:
Bescheiden kroniek
In mijn vensterbank liggen mijn
handschoenenze lijken op mijn handen mijn’
handschoenenvan het lange liggen zijn mijn
handschoenen op mijn handen gaan lijken
en andersomeven verderop staan mijn schoenen
daar boven hangt mijn jas
Of tegen het einde van de bundel, zonder titel:
Van nu af aan gaan we weer
kalmer de duisternis in, met
minder last van de verplichte
lantaarn van het hart, het altijd
goede humeur: als slakken
schuiven we vanéén, droog
op het slijmspoor na, één on-
onderbroken zelfde slijmspoor.
Weinig grootse illusies ook in het slotgedicht:
Zo blijft het onder ons
dat we de samenloop van de
omstandigheden wijzigenkostbare noodzaak om wat
grond voor voeten te bewaren
duwen we liefdevol elkaar
te water en liggen wachtend
in de schaduw – drijven en
drijven het leven door.
De Sturm und Drang spat er niet echt vanaf.
Juist dat maakt de dichter Gaarlandt misschien bij uitstek een representant van zijn tijd: het midden van de jaren zeventig. Tien jaar eerder is zijn bundel niet goed voorstelbaar. Wel voorstelbaar is na de idealen en het elan van de jaren zestig genoegen nemen met ‘wat grond voor voeten’ en ‘drijven en drijven het leven door’ – in een bundel met als titel Het ironisch handvest. Ironie, illusieloosheid, ‘op weg naar niks’ met helemaal niemand die langskomt op de wolken: niet alleen geen idealen uit de jaren zestig, ook geen God uit de jaren vijftig. Wanneer is kunst typerend voor de tijd? In hoeverre is de Nachtwacht typerend voor de Nederlandse barok, Van Gogh typerend voor wat dan ook uit de negentiende eeuw? Het zou wel eens kunnen zijn dat een geestelijk klimaat het best tot uitdrukking komt in het werk van de mindere goden. Als Het ironisch handvest, een verzameling gedichten uit 1975, een unieke, hoogstpersoonlijke bundel was geweest en om die reden furore zou hebben gemaakt, zou ze haar inhoud hebben ontkend.
Jan Geurt Gaarlandt, Het ironisch handvest, Amsterdam 1975
Joost Nijsen, ‘Ik wil me ervoor hoeden de ‘Hillesum-uitgever’ te worden; Jan Geurt Gaarlandt van uitgeverij Balans’, Vrij Nederland Boekenbijlage 20 september 1986, p. 12.
Laat een reactie achter