Elk oog dat dit aanschouwt wordt een getuige
Hoe Forugh Karimi met In mijn ogen draag ik wolken ons dwingt om verantwoordelijkheid te nemen.

In de rest van de wereld gaan de wielen van de geschiedenis vooruit, maar hier worden ze achteruit gedraaid. Ik heb je eerder veel geschreven over wat het betekent om een vrouw te zijn nu de Taliban aan de macht zijn, en ik ga dat niet allemaal herhalen. Als vrouw mag je alleen nog onder begeleiding van een man de straat op, geluidloos en onopvallend. Mensonterend is het. (…) Als er één ding is waar ik me aan vastklamp, dan is het wel dat Widá nu in een veilig en vrij land leeft waar ze zich volledig kan richten op haar opleiding en haar toekomst. (p. 412)
Sjiríns brief aan haar vriendin Zarghona uit In mijn ogen draag ik wolken zou zo in 2025 geschreven kunnen zijn. Sinds de machtsovername door de Taliban in 2021 verkeert Afghanistan in een diepe humanitaire, economische en mensenrechtencrisis, zegt Vluchtelingenwerk Nederland. Meer dan de helft van de bevolking, ruim 23 miljoen mensen, heeft noodhulp nodig door extreme armoede, hongersnood en natuurrampen. Vrouwenrechten zijn drastisch ingeperkt en de veiligheidssituatie is instabiel. Het is een situatie die niet los te zien van een veel langere geschiedenis van conflict, waarin buitenlandse inmenging, interne machtsstrijd en ideologische tegenstellingen elkaar voortdurend hebben versterkt. Wie het Afghanistan van nu wil begrijpen, moet daarom terugkijken naar de burgeroorlogen van de jaren tachtig en negentig: de periode waarin In mijn ogen draag ik wolken zich grotendeels afspeelt. Forugh Karimi laat in deze zeer persoonlijke roman zien dat wij niet blind mogen zijn voor wat er zich onder onze ogen afspeelt.
2023: van Amsterdam naar Athene
Karimi begint in 2023, met het leven van Widá, die we leren kennen als volwassen vrouw. Ze reist van Nederland naar Athene met Margot, een journaliste die zich verdiept in Afghanen die gevlucht zijn. Deze reis vormt de eerste verhaallijn en roept al heel snel vragen op:
Toen ze op die bewuste zaterdag onderweg was geweest naar oom Fahím, was alles nog zoals het hoorde te zijn. Op de terugweg was niets meer hetzelfde. De stad leek in een dichte mist gehuld, alsof alle wolken uit de hemel waren neergedaald om haar te verbergen – wat totaal geen zin had. (…) Twee nachten had ze geen oog dichtgedaan. Pas op maandagochtend, bij het eerste licht van de zonsopgang, had ze de dikke gordijnen van verwarring een stukje opzij kunnen schuiven. Toen had ze de knoop doorgehakt. (p. 14)
Wat die gebeurtenis is die Widá precies tot dat besluit heeft doen komen, is een vraag die je heel het boek met je meedraagt. Het is een drijfveer om – ondanks of dankzij de informatie die maar mondjesmaat gegeven wordt – mee te gaan met Widá en Margot op reis. Niet alleen is Widá zelf erg gesloten naar Margot, ook de lezer voelt dat Widá haar kaarten dicht tegen de borst houdt. Bijna tergend langzaam vallen de stukjes van Widá’s leven op z’n plek.
1985 – 1998: van Kabul naar Amsterdam
Een deel van Widá’s geheimen ontvouwt zich een tweede verhaallijn die teruggaat naar Widá’s jeugd in Kabul, vanaf 1985. Ze is zes jaar en woont met haar madár Sjírin, bibí en opa. Haar pádar is verdwenen, opgepakt vanwege zijn antirevolutionaire ideeën. Het gezin van Widá is na de dood van opa afhankelijk van de bescherming van oom Fáhim en wanneer hij verhuist, hertrouwt madár en neemt ze bibí, haar vriendin Bégom, diens man en diens dochter Massomá in huis. Massomá en Widá groeien in hetzelfde huishouden tegen wil en dank samen op. Twee sleutelmomenten in Widá’s jeugd worden beschreven in deze eerste hoofstukken: de confrontatie met Adjay, de bakkersvrouw, die haar een khayinnoemt omdat ze een Hazara is leidt later tot een moeilijke, levensveranderende keuze. Ook de manier waarop tante Razia, de vrouw van oom Fáhim, haar behandeld, is van groot belang. Widá, door haar spottend uitgemaakt voor ‘uil’ en dus rampspoedbrenger, kan dan nog niet overzien hoeveel impact deze vrouwen op haar leven zullen hebben.
In de hoofdstukken over de jaren daarna neemt de spanning toe: raketaanvallen, een noodgedwongen verhuizing en de moedjahedien komen vanaf 1992 tot steeds gruwelijker daden. Daarom bedenkt madár een plan: Widá moet vluchten met oom Fáhid en zijn gezin. Haar dochter moet een betere toekomst hebben. Hoewel Widá dat absoluut niet wil, neemt ze op vrijdag 7 januari 1994 afscheid van madár, haar stiefvader Aghagul, Bégom en Massomá en vlucht naar Amsterdam. Daar bouwt ze een nieuw leven op, totdat dat ook niet langer gaat. Haar besluit om naar Athene te gaan is er dan ook één uit noodzaak:
Wisten die levenloze uiltjes maar dat er nu een echte uil op bezoek was, een uil met een mensenlichaam, 1 meter 65 lang en 62 kilo zwaar, die naar Athene was gekomen om haar bevroren hart te laten smelten, nu haar borstkas niet langer het gewicht ervan kon dragen. (p. 288)
Deze twee verhaallijnen In mijn ogen draag ik wolken vormen samen de ruggengraat van de roman. Door de afwisseling tussen heden en verleden word je als lezer gedwongen verbanden te leggen en open plekken in te vullen. Informatie wordt gedoseerd prijsgegeven, waardoor – parallel aan Widá – bij de lezer een geleidelijk proces van inzicht ontstaat. Hoewel het tempo in het eerste deel van het boek daardoor laag ligt, verandert dit wanneer de verhaallijnen elkaar naderen en Widá’s verleden en heden samenkomen in Athene.
Van weefgetouw tot kralenketting
Verschillende motieven tonen de thematiek. Het terugkerende beeld van het begraven van Delsjad in diens vele gedaanten, de tweemaal verstopte brieven van madár en de geheimen die Widá bewaart, laten het wegstoppen van pijnlijke herinneringen zien. De roman maakt duidelijk dat begraven niet hetzelfde is als verwerken en dat trauma overleeft wanneer gezwegen wordt.
Ook het motief van verhalen vertellen speelt een belangrijke rol. Brieven, dagboekfragmenten en de verhalen Widá als kind en als volwassene, vormen samen de draden voor een veelkleurig kleed. De vertaalde dobaiti’s uit Jaghori in Ghazni, thuis voor veel Hazara’s, en Neêrlands trots Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke laten zien hoe mooi Karimi zichzelf in het verhaal verweeft, tot de laatste pagina aan toe:
De grote kelim is geweven en hangt aan de wand. Elk oog dat hem aanschouwt wordt een getuige, zelfs als het daarna wegkijkt. Want in elke draad huist een verhaal dat zich niet langer laat vangen in de tirannieke klauwen van de vergetelheid. Ik kus daarvoor de-handen van het jongste zusje van de Plejaden. Zij is nu vrij en mag schitteren. (p. 508-509)
Waar de roman uiteindelijk om draait, lijkt het blootleggen van het aangedane leed, opdat wij niet vergeten. Karimi draagt niet voor niets de roman op aan haar familie en aan Alia, die symbool staat voor de vele slachtoffers van de Afghaanse geschiedenis. Daarmee krijgt het verhaal een duidelijke intentie. In haar verantwoording benadrukt Karimi dat ze niet kan aangeven waar de grens tussen feit en fictie is, want ‘feiten zijn als vissen in de zee van fantasie’, maar toont ze wel hoe dit verhaal tot stand is gekomen en de bronnen die ze gebruikt heeft. Zo doet ze een poging om de vergeten of verzwegen verhalen zichtbaar te maken. Zij schrijft voor de kinderen van de Afghaanse diaspora, om hen een beeld te geven van een verleden dat anders verloren dreigt te gaan:
Het is als een kralenketting waarvan de draad knapt. (…) Zo zijn wij, als kraaltjes uitgestrooid over de hele wereld, hopend dat we ooit weer aan elkaar geregen zullen worden. Maar die hoop vervaagt steeds meer. (p. 155)
De autobiografische elementen van dit boek, die Karimi ook benadrukt in het nawoord, zijn ook tekenend: Widá is, net als zijzelf, psychiater en toch blijkt juist zij moeite te hebben haar eigen trauma onder ogen te zien. Een verwerkingsroman lijkt het, maar niet alleen voor Karimi zelf.
Meer dan een roman
Nog meer dan in De moeders van Mahipar biedt Forugh Karimi niet alleen een persoonlijk verhaal, maar vooral een moreel kader. Het boek dwingt je om je ogen te openen, omdat je door de ogen van Widá geconfronteerd wordt met hoe Afghanistan opnieuw speelbal werd én wordt van internationale belangen en interne verdeeldheid. Steeds opnieuw moet Widá loslaten, begraven en weer verdergaan. In mijn ogen draag ik wolken laat zien wat dat betekent op individueel niveau: hoe politieke beslissingen, vaak in een ander land genomen, doorwerken in gezinnen, vriendschappen om uiteindelijk je levensloop te veranderen. Het is meer dan een roman, het is een belangrijke les:
Zolang de politici van de machtige landen al die oorlogen blijven steunen, of nog erger: er aanstichters van zijn, zal er nooit een einde komen aan deze ellende. Zolang er landen zijn die hun economieën baseren op de productie van wapens, zal er altijd oorlog zijn. En wanneer het vuur van de oorlog toeslaat, zullen mensen gedwongen zijn te vluchten. (…) Inderdaad, er zijn geen oorlogen meer in Amerika, Europa en de andere westerse landen, en ook niet in de rijke olielanden. Maar dat komt doordat hun oorlogen élders gevoerd worden. (p. 372-373)
Dit is dus niet iets van vroeger, maar duidelijk zichtbaar in de huidige situatie in Afghanistan. Daarmee draagt deze roman bij aan kennis het leven toen en nu en wijst dit ons op de lessen die we ondertussen niet geleerd hebben en de gevolgen die dat zal hebben. De ontvangst van het boek onderstreept dat deze intentie wordt herkend. De meeste recensies zijn overwegend positief en prijzen vooral de emotionele kracht en het maatschappelijk belang van de roman. Zo werd het boek door de jury van de Nederlandse Boekhandelsprijs omschreven als aangrijpend en literair sterk, met een overtuigende verbeelding van het leven tussen twee werelden. Ook in kranten als Het Parool wordt benadrukt dat Karimi erin slaagt de ervaringen van de Afghaanse diaspora invoelbaar te maken.
Juist in deze tijd is de relevantie van deze roman daarom groot. Terwijl migratie en geopolitiek vaak abstract blijven, geeft In mijn ogen draag ik wolken een concrete en persoonlijke uitwerking en een oproep om de ogen te openen voor verhalen die dreigen te worden gewist. Als het aan Karimi ligt, zal deze roman ervoor zorgen dat dat niet gebeurt: wie dit leest, kan zich namelijk niet meer beroepen op niet-weten.
Laat een reactie achter