
De titel Gewone Hollandse jongens suggereert iets lichts, misschien zelfs iets alledaags. Maar niets is minder waar. Dit boek draait niet om jongens, en al zeker niet om iets gewoons. Centraal staat een vrouw die, zoals ze zelf zegt, niet meer jong is. Wat volgt is een indringende en soms ontregelende verkenning van rouw in al haar gedaanten: de spijt, het afscheid, het verdriet, de rauwheid, de waanzin, het vasthouden aan iets wat er niet meer is, nooit meer terugkomt en al het fysieke wat daarbij komt kijken.
Feticu neemt de lezer mee in het hoofd en lichaam van een vrouw die haar man heeft verloren. Die rouw voltrekt zich niet in stilte of ingetogenheid, maar als een rauwe, lichamelijke en mentale rollercoaster. Verdriet, spijt en gemis vermengen zich met verlangen, verwarring en zelfs schaamte. Tegelijkertijd bevindt de hoofdpersoon zich in de overgang, en in een land waar zij niet is opgegroeid. Die gelaagdheid maakt haar desoriëntatie voelbaar en intens.
Vanaf de eerste pagina ontstaat een licht ongemakkelijk gevoel, alsof je als lezer getuige bent van iets wat eigenlijk niet gezien mag worden. De vrouw ontwikkelt gevoelens voor de jongere broer van haar overleden man. Wat volgt zijn gedachten en fantasieën die balanceren op de grens van het toelaatbare. Feticu schuwt het ongemak niet en trekt de lezer mee in het spanningsveld tussen verlangen en sociale afkeuring — van de schoonmoeder, van de buitenwereld, en misschien nog wel het meest van de hoofdpersoon zelf.
Wat dit boek bijzonder maakt, is de manier waarop lichamelijkheid centraal staat. Rouw is hier niet alleen een emotionele ervaring, maar ook een fysieke. Het lichaam voelt, verlangt, reageert. De huid — misschien wel het belangrijkste ‘personage’ in het boek — fungeert als een eerlijke getuige van alles wat zich afspeelt. Zoals ergens treffend wordt opgemerkt: je huid liegt niet, je hoofd wel.
Feticu’s stijl is zintuiglijk en beeldend, soms op het randje van het ongemakkelijke. Beschrijvingen van eten vloeien moeiteloos over in beschrijvingen van lichamen; het alledaagse en het intieme raken voortdurend met elkaar verweven. Van zweet tot honing, van tast tot smaak: alles is voelbaar. Tegelijkertijd zijn er momenten van bijna poëtische scherpte, zoals wanneer de hoofdpersoon zich – denkend aan de woorden ‘gelukkig hebben jullie geen kinderen’ – het hart van de jongen voorstelt als een crème brûlée waarvan de harde bovenlaag moet worden gebroken. Of zich aangetrokken voelt door de manier waarop de jongen na het eten van een zak chips zijn vettige handen afveegt aan zijn broek en hemd.
Ook de vorm versterkt het ontregelende karakter van het verhaal. Het ik-perspectief spreekt de jongen aan met ‘jij’ en praat over ‘zij’ als de buitenwereld: ‘ze zeggen’. Alsof de hoofdpersoon zichzelf van buitenaf bekijkt en tegelijkertijd probeert te ontvluchten. De ruimte waarin het verhaal zich afspeelt — treinen, stations, maar vooral een donkere kamer — onderstreept het gevoel van overgang en stilstand tegelijk.
Uiteindelijk laat Gewone Hollandse jongens zich lezen als een compromisloze en lichamelijke verkenning van rouw, verlangen en identiteit. Het boek eindigt met de werkelijkheid die direct ontkend wordt. Wat overblijft, is echt: de beschreven gevoelens en gedachten, het lichaam van de hoofdpersoon. Dat is letterlijk (be)tastbaar.
Laat een reactie achter