De piepjonge François HaverSchmidt werd op 3 juli 1859 bevestigd als predikant in Foudgum. Een collega uit het vlakbij gelegen Hiaure, Lambertus Kan de Beer, leidde de plechtigheid en bracht daarvan verslag uit aan de Classis in Dokkum. HaverSchmidt zal toen (nog) niet geweten hebben dat Kan de Beer bepaald geen voorbeeldige dominee was.

In dat jaar waren er wel al klachten over hem binnengekomen bij de Classis van Dokkum, die doorgestuurd waren naar het Provinciaal Kerkbestuur in Leeuwarden. Toen was het advies nog de boel in de gaten te houden, maar in de volgende jaren ging het goed mis. Uit de gebruikelijke kerkvisitatie was al gebleken dat er weinig gedaan werd aan godsdienstbeleving in Hiaure. Juist in de jaren dat HaverSchmidt de naaste collega van Kan de Beer was, liep het de spuigaten uit.
De classis krijgt in september 1861 een klacht binnen van een toezichthouder en een diaken uit Hiaure over Kan de Beer. Ze schrijven dat hij ‘niet alléén op verregaande wijze de predikdienst, het herderlijk werk, en het houden van catechisatien verwaarloost, maar zich ook schuldig maakt aan zedelooze daden en schandalen, die zij niet oorbaar achten te vermelden, maar waarvan eenige bevoegde personen met name opgegeven, gereed zijn, verklaringen voor het Classikaal Bestuur af te leggen.’ Ze willen dat de predikant ontslagen wordt. Op een bepaalde zondag was hij niet eens verschenen voor een kerkdienst in Hiaure, en hetzelfde gebeurde in het dorpje Bornwerd, dat ook onder hem viel. Er was al geruime tijd in beide dorpjes geen doop meer toegediend, geen avondmaal gehouden, en geen catechisatie uitgevoerd, terwijl zieken niet werden bezocht.
De classis stelt naar aanleiding van de klacht een commissie in die getuigen gaat horen. Kan de Beer mag zichzelf komen verweren.
Op 4 november 1861 verschijnen de eerste getuigen voor de praeses, scribus en gecommitteerden van de Classis. Zo vertellen een vroegere dienstmeid van de dominee, een inwoonster van Hiaure en iemand die veel voor hem werkte dat hij nooit bad voor of na het eten, en dat hij ongewoon gulzig zijn maaltijd naar binnen propte en dan zei: ‘ik heb mij dik gevreten, en ga maar naar bed’ Pas rond tien, elf uur in de ochtend stond hij op en kleedde zich onbehoorlijk. Nooit bereidde hij zijn preken voor. Eens weigerde hij naar een stervende te gaan en met hem te bidden. Hij deed zijn behoefte in tegenwoordigheid van huisgenoten, wat wordt bevestigd door meer getuigen. Andere klagers hebben het over de smerige taal die hij uitsloeg en over zijn drankgebruik dat tot dronkenschap leidde. Een vrouw getuigt dat hij meermalen bij haar bed kwam en haar dan onkuis toesprak. Ook vertelde hij dat hij hoerhuizen bezocht. Eens had hij zijn hemd opgeschort in bed en gevraagd of ze zien kon dat hij besneden was.
Als hij wél gepreekt had sloeg hij zichzelf lachend op zijn achterste waar de gelovigen nog bij waren, en riep dan luidkeels: weer 16 gulden verdiend.

Ook had hij een collectie ‘onkiesche’ prenten en daarover zei hij: ‘zoo lang ik geene levende juffer heb […] moet ik mij met die afbeeldingen vergenoegen.’
Als de getuigen gehoord zijn mag Kan de Beer zich verdedigen. Hij ontkent alles. Hij beweert zelfs af en toe huilend uit de kerk gekomen te zijn omdat er niemand was. Hij wordt op een verschrikkelijke manier vertrapt en verguisd, meent hij.
Er komen ook getuigen aan het woord die hem verdedigen en zijn inzet juist prijzen. Dat zijn getuigen die door hemzelf aangedragen zijn en voor hem werken. Het staat nergens maar het is natuurlijk voorstelbaar dat er wat bonus te pas kwam aan hun getuigenis.
De classis komt op 20 november 1861 tot een besluit. De beschuldigingen kloppen slechts gedeeltelijk, meent ze, maar de man is hoe dan ook ongeschikt als predikant. Ontslag volgt in juli 1862 – maar het is een eervol emeritaat en hij houdt zijn pensioen. Daarop schrijft de man onverschrokken een bezwaarschrift: dat hij dat pensioen te karig vindt voor zijn status! Daar gaat de classis vervolgens niet meer op in: ‘De vorm en inhoud van dit schrijven is van dien aard, dat de vergadering eenparig van gevoelen is, om hetzelve niet in overweging te nemen’.
Wat heeft onze François HaverSchmidt met dit alles te maken? Het geheel speelt zich precies af in de periode van zijn eerste predikambt – hij kwam in juni 1859 in Foudgum aan en eind 1862 vertrok hij er. Hij moet geregeld met Kan de Beer te maken hebben gehad, want de plaatsjes Hiaure en Bornwerd waren de dichtstbijzijnde met een eigen dominee. Kan de Beer was betrokken bij zijn benoeming en wijdde hem zelfs in. Later wordt HaverSchmidt betrokken bij de aanstelling van een nieuwe dominee voor Hiaure.
HaverSchmidt nam deel aan de jaarlijkse classisvergaderingen en moet dus van de klachten op de hoogte zijn geweest, als hij die al niet gehoord had via het gewone roddelcircuit tussen inwoners van dorpen die nog geen vier kilometer van elkaar lagen…Wat hij ervan vond? Hij had dan wel een voorvader die de ‘duivel-dominee van de Friese wouden’ genoemd werd en die beschuldigd werd van occulte praktijken, hekserij en homoseksuele contacten met zijn huisknecht. Maar nergens in HaverSchmidts brieven of werken is er ook maar de geringste verwijzing naar de dronken, luie, slecht-gemanierde, morsige en wellustige dominee.[1]
[1] Alle verwijzingen komen uit het Provinciaal Streekarchief te Dokkum, Nederlands Hervormde Kerk Classis Dokkum, Register Ingekomen stukken 248 57; Handelingen der Classis Dokkum 248 38; Handelingen van het Classikaal Bestuur van Dokkum 248 47; Stukken Ingekomen Classis 248 94: 42, 63, 68, 83, 88, 94, 99-102 (1859-1862)
Laat een reactie achter