
In De laatste schaker zet Max Pam een luchtig, erudiet spel op dat overdreven zwaar knipoogt naar Stefan Zweigs beroemde Schaaknovelle. Ook hier: een luxecruise, verveelde passagiers en een schaakprogramma dat onverwacht een arena wordt voor prestige, ijdelheid en genialiteit grenzend aan gekte. Bij Pam komt daar een moderne angst om dom gevonden te worden bij. Wat als de mens wordt ingehaald door halfzombies met telefoons? Het boek leest als een gezellig opgezet raadspelletje: Pam strooit lustig met herkenbare motieven, half-citaten en variaties op scènes uit Schaaknovelle en andere schaaktrivia, alsof hij de lezer voortdurend vraagt: zie je wat ik hier doe? Zie je dat deze personages eigenlijk Piet Hein Donner of Hans Niemann zijn?
Verteller is Viktor Sanders, een voormalig schaakgrootmeester die zich bedruipt met het schrijven van schaakrubrieken en op het schip het schaakhoekje moet bemannen als onderdeel van het animatieteam. Veel “plot” is er niet: Sanders observeert, vertelt anekdotes en laat partijen en schaakgeschiedenis langsdrijven terwijl er af en toe ook geschaakt wordt tegen middelmatige toeristen. Juist die dunne verhaallijn is functioneel; Pam gebruikt de cruise als kapstok om het schaakspel, zijn mythologie en zijn roddels tot proza te kneden.
Als Sanders simultaansessie slechte reviews krijgt van een bezoeker die niet tegen zijn verlies kan, laat de grootmeester op het intranet van het cruiseschip een positieve review over zichzelf achter onder de naam Centovic. Er is toch ‘niemand die het merkt’. Behalve dan die ene lezer die de moeite nam om schaaknovelle te herlezen. Tevreden knor ik dan even bij de herkenning. Maar dit intertekstuele genoegen is niet subtiel. Pam parafraseert, citeert en verwijst zo nadrukkelijk en veelvuldig zonder noodzaak voor het plot dat het tegen gaat staan.
Wie een autonoom, strak gecomponeerd verhaal verwacht, komt bedrogen uit. Maar wie zich aan de leiband van Pams plezierige potpourri laat meevoeren, krijgt er een fijn avondje lezen voor terug. Het is wel iets geheel anders dan de zwaarte uit Zweigs existentiële drama, zo strak gecomponeerd in een novelle waar geen woord te veel in staat. Pam strooit in meer dan 200 pagina’s een trits aan irrelevante personages, schaakhistorie en algemene culturele kennis over je uit dat je door de bomen het bos gaat missen.
Dat grotere thema is weliswaar eigentijds: wat betekent genialiteit in een spel dat door computers en AI allang is “opgelost”? Decadente toeristen spelen vals tijdens de simultaansessie door op het toilet snel de telefoon te raadplegen. Boomer Sanders beklaagt zich met een wat gezapige maatschappijkritiek: Früher war alles besser. De schaker Lunaman die wordt beschuldigt van vals spel pleegt zelfmoord.
Voor lezende schakers of schakende lezers is dit een geestige, slimme hommage; maar de purist die Literatuur nog met een hoofdletter spelt, kan beter bij grootmeester Zweig terecht. Früher war alles besser.
Laat een reactie achter