
Kostganger is een roman die zijn uitgangspunt niet zozeer zoekt in gebeurtenissen, op klassieke wijze geordend in oorzaak en gevolg, maar in een verstoring van de manier waarop die gebeurtenissen überhaupt nog betekenis kunnen krijgen. Schrijver en muzikant Eljakim van de Sande construeert een wereld waarin de continuïteit van de tijd zelf is aangetast. Dat uitgangspunt, een dorp waar de tijd rond Hemelvaartsdag 1973 tijdelijk heeft stilgestaan, wordt terughoudend ingezet. Geen nadruk op het ‘wat’ of ‘hoe’, maar op de nasleep: wat gebeurt er met mensen wanneer hun gevoel voor tijd en samenhang wordt onderbroken?
Het dorp functioneert behalve als locatie ook als systeem. De tijd is er na die stilstand wel weer gaan lopen, maar zonder dat het leven zijn vanzelfsprekende dynamiek heeft teruggevonden. Handelingen worden herhaald, sociale structuren blijven bestaan, maar lijken los te staan van motivatie of ontwikkeling. Het gevolg is een omgeving waarin alles herkenbaar is, maar niets nog echt beweegt; een subtiele verschuiving die het dorp ongemakkelijk maakt.
Binnen dat systeem neemt Lenno een bijzondere positie in. Hij is geen buitenstaander in sociale zin, maar wel in perceptie. Waar anderen zich hebben aangepast aan de traagheid en het ontbreken van richting, ervaart hij juist een toenemende vervreemding. Die vervreemding manifesteert zich in kleine, terugkerende sensaties die moeilijk te benoemen zijn. Een van de fragmenten beschrijft hoe de buitenwereld op hem inwerkt:
“Buiten voelt hij het meteen. De sluier van het dorp. Wat is het toch? Hij voelde zich prima daarnet maar eenmaal buiten trekt alle energie uit zijn lichaam. Hij voelt dit nu al sinds zo’n vijf à zes jaar. Soms is het weg, maar het lijkt steeds vaker terug te komen. Alsof je in een mistbui naar buiten stapt en niks hoort en ziet. Maar nu alleen met dat gevoel vanbinnen, ondanks het volle heldere zicht door de straat en de kraakheldere geluiden van het wakende dorp om zich heen.”
Wat hier gebeurt, is essentieel voor het verstaan van deze roman. De werkelijkheid zelf blijft intact: alles is zichtbaar en hoorbaar. De verstoring zit in de ervaring van die werkelijkheid. De metafoor van de mist wordt direct ondergraven, want er ís geen mist, waardoor de nadruk verschuift naar een innerlijke ontregeling. Daarmee laat Van de Sande zien dat het probleem niet van buitenaf opgelost kan worden; het zit ingebed in de manier waarop Lenno de wereld nog kan bereiken.
Die ontregeling werkt ook door in de omgang met het verleden. In veel romans fungeert het verleden als een bron van betekenis, een plek waar verklaringen gevonden worden. In Kostganger gebeurt het tegenovergestelde: het verleden is aanwezig als gemis. Personages vermijden het onderwerp of blijken er geen toegang meer toe te hebben. Dat blijkt onder meer uit Lenno’s pogingen om zijn ouders te begrijpen:
“Hij merkte dat ze niet graag wilde vertellen hoe zij vroeger haar schooltijd had beleefd. Iets van het verleden leek bij haar vertrokken te zijn. En vaak wanneer hij een soortgelijke vraag had gesteld, voelde hij zich een complete vreemde en er alleen voor staan. Was hij de enige die dit zo beleefde? Een half jaar lang deed hij er alles aan om het antwoord op de vraag naar het verleden van zijn ouders te achterhalen. Tevergeefs. Het gevoel van leegte door de onbeantwoorde vragen weerhield hem er nu nog van om door te vragen.”
Deze passage maakt duidelijk dat het hier niet simpelweg gaat om zwijgzaamheid of geheimhouding. Het probleem is fundamenteler: het verleden functioneert niet langer als iets wat gedeeld of verteld kan worden. Daardoor ontstaat er een breuk in de overdracht van ervaring tussen generaties. Lenno’s gevoel van isolatie komt voort uit uit het ontbreken van een gemeenschappelijke tijdsdimensie waarin dat contact betekenis krijgt.
De structuur van de roman weerspiegelt deze thematiek. Het verhaal ontvouwt zich in fragmenten: korte scènes, perspectiefwisselingen en observaties die niet altijd direct op elkaar aansluiten. Chronologie speelt een ondergeschikte rol; belangrijker is de manier waarop bepaalde motieven terugkeren en zich langzaam verdiepen. Deze opbouw vraagt een actieve leeshouding. De lezer moet zelf verbanden leggen en betekenis construeren. Daarmee bootst de vorm de ervaring van de personages na: ook zij bewegen zich in een werkelijkheid zonder vanzelfsprekende samenhang.
Van de Sande’s stijl is opvallend gecontroleerd. Hij vermijdt overbodige uitleg en kiest voor precieze formuleringen die ruimte laten voor interpretatie. De zinnen zijn vaak kort, maar niet simplistisch; ze dragen een ritme in zich dat doet denken aan muzikale compositie. Herhaling speelt een belangrijke rol, niet als stilistisch effect, maar als manier om de stagnatie binnen het dorp voelbaar te maken. Tegelijkertijd zorgen kleine variaties ervoor dat die herhaling nooit volledig statisch wordt.
Vorm en inhoud sluiten dus op elkaar aan. Het stilvallen van de tijd is geen losstaand gegeven dat ‘verklaard’ moet worden, maar een principe dat doorwerkt in de structuur, in de stijl, in de thematiek en in de ervaring van de personages. Daardoor ontstaat een roman die over stilstand gaat, maar die stilstand óók vormgeeft.
Het centrale thema, de vraag wat ‘thuis’ betekent in een wereld waarin tijd en herinnering hun samenhang verliezen, krijgt geen expliciete uitwerking maar is voortdurend aanwezig. Het dorp biedt in fysieke zin nog steeds onderdak, maar mist de voorwaarden die nodig zijn om het als thuis te ervaren: continuïteit, gedeelde geschiedenis en ontwikkeling. Lenno’s uiteindelijke verlangen om te vertrekken is te lezen als een poging om een andere relatie tot tijd en betekenis te vinden, eerder dan als een simpele ontsnappingsdrang.
Opvallend is dat de roman geen oplossing biedt voor de geschetste problematiek. Er vindt geen onthulling plaats van wat er precies in 1973 is gebeurd, en er is ook geen duidelijke doorbreking van de stilstand. Die keuze is consequent: een expliciete verklaring zou de ambiguïteit opheffen die de kern vormt van het boek. In plaats daarvan blijft de lezer achter met een ervaring die zich niet volledig laat vastleggen.
Als debuut is Kostganger opmerkelijk coherent en doordacht. Van de Sande toont zich een schrijver die minder geïnteresseerd is in het vertellen van een afgerond verhaal dan in het onderzoeken van de voorwaarden waaronder een verhaal überhaupt nog mogelijk is. Dat maakt Kostganger tot een roman die zich niet onmiddellijk laat doorgronden, maar juist daardoor uitnodigt tot herlezing en reflectie.
Laat een reactie achter