Van Zomeren in de mode, uit de mode?

In mijn exemplaar van Meisje in het veen stak ik ooit besprekingen van de roman: die van Arnold Heumakers in De Volkskrant (14-6-1996), van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad (21-6-1996), van Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd (12-7-1996) en van Jeroen Vullings in Vrij Nederland (20-7-1996). Alle vier van gunstig tot geestdriftig, in twee recensies (die van Heumakers en Goedegebuure) wordt het nieuwe boek in het oeuvre van Van Zomeren gesitueerd. Bijna dertig jaar geleden een andere tijd en dan niet alleen omdat lezers zoals ik besprekingen uitknipten, soms in mapjes verzamelden of in het boek vouwden. Ik maakte me wijs dat die knipsels me zouden helpen bij het onthouden van de inhoud en het tentamineren van leerlingen. Nu ja, dat was ook zo, met die besprekingen friste ik mijn kennis van de roman op, daarbij hielpen ook de streepjes in de marge en de verwijzingen naar bladzijden waar iets vergelijkbaars gezegd werd. In Meisje in het veen is er bijvoorbeeld op tal van bladzijden sprake van een ongemakkelijk soort reflectie: Willem fietst na de ontdekking van het dode meisje over de heide ‘en ik zag mezelf fietsen’ en een paar bladzijden later staat dat Willem in zijn huwelijk iets vergelijkbaars ervaart: ‘net of er voortaan iemand toezicht hield als we dingen deden die we gewend waren met ons tweetjes te doen, net of er iemand tussen ons in kwam liggen’. Die twee passages, moeiteloos te vermeerderen met soortgelijke, wierpen een verhelderend licht op de door Willem opgelopen vervreemding.
Een andere tijd, waarin een andere generatie recensenten de toon zette (en waarin de lezers van literatuur en redacties het recensenten toestonden om met flinke lappen tekst uit te pakken). Van de vier genoemde recensenten is de jongste nu 63, is andere drie hebben de kaap van 70 ruimschoots gerond. Van Zomeren is zojuist 80 geworden en behoort min of meer tot de generatie van de recensenten.
Voorbeeld
In zijn laatst verschenen ‘journaal’ We gaan zo beklaagt Van Zomeren zich, soms voorzichtig en dan weer mismoedig, over de gebrekkige kritische aandacht voor zijn latere werk. Ook in het vraaggesprek, dat Jaap Tielbeke in De Groene Amsterdammer (26-2-2026) met hem voerde, komt dat naar voren: hoe hij ‘halverwege de jaren tachtig (…) op de drempel van een groot schrijverschap’ stond. De vier besprekingen van Meisje in het veen, van de hand van gezaghebbende recensenten, wijzen daar ook op. Maar ‘de definitieve doorbraak, zo voelt hij het zelf althans, is nooit helemaal gekomen’. In het interview in De Groene Amsterdammer wordt gezocht naar mogelijke verklaringen: Van Zomeren is ‘een buitenbeentje gebleven in de literaire wereld’, misschien ook heeft hij de verkeerde steden bewoond, ver van het Boekenbal, en met zijn keuze voor thema’s als honden en het Herwijnen van zijn jeugd is hij ver verwijderd van ‘de grote thema’s van onze tijd’. Mogelijk, al verraadt dat laatste ‘bezwaar’, die afstand tot ‘de grote thema’s’, op grote onbekendheid met het werk van Van Zomeren: als hij schrijft over uilen, koeien, landschappen en typemachines, dan gaat het over leven en dood.
Zijn er andere factoren in het geding? Heeft de verbanning van Van Zomeren uit het centrum van de literatuur naar de periferie andere oorzaken? Van vier besprekingen in 1996 naar minimale regeltjes in 2026? Gebrek aan kwaliteit is het zeker niet: zelden zulke rake en schitterende zinnen gelezen als in We gaan zo. Wie zo kan schrijven, is een groot schrijver. In zijn column in NRC Handelsblad van 13 maart 2026 maakt Michel Krielaars geen geheim van zijn bewondering voor de taal van Van Zomeren: ‘die menigeen tot voorbeeld kan dienen’.
Schaduw
Wat is het dan wel? Is Van Zomeren te oud en alleen nog leesbaar voor ouderen? Michel Krielaars, ook al weer 65, houdt van Van Zomeren en past qua leeftijd in het rijtje van de vier recensenten uit 1996. Is Van Zomeren behalve te oud ook nog te wit en te man? Zal een rol spelen – jonge lezers lezen jongere schrijvers – , toch is het dat maar half, want ook Van Zomerens generatiegenoten, pakweg de lezers tussen de 60 en 80, laten het afweten. En grijpen wel naar de nieuwe van de oude 79-jarige Van Dis, ook wit en ook man.
Is het Van Zomerens overproductie? Concurreerde Van Zomeren langdurig met Van Zomeren? Als ik naar de rij Van Zomerens in mijn boekenkast kijk – paar maanden geleden 15, intussen ruim 30 -, dan is dat bijna ontmoedigend veel. Zijn columns en verhalen werden dan ook nog eens in tal van bijzondere (of gelegenheids-)uitgaven uitgebracht: op mijn bureau liggen nu Het requiem van Verdamme (1993) en Stukjes Gelderland (1995), bundelingen van eerdere stukken uit de krant. Is Van Zomerens arbeidsethos die van een journalist en niet die van een schrijver? Van Zomeren piekert niet in de wachtkamer van de letteren, in afwachting van inspiratie, maar begint en schrijft door en door.
Soms ook wordt de samenhang in zijn oeuvre hem als gebrek aangerekend. In de hiervoor genoemde bespreking van Arnold Heumakers staat dat de herkenning voor ‘de lezers die ook met het vroegere werk van Koos van Zomeren vertrouwd zijn’ als een beperking kan werken. De nieuwe roman, zo noteert Heumakers, ‘ligt in het verlengde van zijn voorganger’ en een paar alinea’s later werpt die constatering een lichte schaduw over zijn waardering.
Mediamiek
De belangrijkste verklaring ligt elders. Dat werd me duidelijk toen ik het radio-interview zag dat Mieke van der Weij Van Zomeren onlangs afnam. Van Zomeren, niet langer de jonge god die de lantaarnpalen van Nijmegen sierde toen hij kandidaat raadslid was, sprak zacht, zocht nu naar precieze formuleringen, vond die ook, zonder stemverheffing. Er was even spanning toen de interviewster ter sprake bracht dat hij over een door Iris, de vrouw van de schrijver, te lezen boek zei dat het een ‘Mieke van der Weij-boek’ was. Het spreekt in het voordeel van de interviewster dat ze dit terughoudend en met wat zelfspot aan de orde stelde, de reactie van Van Zomeren was timide, duidelijk en sympathiek maar niet sexy. Van Zomeren schrijft geen Mieke-boeken, dat werd wel duidelijk, geen boeken die een uitnodiging van Eva Jinek opleveren.
In zijn boek De literatuur draait door over ‘de schrijver in het mediatijdperk’ heeft Sander Bax laten zien hoe zeer de schrijvers van nu mediamiek zijn of niet zijn. Van Zomeren is een man van de stilte en de toewijding en het kijken en wandelen, in het beste geval van de radio, en zeker niet van hitsige reporters of talkshow-hosts op zoek naar krachtige standpunten. Het is jammer dat de wetten van de televisie (en intussen ook: sociale media) zo sterk zijn, dat ze schrijvers en lezers zo in de houdgreep hebben.
Laat een reactie achter