Rabiaat criticus van H. Marsman en diens ‘volgeling’ Halbo C. Kool en veroorzaker van de aNti-schUnd-rel
In de jaren twintig verscheen tussen 1926 en 1930, behalve in 1928, een viertal poëzie- en prozabundels onder de titel Erts. Letterkundige Almanak. Samenstellers waren voor nummer een en twee — anoniem — D.A.M. Binnendijk en H. Scholte, voor nummer drie en vier aangevuld met Menno ter Braak, C.J.Kelk en Lou Lichtveld. In de eerste Erts stond de redactionele ‘geloofsbrief’: ‘den vollen nadruk te laten vallen op het scheppend werk van hen, die in de laatste vijftien jaren hebben gedebuteerd’. (‘Voorwoord’, (S.L. van Looy, Amsterdam 1927), 5) Die doelstelling veranderde niet wezenlijk in de volgende afleveringen, dus ook niet voor Erts 1927, hoewel hier het streven iets werd aangescherpt. Met gevolgen.
Erts 1927
Nadat het eerst voor begin maart 1927 was aangekondigd, verscheen Erts 1927 tenslotte vijf weken te laat in april. Dat wekte nogal wat irritatie bij deze en gene, maar interessanter is dat de almanak het mikpunt werd van wat we gerust een literair-politieke rel mogen noemen.
Samenstellers Binnendijk en Scholte wilden in de geest van het tijdschrift, zo specificeerden ze in hun voorwoord, een ‘spiegel der litteraire bloei (of malaise), de documentatie van wat in 1926 “in de werkplaatsen” tot stand kwam’ en hadden daartoe ook ‘een paar zoogenaamd “socialistische” schrijvers’ uitgenodigd.
Helaas hadden ze moeten constateren dat enkele ‘zoogenaamd “socialistische” schrijvers’ niet waren ingegaan op de uitdrukkelijke uitnodiging tot deelname, terwijl juist zij hadden geklaagd over de afwezigheid van linkse teksten in Erts 1926, en ten tweede dat de kwaliteit van de bijdragen ‘niet te forceeren’ viel: ‘slechts door de keuze der medewerkenden kon eenigszins invloed geoefend en eenigszins richting gegeven worden’. Het oordeel werd aan de lezer overgelaten. En aan de recensenten natuurlijk.


De recensies van Erts 1927 waren wisselend van toon. De tegenstellingen tussen de verschillende stromingen, in de vorige almanak nog zichtbaar, waren gelukkig verdwenen, maar de bundel bleek geen ‘spiegel’ van de toenmalige literatuur, ze verscheen als almanak wel erg laat, de indeling was minder duidelijk, uiteraard werden er weer namen gemist, het was eigenlijk eerder een bloemlezing, enzovoort. Verrassend was de bespreking van H. Marsman, nota bene een der bijdragers, in de NRC. Zijn eerste punt was niet de inhoud maar de buitenkant en zijn eigen portret in de bundel: lijkt hij niet veel op een ‘edelen A.J.C.’er? (De grap is niet van me zelf, helaas.)’ Nota bene door zijn ex-geliefde Charley Toorop gemaakt! Interessanter is hier zijn inhoudelijke kritiek op de almanak. Erg enthousiast was hij niet, hij vond dat ‘niemand hier op zijn sterkst schreef, en menigeen op zijn slechtst en de rest geeft gemiddelden.’ Bovendien kapittelde Marsman de socialisten vanwege hun afwezigheid in de bundel. Kortom, Erts bood een ‘betrouwbare, weinig aantrekkelijke doorsnee’, de poëzie was in 1926 ingezakt. (H. M.[arsman], ‘Boekaankondigingen’, NRC, 21-5-1927)
Veel feller was de recensie van A.M. de Jong in het linkse dagblad Het Volk, waarvoor hij al sinds 1912 werkte. Hij had eerder nota bene zelf als socialist de uitnodiging voor een bijdrage afgeslagen en vond Erts ‘allerbelabberst’[!], allemaal ‘l’art pour l’art’, en gaf de bijdragers een veeg uit de pan: ‘sommige dezer geniën[!] zijn nog te lui en te beroerd om hun vak te leren. Misschien ook hebben ze daar nog geen tijd voor gehad: er zijn er bij, die in 1907 geboren werden. […] Van vandaag op morgen wordt je van H.B.S.-leerling kunstenaar en praat je mee in “de Vrije Bladen” en de “Erts-almanak”.’


Expliciet viel De Jong tot slot Marsman aan. Eerst lacht hij — wel wat terecht — een beetje over diens klacht over diens eigen portret om vervolgens diens bijdrage ‘Heimwee’, enkele woorden hieruit citerend, aan Erts aan te vallen: ‘onze tijd zou er niets aan verloren hebben als u per ongeluk “eeuwen vroeger geboren” waart.’ Hij ergert zich tamelijk pietluttig aan geen hoofdletter na een punt en toont zich dan ‘blij, dat ik niet met u in hetzelfde boekje sta, zo ongemanierd mogelijk. Ik voel me niet thuis in de duffe kelder van uw heimwee naar het verre verleden, die dichterlik zijn wil, maar enkel op impotentheid wijst, hoor, beeldt u maar niks in.’ (A.M. de Jong, ‘Letterkundige Kroniek CCXLIV’, Het Volk, 13-6-1927)
Bovendien richtte De Jong met verwijzingen naar ‘1907’ en ‘H.B.S.’ onmiskenbaar impliciet zijn pijlen ook op een ‘volgeling’ van Marsman: Halbo C. Kool. De Jong had kennelijk het register van bijdragers achterin goed bestudeerd en ontdekt dat Kool met diens geboortejaar 1907 inderdaad de jongste bijdrager was.(Erts 1927…, 199)
Halbo Kool, in 1907 in Groningen geboren, had zich al vroeg op het dichterspad begeven en het geluk gehad om tijdens zijn tweejarig verblijf in 1922-24 in een hbs-internaat in Zeist hier Marsman (*1899) te ontmoeten. Marsman had toen nog het streven om leider voor de jongere dichters te zijn; hijzelf had al in 1923 gedebuteerd met de bundel Verzen, het befaamde ‘rode boekje’. Dat hielp hem om al in maart 1925 met het gedicht ‘Ontmoeting’ te debuteren in De Vrije Bladen, waarvan Marsman en Roel Houwink toen redacteur waren. Na dit debuut volgden nog publicaties in hetzelfde tijdschrift tot eind 1926, dus een paar maanden voor het uitkomen van Erts 1927. Houwink (*1899), dichter en schrijver onder af en toe de naam H. van Elro (anagram!), was toen bovendien recensent voor het Utrechtsch Dagblad. (Zie over Halbo Kool mijn voorjaar 2026 te verschijnen biografie Achter mij de grote dromen. Het veelbelovende leven van dichter-criticus Halbo C. Kool (1907-1968) bij uitg. In de Knipscheer, Haarlem)


‘Een zoodje’
Maar daar liet De Jong het niet bij. Hij was tevens redacteur van het gloednieuwe tijdschrift NU. Algemeen maandblad, dat hij samen met Is. Israëls was begonnen in oktober 1927. Al in zijn inleiding in het eerste nummer van NU, van oktober 1927, had De Jong geroepen: ‘het is een zoodje in onze litteratuur’. In zijn brief van 8 oktober 1927 aan Querido brieste hij: ‘Onze inleiding, de mijne nadrukkeliker dan de jouwe, was een oorlogsverklaring. Aan de hedendaagse kunstenaarslitteratuur, aan de hooghartigheid o.a. van de kunstenaar, die zich verdiept in eigen wezen, weten en droomen, zonder de minste bekommernis om het al of niet begrijpen door de verachte massa. Wij moeten deze oorlogsverklaring begrijpelik en aannemelik maken door ons werk in “NU”. Wij moeten aldoor en klaar begrepen worden.’ (Correspondentie A.M. de Jong en Is. Querido: LM, J 0421 B 1)
Hij opende daarmee de aanval impliciet op Marsman en de zijnen, lees: De Vrije Bladen, en ook op De Gemeenschap. Beide bladen werden in zijn ogen beheerst door individualistische ‘slappe, dekadente heertjes en dametjes’, terwijl het collectivistische socialisme toch echt de toekomst had. Mederedacteur Is. Querido viel De Jongs scheldpartij bij in een essay over de positie en de invloed van de literair criticus. (A.M. de Jong, ‘Ter inleiding’, NU 1 (1927/28) 1 (okt.), 2-3; Is. Querido, ‘Stand en bevoegdheid onzer tegenwoordige litteratuur-critiek’, ibid., 78-95)
Vrije Bladen– én Erts-redacteur Dick Binnendijk wilde erop reageren in zijn tijdschrift, maar werd tegengehouden door de uitgever, sinds begin 1927 Em. Querido, broer van de NU-redacteur. Hij had de redactie meteen bij zijn aantreden persoonlijke aanvallen op zakelijk met hem verbonden auteurs verboden — in dit geval De Jong met diens succesvolle Merijntje-boeken, begonnen in 1925. Binnendijk c.s. voelden zich beknot in hun redactionele vrijheid en vonden na aanvankelijk uitgever S.L. van Looy per direct in De Spieghel een nieuwe uitgever voor het tijdschrift. (D.A.M. Binnendijk, ‘Een boekje open (een verantwoording en een aanklacht’, De Vrije Bladen 5 (1928) 1, 1-6. Zie ook: id. (B.), ‘De heer Em. Querido en wij’, ibid., 5 (1928) 2, 63-64, en ‘Mijn laatste woord’, ibid., 5 (1928) 3, 93v)
Mourik van Meersen
Een halfjaar na De Jongs recensie, in november 1927, verscheen in NU een uitvoerige beschouwing over Erts 1927, de ‘pièce de résistance’ in dit relaas: ‘Een jongere over de jongeren’, gevolgd door deel twee in het januari-nummer. Auteur: een zekere Mourik van Meersen.(Mourik van Meersen, ‘Een jongere over de jongeren’ I-II, in: NU. Algemeen Maandblad 1 (1927/28) 2 (nov. ‘27), 204-212, & 4 (jan. ‘28), 430-437) Doelwit van diens pijlen zijn drie medewerkers aan de almanak: de al genoemde Marsman en Kool en nu ook Houwink, die elkaar zoals vermeld reeds kenden. Drie van de bijna vijftig medewerkers — het lijkt een hele eer voor hen, maar het hele stuk komt vooral over als een toch wel flauwe puberale ‘close reading’. De verleiding is groot om uitgebreid te citeren juist vanwege die bijna uitzinnig kinderachtige aanpak, maar laat ik mij beperken tot enkele alinea’s over Kool, de benjamin van het drietal, inclusief de eerste gedrukte flauwiteit over zijn naam:
Om een van de begaafdste Jongeren te noemen, wend ik mij tot “de spiegel der litteraire bloei (of malaise)”, waar ik in de rij der “zangers” een zeer goede kracht gewaar word […] — Halbo C. Kool (niet: “Apen”-Kool!). —
Ho-ho! niet dringen, dames en heren. Heus, u krijgt allemaal een beurt. Dit godswonder der twintigste eeuw is voor ‘n ieder te aanschouwen.
De in 1907 geboren jongeman debuteerde in “De Vrije Bladen”. Gelukkig las ik deze bijdragen niet. Wel die in “Erts”. En daarover wil ik het nu juist hebben.
Op blz. 88 staat: “De Krijger”, opgedragen aan Hendrik de Vries. — […] — Ik zeg maar: toon mij d’aan u opgedragen verzen en ik zal zeggen enz.
Lezer, luister naar dit schone:
“Bij schemer worden bloed en haar
veel heviger: een vlucht onstuimigheden,
die — lach en stem — omstrengelen elkaar
in wervelende duizeligheden”.Ik zet een punt, ik kan niet meer. Dat komt door die “wervelende duizeligheden”!
Maar dit is nog niets, vergeleken bij “Lea’s Haren”. Ik ben zo vrij het over te schrijven. Alzo:
“Lea’s Haren
Dit is uw beeltenis van toen ik u ontmoette en
aanraakte voor het eerst:”De lezer zal hier waarschijnlik wel begrijpen waar het om gaat. Kool heeft het over Lea. Da’s een vrouw. — Wat zegt u? Mag hij ‘t niet over ‘n meisie hebbe? Wat zalle me nou! — Dat-ie pas 20 jaar is?… Wat gaat uwes dat an, lezer.
[…]
En zo gaat het maar door, het kan niet op. Voor het vervolg verwijs ik de lezer graag naar de bron zelf. (Van Meersen, ‘Een Jongere over de Jongeren’… II, 432-435, hier 432v)
De reacties in de pers op deze tirade van Van Mourik waren veelzeggend: ‘trekt heftig te velde tegen de jongeren, maar slaagt er niet in aan zijn beweringen kracht van overtuiging bij te zetten’; een ‘daverende critiek’; ‘tracht geestig op jonge dichters te schelden en lanceert daarbij eenige staaltjes van zijn eigen Sinterklaas-poezie’; ‘Ja, daarin heeft Mourik van Meersen schoon gelijk; deze kool levert apenkool. En het kan zijn nut hebben, dat deze jongere „de jongeren” aldus over den hekel haalt. Want in vele gevallen is de kwaliteit van hun werk omgekeerd, evenredig aan de kwantiteit. En wat zijn ze productief!’; ‘men vraagt zich tevergeefs af, welke crimineele dingen bijv. Marsman bedreven heeft, om Mourik van Meersen tot zulk een staat van critische delirium tremens op te voeren.’ En voor E. du Perron was Van Mourik niets minder dan ‘een proleetje’. (Alkmaarsche Courant, 4-11-1927; Gooi- en Eemlander, 4-1-1928; Algemeen Handelsblad, 5-1-1928; De avondpost, 5-1-1928; Jos. de Gruyter, Utrechtsch Dagblad, 21-1-1928. E. du Perron, Cahiers van een lezer, Tweede cahier, 29-3-1928, 65. H. Gerversman, De nieuwe kunst in den nieuwen tijd. Een terugblik en een verwachting (Carpe Diem, Barendrecht [1945]), 47) Gerversman: ‘Als Van Meersen een persoonlijke vijand was geweest van Marsman, had hij niet grievender, wonderder kunnen schrijven en schimpen.’
Van Meersens aanval bleef niet onopgemerkt en werd de aanleiding voor een ware literaire rel.
aNti-schUnd
Niet alleen de redactie van De Vrije Bladen, ook die van De Gemeenschapvoelde zich aangevallen. Al eind 1927 nam Gemeenschap-redacteur Albert Kuyle — hij was woest — het initiatief tot een gezamenlijk pamflet tegen NU en benaderde de Vrije Bladen-redactie. Het leidde tot het befaamde pamflet aNti-schUnd(‘anti-uitschot’), gestoken in een op dat van de tegenstander geïnspireerd omslag. Bekend maar later vooral berucht, want het bevatte enkele twijfelachtige — lees: fascistoïde en antisemitische — passages. Het waren uiteraard Marsman (‘NU is een bende’), Kuyle (‘Merijntje de Bastaard’, ‘de bekende lintwormroman’) en Binnendijk die terugsloegen, maar ook Den Doolaard, Menno ter Braak en Jan Engelman. Van belang op deze plaats is Binnendijks bijdrage tegen Van Meersens stuk: hij veegt de vloer aan met deze ‘Jongere’, maakt echter een uitglijer door te schrijven dat diens toon ‘misschien bij bepaalde, meer oostersche, rassen zeer gewild’ is, maar laat de aanval op Halbo onvermeld.(Opmerkelijk is de uitvoerige bijval die het pamflet kreeg van A. Wegeling met diens grote artikel ‘De anti-NU-brochure’ in zijn rubriek ‘Nederlandsche Letteren’, De Tijd, 4-2-1928)


Een primeur was de manier waarop aNti-schUnd, eind januari 1928 uitgekomen, aan de man werd gebracht: Ter Braak, Binnendijk en Den Doolaard ventten het luidkeels uit in de Amsterdamse Kalverstraat, de politie slaagde er niet in dat te stoppen.(Zie een uitvoerige weergave van de kwestie in: D. van der Meulen, ‘Litteratoren als straatventers. Over de brochure aNti-schUnd (1928)’, Het oog in ’t zeil 4 (1986/87) 6 (aug. 1987), 35-39. Ouder en politieker gericht is: W. Hazeu, ‘Over het socialistische en semitische schrikbewind in 1928’, Bzzlletin 8 (1980) 72 (jan.), 18-22. Zie over NU: J.J. Holtland, ‘Van Ostayen, rhythmen-verdraaier en metrum-verkrachter.’ Provocaties en traditionalisme in het literaire tidschrift Nu (1927-1929) (bachelorscriptie, Univ. Utrecht, begeleider J.H.M. Anten, 2012). Zie over de diverse betrokkenen: J. Goedegebuure, Zee, berg, rivier. Het leven van H. Marsman (Arbeiderspers, 1999), 198-200; id., Op zoek naar een bezield verband […] 1 (Van Oorschot, Amsterdam 1981), 213v; M. de Jong, A.M. de Jong, schrijver. Biografie (Querido, Amsterdam 2001), 232-41; L. Hanssen, Want alle verlies is winst. Menno ter Braak 1902-1940. 1: 1902-1930 (Balans, Amsterdam 2000), 367v; H. Olink, Dronken van het leven. A. den Doolaard — zwerver, schrijver, journalist (Atlas, Amsterdam 2011) negeert de affaire.) Deze actie drong ook door in Groningen en Kool schreef meteen enthousiast en energiek aan Binnendijk:
Zoojuist lees ik in een Groninger courant voor het eerst over “Anti-Schund”. Antwoord s.v.p. p.o. wat kost dit pamflet? Is er nog een flinke oplage van? Kan ik als ik dat aanvraag een aantal in depôt krijgen, dan zal ik trachten hier enkele menschen te vinden die me bij het venten willen assisteeren. Kan ik ze via jou betrekken of bij wie anders?
Binnendijk verwees hem naar uitgeverij De Gemeenschap in Utrecht, waar Kuyle 300 stuks liet versturen naar de Groningse boekhandel H.J. Modderaar en per brief aan Kool liet weten: ‘Ik geloof dat je een heel goed werk doet met deze organisatie, en hoop nu maar dat de verkoop jullie en ons een beetje kan bevredigen. […] Geef direct na dit bericht van mij, een kleine tip aan de Groningsche bladen. Een beetje duister bericht, s’avonds[!] voor de verkoop, kan veel goed doen.’ En inderdaad berichtte het Nieuwsblad van het Noorden op 10 februari dat het pamflet ‘morgen alhier door jeugdige schrijvers- en dichters-stadgenooten op straat zal worden verkocht.’(Kool aan Binnendijk, z.d. [kort voor 3-2-1928] (LM: K 748 B 1); A. Kuyle (De Gemeenschap) aan Kool, 8-2-1928 (privé-archief H.C. Kool); ‘De Anti-Schund brochure’, Nieuwsblad van het Noorden, 10-2-1928) Daar was meneer ‘Apen-kool’ dus ook bij. (In die tijd is nog sprake geweest van een fusie van De Gemeenschap en De Vrije Bladen. Tevergeefs echter.)
De Jong en Querido konden niet nalaten om uitgebreid te reageren op het aNti-schUnd-pamflet. In ‘Heibel in het straatje. Een woord van verweer’ roept hij badinerend: ‘Ja, ik kan het heus niet helpen, maar het machteloze herrietje rond “Nu” in ’t algemeen en mijn welhaast staatsgevaarlijke persoonlijkheid in ’t bizonder werkt aan het eind van alles toch alleen maar op mijn lachspieren. Ik zie daar deze diep beklagenswaardige heer Binnendijk, in de luren gelegd Nederlands dichter, met bleek gelaat ontdaan staan huilen om de snoodheid van die brutale lummel uit dat gezin van de nieuwe buren waar “Nu” op de deur staat, waarna later zijn verweer volgt. Daarna doet ook Querido een duit in het zakje en serveert Binnendijk af als een ‘niet ongevaarlijk querulant’.(A.M. de Jong, ‘Heibel in het straatje. Een woord van verweer’, NU 1 (1927/28) 6 (mrt), 132-45, hier 134; Is. Querido, ‘”De Vrije Bladen” en zijn uitgever. Een kleine verklaring’, ibid., 146v )In beide stukken echter geen woord over Van Meersens bijdragen!
Overigens klonk er in juni 1928 in NU nog een echo van de hele affaire door ene Puck Mulder. In een aantal versjes onder de titel ‘Vinkeveertjes’ doemen regels op als ‘Een snuifje snert [anagram!] en apekool’, ‘Een geur van hooger koolen’ en ‘Zoo jong door kool bedorven’.(Puck Mulder, ‘Gedichten. Vinkeveertjes’, NU 1 (1927/28) 9 (juni), 35-37: ‘Vergeten inleiding voor “Erts”’ en ‘De kermis’. — De enige bijdrage van Mulder aan NU. Wie was hij? Een krantenreactie, waarschijnlijk van dr. P.H. Ritter jr., had het over ‘spotverzen die hij [Mulder] doorzichtig “Vinkeveertjes” noemt (Utrechtsch Dagblad, 2-6-1928). De portée hiervan is mij duister. Het woord vond ik in Delpher alleen nog in Rolduc’s jaarboek 41 (1961) 49)Zo kreeg met name die arme Kool er weer van langs. (Maar wie was Puck Mulder?)
Voor NU zelf had de hele kwestie ook nog gevolgen. Terwijl De Jong en Querido aanvankelijk hun felle afkeer van Marsman deelden, maakte Querido medio 1928 een flinke draai en ging positiever over hun beider doelwit schrijven in een driedelige beschouwing over de ‘Nederlandsche literatuur’ in de nummers van juli-september. Bij het tweede deel ging De Jong steigeren: ‘Ik heb het met veel wrevel gelezen. Het eerste [deel] heeft me al met verbazing geslagen, en ik vraag me nu ernstig af, of we zo door kunnen gaan. Je weet, dat dit niet voor het eerst is, maar ik geloof, dat de verschillen zich nu gaan openbaren op een wijze,die voor een redelike gezamelike[!] redaktie van een tijdschrift vrijwel funest moeten worden. Over Marsman denk ik ongeveer diametraal tegenovergesteld als jij in “NU” blijkt te doen.’(Is. Querido, ‘Nederlandsche literatuur (poëzie en proza’)’ I-III, NU 1 (1927/28) 10 (juli), 218-24; 11 (aug.), 323-36; 12 (sept.), 430-48. De Jong aan Querido, 6-7-1928)Hij trok zich terug uit de redactie maar bleef wel schrijven voor NU.
Maar uiteindelijk zou de soep van de aNti-schUnd-rel minder heet gegeten worden dan ze was opgediend. Van Meersen voelde zich na alle felle ophef uiteindelijk toch wel schuldig, want al in april/mei 1930 bood hij in de zeer dunne brochure Een oud geval zijn excuses aan voor zijn actie: ‘ik schaam mij dan ook niet de heeren die ik toen noemde (H. Marsman, M. Nijhoff, Roel Houwink, Jan Engelman, Brunclair, Halbo C. Kool […]), in het openbaar mijn verontschuldiging aan te bieden voor de manier waarop ik hun werk en hun medewerking door plaatsing ervan hekelde.’ Het Groningse Nieuwsblad van het Noorden nam het over en zette de naam van stadsgenoot Kool in sperdruk…(Een oud geval (z.n., Rotterdam 1930); tekst integraal overgenomen in: ‘Kunst en Wetenschap – Een oud geval’, Nieuwsblad van het Noortden, 15-5-1930)


Wat weten we nog meer over Mourik van Meersen?
Al dit gedoe maakte mij nieuwsgierig naar de auteur Mourik van Meersen. Wat is er verder over hem bekend? Wie was de auteur van al dit ‘moois’?
Zelfs oppervlakkig onderzoek blijkt echter bitter weinig informatie over hem op te leveren. Bijvoorbeeld geen geboorte- en geen sterfjaar. En bij nader toezien blijkt de tweedelige bijdrage zijn enige bijdrage aan NUte zijn. Maar los van Een oud geval zijn er toch wel meer publicaties van hem te vinden. Misschien dat we zo iets meer te weten komen over Van Meersen.
In de zomer van 1927, dus al vóór zijn tweevoudige bespreking in NU, ‘debuteerde’ Van Meersen met Een merkwaardig boek (‘De Opstandigen’), een brochure van zes pagina’s over een roman van Jo van Ammers-Küller, geschreven in februari 1927 en verschenen bij ‘Wils’ in Rotterdam en al aangekondigd in NRC van 9 april.
Wat valt er verder op aan deze recensie behalve dat ze is gedagtekend in februari 1927? Hij gebruikt het woord ‘critikeurs’ van ‘onze Grote Querido’, waarmee hij Israël Querido, een van de redacteuren van NU waarin latere bijdragen van Van Meersen, bedoelt en die hij later een ‘oppermachtig talent’ en ‘enorme scheppingsdrang’ toedicht. Verder valt hij een ‘schrijnend juist[e]’ uitspraak van Dirk Coster bij. (M. van Meersen, Een merkwaardig Boek (‘De opstandigen’) (‘Wils’, Rotterdam 1927), 3, 6) Opvallend is het aan elkaar rijgen van qua betekenis verwante woorden, bijv. ‘geredeneerd, gepraat, gebabbeld, betoogd, geboekaankondigd, gezeurd, gekletst, gezwamd, gebazeld’. Verder kom je hier de Kollewijn-spelling tegen (‘afzonderlik’, ‘romanties’, ‘plumo’, e.d.). Wat de inhoud betreft: Van Meersen kraakt Van Ammers-Küllers roman vrijwel geheel af.
De inhoud is verder niet interessant, mogelijk wel het handjevol recensies: ‘zoo jong nog, zoo onbeholpen […]. Zoo’n mooi papier!’, ‘futloos, vlak verhaaltje’, ‘Door niets wordt dit debuut(?) gewettigd’, ‘mooischrijverij zonder één gelukkig woord’ en ‘een visitekaartje, zij het dan ook een erg duur’.(F. De Backer, De Vlaamsche Gids N.R. 17 (1928/29) 48; R[oel] H[ouwink], Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 38 (1928) dl. LXXVI, 2(?), 136; J. Theunisz, Den Gulden Winckel 27 (1928) 1, 21; v. H., Opwaartsche Wegen 6 1928/29 5 p. 191; Rotterdamsch Nieuwsblad, 7-1-1928. Z.o. C. Tazelaar, Stemmen des Tijds 17 (1928) 6, 638)

Tussen de twee delen van zijn Erts-recensie, in december 1927, verscheen het fictionele Ontmoeting. Een sproke, uitgegeven door C. v.d. Veer in — alweer — Rotterdam en gedagtekend met ‘R’dam 1927’. Het werd in een paar regels neergesabeld in Den Gulden Winckel: ‘Door niets wordt dit debuut(?) gewettigd. Zulke “sproken” worden bij duizenden geschreven in elk derderangsblaadje. De heer van Meersen heeft echter één zeer verstandige daad gedaan. Zijn werk is “gedrukt te Rotterdam in beperkte oplaag”. Moge het hierbij blijven!’ Van Duinkerken liet zich ook stevig horen: ‘Tegen een onbeduidendheid als deze is geen kritiese metode opgewassen. […] Van Meersens lekepreekje zou als ingezonden stuk in het verachtelikst provinsieblaadje een paskwil geweest zijn, in boekvorm is het een brutaliteit, zo geen waanzin.’ En Den Doolaard maakte de auteur , verwijzend naar de inhoud, flink belachelijk in aNti-schUnd: ‘Mourik, Mourik, wat ben je begonnen. Je moeder heeft je nog wel zoo gezegd, ’s avonds niet naar vreemde heeren te luisteren, vooral niet wanneer ze rijzig en slank zijn, en een soepel lichaam hebben, dat uit een spiritueel soort elastiek bestaat, zoodat ze naar willekeur uitrekken en inkrimpen.’(J. Theunisz, ‘Kroniek van het proza’, Den Gulden Winckel 27 (1928) 1 (Jan.), 21; Gerversman, Nieuwe kunst…, 48; A. den Doolaard, ‘Mourik van Meersen: “Ontmoeting”’, aNti-schUnd (De Vrije Bladen/De Gemeenschap, Utrecht 1928), 45v)


Hiermee hielden de dunne boekjes op. Pas in april 1929, dus ná de tweedelige NU-recensie, horen we weer van hem met een bijdrage over de Rotterdamse schilder H.F. (Herman) Bieling (1887-1964) in het vrijwel onbekende Het Vonkje — onafhankelijk tijdschriftje voor kunst en letteren onder redactie van Jet Cuypers, V. Leenheer Jr. en Paul Oyèns. Commentaar in dagblad De Morgen: ‘Mourik van Meerssen[!], die in NU heeft bewezen geen jota inzicht te hebben in de kunst schrijft hier even dom en gemakkelijk over de schilder Bieling.’ In de aflevering van oktober 1929, inmiddels geredigeerd door Henri Morriën (ook wel Morrien) en Willem Eges, stond een bijdrage over de Rotterdamse beeldend kunstenaar Johan Tielens (1869-1957). Na het reeds vermelde Een oud geval volgde, nu ondertekend met ‘M.v.M.’, in april 1930 in Het Vonkje een in memoriam voor de geboren Rotterdammer Just Havelaar (1880-1930), die hij al in het stuk over Tielens geciteerd had; zijn onvermelde bron blijkt een bijdrage van Havelaar in De Stem van 1922 te zijn.(M. van Meersen, ‘H.F. Bieling’, Het Vonkje 1 (1929) 1 (apr.), 18-20; K., ‘Kroniek van Kunst en Letteren’, De Morgen, 21-8-1929; M. van Meersen, ‘Joh. Tielens’, Het Vonkje 1 (1929) 3 (okt.), 14-16; id., ‘In memoriam Just. Havelaar’, ibid. 2 (1930) 4 (apr.), 7v; Just Havelaar, ‘Het persoonlijk idealisme’, De Stem 2 (1922) I, 331-59, hier 336)Voor het laatst komen we Van Meersen tegen in de opvolger van Het Vonkje, nu De Vonk. Onafhankelijk tweemaandelijksch tijdschrift voorkunst en letteren genoemd en opnieuw onder redactie van Morriën en Eges, en wel in een special van maart/april 1931 over redacteur én acteur Morrien met een loftuiting op hem.(M.van Meersen, ‘”Voor mij is Henri Morrien…”’, De Vonk 1 (1931) 2 (mrt./apr.), 26v)
Dat was het laatste ‘levensteken’ van Mourik van Meersen. Als we afgaan op zijn publicaties heeft hij dus ‘geleefd’ van februari 1927 tot voorjaar 1931, in totaal ruim vier jaar! Wie was toch in hemelsnaam Mourik van Meersen? Ook na uitgebreid en intensief speurwerk is er niets bekend over niet alleen geboorte- en sterfdatum maar ook afkomst, opleiding, relaties, kroost of wat dan ook. Met de beste wil ter wereld zijn er geen levensdata van hem te vinden. Enige zinvolle, mogelijke en plausibele conclusie: het moet wel een schuilnaam zijn. Maar van wie?
Wie was nou Mourik van Meersen?
Niemand van zijn tijdgenoten en ook niemand daarna heeft zich die vraag gesteld. Of enkele van hen wisten het wel — een publiek geheim dus — maar zwegen er als het graf over. Wim Hazeu somde in 1980 in een artikel alle medewerkers van NU op met hun eventuele schuilnamen, maar bij Van Meersen was hij niet argwanend. Slechts een enkeling was het in de loop der decennia opgevallen dat er iets merkwaardigs aan de hand was met deze naam: een recensent van De Vlaamsche Gids noemde Van Meersen als iemand ‘dien we niet kenden’ en een oplettende student noemde hem een ‘obscure auteur’. Meer verwondering valt er niet te ontdekken.(Hazeu, ‘Over het socialistische en semitische schrikbewind…’, 20. F. de Backer, ‘Hollandsche Letteren’, De Vlaamsche Gids N.R. 17 (1928/29), 45-48, hier 48. Hotland, Van Ostayen, rhythmen-verdraaier en metrum-verkrachter…, 21)Het meest voor de hand ligt is natuurlijk dat het een schuilnaam is. Maar van wie?! Tijd dus voor een poging tot ontmaskering.
Je vraagt je dan allereerst af: zijn er sporen van zijn ware identiteit te vinden in zijn werk?
Opvallend is dat vrijwel alle publicaties behalve de steen des aanstoots in NU van Van Meersen iets met Rotterdam van doen hebben. Bieden de redacties of uitgevers daarvan een spoor? Een merkwaardig boek verscheen bij uitgeverij ‘Wils’ in de Maasstad. De enige die volgens mij in aanmerking komt is Henri (Henricus Franciscus) Wils, een beeldend kunstenaar uit Antwerpen (1892-1967) die vanaf 1921 tot zijn dood aan de Provenierssingel 77a in Rotterdam woonde. Met name was hij graficus en boekbandontwerper, dreef een ‘Atelier voor reclamekunst’ en was chef van een drukkerij, waarmee vermoedelijk datzelfde atelier bedoeld is. Opmerkelijk is dat de brochure de énige uitgave van ‘Wils’ blijkt te zijn.(Wikipedia. ‘Atelier voor reclamekunst Henri Wils’, Algemeen adresboek met uitvoerige kaart der gemeente Rotterdam 1927, 453, 1018, 1714, 2454. <rkd.nl/nl/explore/artists/84810>)
Dan Ontmoeting, verschenen bij C. v.d. Veer, volgens het colofon ‘Gedrukt te Rotterdam in beperkte oplaag’. Opnieuw de vraag: wat of wie is C. v. d. Veer? De enige ‘C. v. der Veer’ in die stad in dat jaar is… een koffiehuishouder aan de Stationsweg 45b. Bij nader inzien toch een reële optie, want hij verhuurde zalen aan allerlei gezelschappen zoals ‘Kunst en Genot’.(Rotterdamsch Nieuwsblad, 7-1-1928. Algemeen adresboek […] Rotterdam 1927, 387, 1646, 2563. Rotterdamsch Nieuwsblad, 26-2-1924, vgl. De Maasbode, 14-12-1923)Mogelijk was Van Meersen lid van zo’n club en gebruikte hij de cafénaam als uitgeversnaam.
De redactie en administratie van Het Vonkje was, in elk geval vanaf nr. 3, de instelling ‘Cultuur’ in de Claes de Vrieselaan 122a bij de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Dat blijkt het woonadres van Henri Morrien. (Algemeen adresboek […] Rotterdam… 1929, 2140) Voor opvolger De Vonk gold hetzelfde adres.
Van Een oud geval is helaas alleen de plaats van uitgave bekend: alweer Rotterdam.
Zijn bijdragen voor deze bladen gingen over Rotterdammers. Alles ruikt naar de havenstad, maar we schieten er niet veel mee op.
Gelukkig is de briefwisseling tussen de beide NU-redacteuren Is. Israëls en A.M. de Jong uit hun NU-jaren bewaard gebleven. (LM: J 04201 B 1 en Q 00065 B1) Zouden daarin verwijzingen naar hun auteur Mourik van Meersen staan?
Pas in een brief van Querido aan De Jong van 3 oktober 1927 wordt voor het eerst de mysterieuze criticus vermeld, zij het indirect:
Ik heb ook een groot stuk ontvangen van een jongere over de Jongeren, zeer afbrekend vooral tegen Marsman en andere jongeren. Het is wel uitvoerig, tóch plaats ik het. Het is hier en daar veel te jong, maar ik wíl absoluut ook jongeren, plaatsruimte geven, want er zyn uitstekende opmerkingen ook in. Hy beroept zich ook nog even op jou.
Die ‘jongere’ moet wel Mourik van Meersen zijn. Het ‘beroep’ op ‘jou’ klopt en citeer ik graag hier uit zijn eerste NU-artikel, want het zal nog van pas komen:
Toch is er iemand uit de pennevoerders-rij die zijn stem tegen het kwaad heeft laten horen. En wel de heer A.M. de Jong. Over de “Erts”-almanak sprekend, zegt deze auteur in “Het Volk” over Marsman’s “Heimwee”: “Maar ondanks het feit, dat u de overdonderende uitvinding hebt gedaan om na een punt géén hoofdletter te schrijven” enz.. (Van Meersen, ‘Een jongere over de jongeren [1]’…, 209)
In zijn brief van 16 oktober antwoordde Querido:

Gezien de woorden ‘dezelfde regels’ lijkt dit een antwoord op een eerdere, helaas verdwenen brief van De Jong van na 8 oktober, waarin deze die schrapping al meldde. Querido lijkt dus Van Meersen als gewone medewerker te beschouwen en niet iets achter die naam te zoeken, laat staan een schuilnaam.
Dit brengt ons nog geen stap verder, behalve dat het citeren van De Jong door Van Meersen interessant is.
Een volgende vraag naar aanleiding van de twee passages over Van Meersen is die naar de werkwijze van de twee redacteuren. Ook daarvoor biedt hun briefwisseling enig nuttig inzicht.
Op 21 november 1927 — het tweede nummer met Van Meersens eerste bijdrage was inmiddels op 1 november verschenen, waarna nog een herdruk op de elfde volgde (Blijkens Het Volk, 31-10-1927 & 9-11-1927) — schreef Querido een ‘dringend verzoek’ aan De Jong: ‘Wil in het vervolg, uitgezonderd je eigen arbeid, medewerkers die door jou zyn aangebracht of die jou sturen, te schryven of te zeggen, dat alle bydragen naar den redacteur-secretaris [= Querido zelf] moeten toegezonden worden.’ Alles moest dus via Querido lopen en niet rechtstreeks van De Jong naar de zetterij/drukkerij gaan, anders kreeg hij problemen met de indeling van elk nummer. Hij wilde ook de adressen van bijdragers via De Jong.
De Jong zond dus niet alleen stukken onder zijn eigen naam in, maar ook van anderen, onder wie die van een zekere Frank van Waes. In een brief van 28 augustus 1927 had De Jong aan Querido gemeld dat ‘ook een artikel van mij over Sacco en Vanzetti’ [curs. N.B.] naar de drukkerij had gestuurd. Echter, zonder blikken of blozen liet De Jong het onder de naam Frank van Waes verschijnen in het eerste nummer van NU. Daaruit kon Querido opmaken dat deze naam een pseudoniem van zijn bloedeigen mede-redacteur was. (In het decembernummer verscheen van Van Waes nog ‘Pallieter naar Canossa!’) Bovendien hanteerde De Jong dat pseudoniem al sinds 1912 in Het Volk, verder verschenen onder die naam vanaf 1918 minstens vijf boeken en verder artikelen en feuilletons in diverse bladen. (Notities van een landstormman (‘Ontwikkeling’, 1918), De handel in pornografie (idem, 1920), Mensenmarkt (idem, 1922), Vrede op aarde (1925), Onder de Jefkes. Soldateske herinneringen (idem, 1927), Vrolike vertelsels (Arbeiderspers/De Wilde Roos, 1933). Z.o. Querido aan De Jong, 10-11-1927: ‘Frank van Waes kunnen we plaatsen’; De Jong aan Querido, 21-12-1927: ‘ Heb je de “Jefkes” ontvangen?’.) De ware identiteit was al minstens in 1922 bekend, dus ook Querido had dat al eerder kunnen weten.
En nu ik het toch over De Jongs pseudoniem heb, nog dit. Zijn simpelste pseudoniem was gewoon A.M. Een eenmalig pseudoniem van hem was Herbert D. Ross, ‘Amerikaans’ auteur van Fathma, de Roos van het Noorden (Em. Querido, 1926), ‘vertaald uit het Amerikaansch’ door ene Titia Roemer, eveneens De Jong zelf. (M. de Jong, A.M. de Jong…, 114, 116, 122, 182v. Ook Léo Frapié en Jan van Lith worden weleens als pseudoniem genoemd, maar Frapié was een bestaande Fransse auteur, van wie De Jong een boek bewerkte (ibid., 59v), en Van Lith is een personage in De Jongs Frank van Wezels roemruchte jaren (1928). In het Nederlands Pseudoniemen Archief van Hans Renders’ Biografie Instituut wordt zelfs Maurits Mok een pseudoniem van De Jong genoemd! (Zou achter Krelissie Krakeling in NU 1 (1927/28) 7 (apr.), 305-09, ook De Jong schuilgaan? Het is de enige vermelding en De Jong was toen nog redacteur.)) Een identieke truc haalde De Jong al in 1911, toen nog onderwijzer, uit met ‘Dialogen, naar het Russies van R.L. Kroepaska’, vertaald door ene Michaël Debronowski, in het onderwijsblad De Nieuwe School. Bovendien bleek De Jong auteur van de anonieme ‘Bespiegelingen van een jeugdigen grijsaard’ in De Nieuwe Stem met de in dit verband betekenisvolle ondertitel Algemeen Onafhankelijk Maandblad der Jongeren in 1918-19 (De Nieuwe Stem 1 (1918/19) I-II (nov.-okt.), 27, 122vv, 161vv, 241vv. M. de Jong, A.M. de Jong…, 122v, 49. Vgl. <socialhistory.org/bwsa/biografie/jong-a-m>), wat relevant is voor mijn latere argumenten. (Frank van Waes, ‘Sacco en Vanzetti’, NU 1 (1927/28) 1 (okt.), 59-61; id., ‘Pallieter naar Canossa!’, ibid. 3 (dec.), 282-85. M. de Jong, A.M. de Jong…, 58)
Poging tot identificatie
Op grond van het voorgaande dringt zich bijna vanzelf het vermoeden op: is Mourik van Meersen identiek met A.M. de Jong?
Allereerst iets over hun beider identiteit en dan bedoel ik hun leeftijd, want Van Meersens titel luidt immers ‘Een Jongere over de Jongeren’ en met ‘Jongere’ bedoelde de criticus getuige de allereerste alinea expliciet zichzelf. Kennelijk geen simpele categorie, want hij voegt eraan toe: ‘Dirk Coster meende mij de vaderlike raad te moeten geven voorlopig van deze betiteling af te zien’, wat Van Meersen niet volgde. Coster kende Van Meersen dus kennelijk. Van Meersen preciseert vervolgens zijn leeftijd door te zeggen dat hij, ‘naar menselike berekening [uitgaand van 70-80 jaar], de ekwator van zijn leven nog niet overschreden’ is, wat m.i. betekent dat hij eind 1927 nog geen veertig jaar was, dus geboren rond 1890. De Jong is geboren in 1888, dus dat klopt redelijk. En het was De Jong zelf die in 1930 schreef dat hij als 42-jarige ‘in het midden van zijn leven’ was. Veelbetekenend is verder dat Coster De Jongs literaire mentor uit zijn jeugdjaren was. (M. de Jong, A.M. de Jong…, 10, vgl. 28, 42vv, 55, 189, 247; vgl. 290: de 42-jarige De Jong is ‘in het midden van zijn leven’. Van Meersen, ‘Een jongere over de jongeren’ [1]…, 204)
Dan de geschriften van Van Meersen en De Jong over de Erts-almanak. Naast De Jongs recensie in Het Volk en Van Mouriks tweedelige bespreking in NU is er ook nog zijn ‘Woord van de redactie’ voor de uitgeversprospectus, bewaard gebleven als bijlage van zijn brief aan Querido van 12 augustus 1927, en zijn ‘Ter inleiding’ in het startnummer van NU, een geheel andere en veel langere tekst, ook meer in zijn stijl en met zijn stokpaardjes. (M. de Jong, A.M. de Jong…, 232vv)
Spelling
Hoe staat het vervolgens met Van Meersens en De Jongs teksten qua stijl, strekking, taalgebruik en, minder belangrijk, spelling? Eerst die opvallende spelling maar. Beiden waren aanhanger van de moderne spelling van Kollewijn, dus hielden meer van ‘likken’ (eerlik, vrolik) dan van van `lijken’ (eerlijk, vrolijk); denk ook aan ‘romanties’ en ‘plumo’, e.d..
Stijl
Dan de stijl. Heel opvallend is het aaneenrijgen en opstapelen van verwante, alternatieve of aanvullende woorden door beiden: bijvoorbeeld ‘geredeneerd, gepraat, gebabbeld’ in Van Meersens Een merkwaardig boek, ‘zwoegen en slaven, werken, graven en bouwen, studeren en vorsen’ et passim in de Erts-recensie in Het Volk en ‘niet aangenaam, niet briljant, niet opbeurend’, ‘niet zo verbijsterend, niet zo wonderlik’, ‘vleien, konkelen, kwezelen, flikflooien en stroop-om-de mond-smeren’, ‘gissen, bruisen en koken’, ‘hun ellende, hun verdriet, kommer en ontbering’, en ga zo maar door, in ‘De Jongere over de Jongeren’.
Inhoud
Als ik mij in eerste instantie beperk tot De Jongs recensie en Van Meersens beschouwing, dan valt op dat beide aandacht besteden aan: het individualisme en de rol van ‘het ik’ bij de Erts-jongeren en zo in feite het volgen van de Tachtigers; de grote voorkeur voor proza; het ‘l’art-pour-l’art’; de nadruk op de in 1907 geboren Halbo Kool en zo de jongste in De Vrije Bladen en dus ook Erts. (Erts 1927…, 199. De zin ‘Van vandaag op morgen wordt je van H.B.S.-leerling kunstenaar en praat je mee in “de Vrije Bladen” en de “Erts-almanak”’ in De Jongs recensie zou ook op Kool kunnen slaan.)
Opvallend is ook dat Van Meersen in Een merkwaardig boek nadrukkelijk juist Coster en Querido noemt, beiden goede vrienden van De Jong.
Prominent is ook de aanval op Marsman en zijn gedicht ‘Heimwee’ in beide teksten. De Jong ergerde zich aan geen hoofdletter na een punt in dat gedicht, Van Meersen toonde exact dezelfde irritatie, kwam zelfs met meer voorbeelden, en haalde een bladzij verder letterlijk De Jong aan. Net als in Het Volk citeerde Van Meersen in zijn dubbelartikel impliciet Marsmans ‘misselik makende sufheden’ in ‘Heimwee’ in de woorden ‘een tijd van kruistochten en kathedralen — om een koning te dienen…’, hiermee direct citerend uit ‘Heimwee’. En zo is de teneur in beide teksten. Bovendien ging De Jong ook te keer tegen Marsman in zijn brieven aan Querido. Enzovoort.
Zijn geciteerde reactie op de aNti-schUnd-affaire sloot De Jong af met: ‘ik ben uitermate benieuwd wat mijn goede vriend Dirk Coster tot deze dingen zal te zeggen hebben!’. Welnu, die liet zich inderdaad horen, en niet zo mals ook: ‘Weer deze vervloekte geest van verachting zonder reden, ongelimiteerd geloof aan zichzelf en de kleine groep rond zich […] de Heer De Jong heeft eenvoudig de moeite niet genomen, zich van de geestelijke waarde en structuur zijner tegenstanders ook maar eenige rekenschap te geven. — Slaan maar, en gelijkhalen’. (D. Coster, ‘De Anti-Nu beweging’, De Stem 8 (1928) 318-28, geciteerd uit: M. de Jong, A.M. de Jong…, 236) En De Jongs vriend George van Raemdonk, zijn tekenende kompaan bij Bulletje en Bonestaak, reageerde met een even kritische caricatuur in De Notenkraker, die door De Gemeenschap als direct betrokken partij met graagte werd overgenomen. (In De Notenkraker, 4-2-1928, en De Gemeenschap 4 )1928) 2 (feb.), 104, met dit bijschrift: ‘Hoe het socialistische carricaturenblad “De Notenkraker” met ongemeenen geest de actie tegen de misdragingen des heeren De Jong in beeld bracht. De schaalverhouding der figuren is volkomen zuiver als ons vermoeden juist is, dat den teekenaar de oplaagcijfers der uitgaven van den heer De Jong en die van ons door het hoofd hebben gespeeld (om niet te vergeten de verhouding tusschen de honoraria van dezen democraat en die van ons akelige bourgeois-zoontjes, opvreters der meerwaarde, verdedigers van de brandkast etc. etc….. Maar dit is natuurlijk pure afgunst).’)

Rotterdam
En dan is er nog de vermelde opvallende relatie tussen Van Meersens publicaties en Rotterdam. Is die link ook bij De Jong te vinden? In 1896-97 heeft het gezin De Jong in de havenstad gewoond, daarna verhuisde het naar het zeer nabije Delft, waar De Jong tot 1919 in het onderwijs werkzaam was. (M. de Jong, A.M. de Jong…, 18, 21. – Mogelijk dat de naam Van Meersen verwijst naar De Jongs geboorteplaats Nieuw Vossemeer, maar waarschijnlijk is dat wat vergezocht ) De Jong woonde van 1925 tot 1930, dus in zijn NU-jaren, in Nieuw Borgvliet bij Bergen op Zoom, een aan het water liggende stad die in zekere zin op Rotterdam georiënteerd was en nog is. De havenstad speelt een belangrijke rol in het derde en vierde deel, Onnozele kinderen en In de draaikolk, van diens Merijntje Gijzen-cyclus, geschreven in 1927-28, dus juist in De Jongs NU-tijd en waarvan delen al in 1927 hierin verschenen. (M. de Jong, A.M. de Jong…, 205, 216vv ) Als De Jong inderdaad Van Meersen is, dan lijkt het wel alsof hij een ‘geheim leven’ in Rotterdam heeft geleid.
Een andere vraag is of in De Jongs kennissen- of vriendenkring ook de bij Van Meersens ‘werken’ betrokken Rotterdammers figureerden. Van hen komt helaas alleen Just Havelaar voor in Mels de Jongs biografie. Havelaar was een bekende van De Jongs jeugdvriend Dirk Coster, bovendien vormden beiden de redactie van De Stem waaruit Van Meersen, zoals vermeld, citeerde in zijn artikel over Tielens. De Jong kán dus Havelaars artikel gekend hebben, wat echter een bescheiden vingerwijzing is.
Breder gekeken was De Jong al vroeg zeer geïnteresseerd in toneel en schreef hij ook zelf toneelstukken, (M. de Jong, A.M. de Jong…, 40v, 62vv ) waardoor hij mogelijk acteur Henri Morriën van naam of zelfs persoonlijk kende.
Mourik van Meersen [=] A.M. de Jong
Als we de diverse voorgaande vergelijkingen overzien, dan ontkom ik niet aan de indruk dat de overeenkomsten vrij sterk zijn, met name de schrijfstijl, de sterk neerbuigende toon in beide gevallen. Dit alles wijst er mijns inziens — met gevaar van wishful thinking — toch sterk op dat Mourik van Meersen niemand minder dan A.M. de Jong was. Maar ik moet toegeven: honderd procent sluitend zijn deze aanwijzingen niet. De smoking gun ontbreekt helaas.
Resteert nog dit raadsel: wie was Puck Mulder? Ik heb een vermoeden…
Laat een reactie achter