
In zijn NRC-column ‘Het “gif” van Komrij’ van12 maart j.l. wreef Frits Abrahams Gerrit Komrij een ‘tunnelvisie op de islam’ aan en noemde hij hem ‘fel anti-islam’. Dit naar aanleiding van een Een & ander-column die op 9 maart 1989 in dezelfde krant stond, waarin Komrij fel reageerde op twee demonstraties van duizenden moslims in Rotterdam en Den Haag op 3 en 4 maart 1989. Adhesie betuigend aan de moordzuchtige fatwa die de Iraanse ayatollah Khomeiny op14 februari had uitgesproken, trokken ze ‘Dood aan Rushdie!’ en ‘Allahu Akbar!’ scanderend door de straten en verbrandden ze Rushdies roman The Satanic Verses en een aan een strop opgehangen Rushdie-pop. Het was de schokkende eerste uitbarsting van moslimradicalisme in Nederland.
Abrahams’ column haakt aan op het recente boek van Lotfi El Hamidi, waarvan de titel Stakkers en wolven is ontleend aan de zin ‘We hebben ze als stakkers verwend en krijgen ze als wolven terug.’ uit Komrijs ‘giftige’ column. El Hamidi stelt dat Komrij het hier heeft over ‘de aanwezigheid van moslims in Nederland’ en de flaptekst meldt ‘Meer dan dertig jaar later hebben deze woorden weinig aan venijn ingeboet’. Abrahams preciseert: ‘Komrij schoot door in zijn afkeer van de islam, hij begon te generaliseren, die onredelijke anti-Rushdiedemonstranten werden “ze”, álle moslims in Nederland.’ Beiden suggereren kwalijk genoeg ook dat Komrij daarmee de giftige vader van dit generaliserende vooroordeel en de godfather van huidige ‘islamofoben’ zou zijn.
Haatagenda
Dat hebben ze door hun hedendaagse bril verkeerd gelezen, net zoals mr. K.L. Poll dat door zijn toenmalige bril deed in zijn NRC-column van 17 maart 1989. Poll vond Komrijs column ‘een verwerpelijk stuk’ en schreef verontwaardigd: ‘Hij gaat tekeer tegen “de mohammedanen” in Nederland, alle mohammedanen dus’.
De ‘ze’ waar Komrij in het gewraakte citaat op doelde waren echter alleen ‘de wolven’: de duizenden schreeuwende en tierende mohammedanen die ‘als potentiële moordcommando’s en boeken verbrandend de straat optrokken’, de ‘sympathisanten van de terreur’ – ‘Ze roepen om bloedvergieten en scharen zich achter massamoordenaars’. Dat waren bepaald niet alle toenmaals rond de 450.000 moslims in Nederland, maar slechts zo’n 1,5% daarvan. Enige nuancering kan geen kwaad in deze gepolariseerde tijden.
Voor de goede orde: Frits Abrahams meent terecht dat Gerrit Komrij niets te maken had met het geruchtmakende anti-moslimpamflet De ondergang van Nederland (1990) van ene Mohamed Rasoel. De veronderstellingen over Komrijs auteurschap en diens elite-racisme van tekstprofessor Teun A. van Dijk zijn een karikaturaal stukje fopwetenschap, waarover meer in mijn Komrijbiografie die volgend jaar maart verschijnt bij Prometheus. Komrij was geen racist of islamofoob met een tunnelvisie. Al vroeg herkende en stimuleerde hij de talenten van jonge schrijvers als Abdelkader Benali, Hafid Bouazza, Ramsey Nasr en Mustafa Stitou. Hij was wel fel gekant tegen dictators en extremisten van allerlei slag, zoals tegen Khomeiny, diens moslimradicalisme en de verspreiders van zijn antiwesterse haatagenda.
Antimoslimpopulisme
Al op 27 augustus 1980 (!) wees Komrij in zijn NRC-column polemisch op de sluipende ‘mohammedanisering’ van het Westen, onder meer naar aanleiding van protesten van Iraanse studenten die in Washington, Londen, Berlijn, Rome en Stockholm luidkeels de dood eisten van presidenten, regeringen en politie van die landen, en dreigden met het opblazen van van alles en nog wat. Komrij verweet westerse politici en ondernemers dat ze liever hun olie- en handelsbelangen beschermden dan hun eigen cultuur, normen en waarden verdedigden tegen moordzuchtige moslimdictators. Hun serviel accomoderende houding (‘We mogen niet oordelen over een andere cultuur’) extrapoleerde hij tot: ‘Op een ochtend zullen we wakker worden en allemaal Ali heten’. Dat was een verwijzing naar toen recente berichtgeving (onder meer in het NRC-artikel ‘Alle Iraniërs heten Ali’ van 11 augustus 1980) over in Londen, Rome en Stockholm opgepakte Iraanse betogers, die geen identiteitspapieren bij zich hadden en van wie alle mannen zich bij politie en rechtbank identificeerden als Ali, terwijl alle vrouwen Fatima als hun naam opgaven.
Als Komrijs decennialange collega-columnist bij de NRC had Frits Abrahams beter moeten weten. Lotfi El Hamidi was drie jaar toen Komrij over stakkers en wolven schreef, in een column die niet werd gebundeld. Knap dat hij die heeft opgevist, kennelijk met een vooringenomen visie erbij tegen Komrij als vermeende moslimhater. Beiden heren berokkenen Komrij, postuum en zeer onterecht, ernstige reputatieschade.
Als ik columnist was en Frits heette zou ik mijn onbekookte mening corrigeren. En als ik historicus was en Lotfi heette zou ik de titel, de flaptekst en de Komrij-passage op bladzijde 88 van mijn boek veranderen. Als Komrij-biograaf kan ik beiden nog aanbevelen het titelessay – oorspronkelijk een SLAA-lezing die ‘Het populisme of de grenzen van de democratie’ heette – uit Morgen heten we allemaal Ali te lezen, dan weten ze meteen hoe hij in 2008 dacht over het antimoslimpopulisme in de Nederlandse politiek van toen (en nu).
De biografie over Komrij van Arie Pos zal in 2027 verschijnen. We zijn daar omheen met een aantal organisaties een schrijfwedstrijd aan het voorbereiden, over de polemiek. Micha Hamel en ik maakten met docenten en studenten vanuit Schrijflab.nl alvast een leerlijn met oefeningen die vo-leerlingen een polemiek helpen schrijven: https://schrijflab.nl/leerlijn/polemiek/.
Een heel lastig genre waarvan je je af kunt vragen hoe je het in gepolariseerde tijden kunt gebruiken. Waarbij ik als historisch letterkundige denk: welke tijden waren niet gepolariseerd?
We hebben dit genre niet voor niets, dus hoe kan het nu nog werken om dingen op scherp te zetten in het publieke debat? Het is misschien voor leerlingen leerzaam antwoorden op die vraag te zoeken door zelf polemieken te schrijven. Hoe ver kunnen en willen ze zelf gaan, hoe maken ze het scherp maar houden ze het ook goedaardig, humoristisch? Als je dat als schrijver kunt, zie je misschien ook beter wat de polemist van de lezer vraagt.
Bij mijn weten is ‘de’ polemiek afgeschaft door de millennialgeneratie. Daarna zijn er volgens mij twee fenomenen gekomen die het tegenovergestelde lijken te doen: verbindende communicatie en AI (waarin bij gesprekken een pastorale karikatuur van die communicatie opduikt). Ik vind ze allebei wezenlijk polemisch, in zekere zin zelfs grensoverschrijdend met frasen als ‘Ik begrijp dat je…’.
Zou alleen daarom al de polemiek toch niet helemaal mogen worden afgeschreven?
De link naar het Schrijflab verdient nadere studie! Scrollend vond ik Komrij bij het onderdeel Fileren. Daar is sprake van ‘wel wat snel scoren’: bedoel je dat met ‘scherp maar ook goedaardig’? Het klinkt als een hard oordeel dat op het laatste moment zachter wordt gemaakt.
De tu quoque’s piepen dus om de hoek bij mijn vraag in hoeverre überhaupt helemaal aan polemiek te ontkomen valt?
Dank voor deze inzichten. We gebruiken in die oefeningen voorbeelden van na Komrij’s tijd die naar ons idee wel degelijk polemieken zijn te noemen.
In die ‘Fileren’ oefenen leerlingen vooral de scherpte. In de oefening ‘Belangenafweging’ (https://schrijflab.nl/oefening/belangenafweging/) gaat het meer over het zoeken van een balans naar goedaardig en scherp.
Geheel los van het onderwerp en de ernst ervan:
In de voorlaatste alinea van zijn artikel lijkt de heer Pos blijk te geven van een aan verontwaardiging grenzende verbazing over het feit dat iemand serieus onderzoek doet in verband met een publicatie (“… een column die niet werd gebundeld. Knap dat hij die heeft opgevist”) en de moeite neemt verder te kijken dan de neus lang is.
Ik zou de heer Pos willen aanraden hier een voorbeeld aan te nemen, een dergelijke aanpak zou de biografie van Gerrit Komrij zeker ten goede komen.
Zie in dit verband ook: https://www.aeric.nl/allemaalarie.htm