
Zeven brieven is zo’n boek waarbij het bijzonder lastig is om echt een mening te vormen, omdat de bewonderenswaardige kwetsbaarheid van de schrijver met elk woord verstrengeld is.
In 143 korte – sporadisch héél korte – hoofdstukken worden we meegenomen in het verhaal van een jong meisje dat opgroeit in een onveilige thuissituatie. Haar ouders lijken vaker wel dan niet te vergeten dat ze bestaat, haar alleen onverzorgd, niet gevoed achterlatend in huis. Haar agressieve vader heeft het geregeld gemunt op haar moeder. Ze is bang.
Als ik die avond in mijn nachtjapon in bed lig, kan ik niet slapen, ik ben bang. Er stroomt zoveel verdrietigheid door mijn lijf dat ik niet stil kan blijven liggen. Ik denk aan de brandplek op de wang van mijn moeder en hoe ze naar buiten rende. […] Ik sta op en loop naar beneden, naar de woonkamer, de televisie staat aan maar er is niemand.(p. 26-27)
Op deze avond wordt het allemaal te veel. Ze rent het huis uit, de straat op. Ze stopt niet tot ze aankomt bij het huis van haar opa en oma in blotevoetendorp, zoals ze het dorp waar ze vanaf nu woont noemt. Haar ouders verdwijnen uit beeld, al maken ze later afzonderlijk nog een rentree, maar beloftes te zullen veranderen zijn tevergeefs. De situatie blijft verre van ideaal. Opa heeft eveneens losse handjes en laat zich zeer kwetsend uit tegenover zijn vrouw, dus probeert ze zich zo sterk mogelijk achter haar oma te scharen.
De korte hoofdstukken geven het boek vaart, waardoor sommige zinnen – en daarmee soms hele hoofdstukken – onderbelicht blijven. Dit gebeurde voor mij bijvoorbeeld bij hoofdstuk 6 van de epiloog: “Ik hoor het, ik ken het geluid.” (p. 238). Het is een zin met zoveel kracht, met een duidelijke link naar het voorafgaande hoofdstuk, maar de vaart van het boek maakt het een opgave de rustpauze waar zo’n zin om vraagt ook daadwerkelijk in te lassen. Dat is zonde, maar was misschien niet te voorkomen. Het ietwat hak op de tak gevoel – snelle schakelingen, maar de rode draad blijft helder – dat de korte hoofdstukjes met zich meebrengen, draagt namelijk immens bij aan de kindse ervaringsbeschrijvingen. We lezen dit terug in de wijze waarop herinneringen worden beschreven, maar met name in de gedachtespinsels.
Ik ben ook bang voor mijn vader, want hij slaat mijn moeder en ik hoorde laatst toen ik boven met mijn boomhuis zat spelen dat hij haar spullen in de fik gaat steken als ze niet doet wat hij zegt. Ik hoop maar dat ze doet wat hij zegt.” (p.16-17)“Mijn vader kan koken maar hij is vaak weg. Dan kookt er niemand. Ik maak een bordje ketchup en dat lepel ik naar binnen. Ik hou van ketchup. (p. 17)
Fenomenaal aan dit boek is de wijze waarop leeftijdsgebonden gedachten een beeld geven van hoeveel tijd er voorbij is gegaan: ‘Ik ben zes en troost mijn oma.‘ (p. 46); ‘Ik ben elf maar niet knettergek.‘ (p. 92); ‘Ik ben dertien en voel een pijn die eindeloos veel dieper gaat dan de klap die ik net heb gekregen.‘ (p. 185); ‘Ik ben zeventien en bang voor hoe dood ze is.‘ (p. 214). Het detailniveau is verrassend. In een van de eerste hoofdstukken worden we in twee pagina’s aan negentien mensen voorgesteld, waar ook meteen een titelverklaring voorbijkomt.
Riny van Kleef met zijn leren jas, zwarte kuif en donkere ogen, die verteerd door liefdesverdriet dwars door alle weersomstandigheden heen rondrijdt in zijn rode Datsun Sunny Coupé, alle ramen open, terwijl ‘Zeven brieven’ van Arne Jansen op repeat uit zijn speakers knalt. (p. 11)
Ook de omgeving wordt in het begin tot in de kleinste details geschetst: ‘[…] Een grote houten kast met houtsnijwerk waar een bolle gemberpot en twee vazen van Delfts blauw op staan. Een kleine buffetkast van donker hout met daarin een Douwe Egberts-theeservies met afbeeldingen van Japanse vrouwen, huizen en bonsaiboompjes. […]” (p. 13). Beginnen met dit soort hoofdstukken is gedurfd, omdat dergelijke opsommingen overweldigen en wat verlammend werken. Het zet de lezer tegelijkertijd aan het denken over de meerwaarde van alle details. Het zijn ijkpunten. Heel specifieke elementen die de scherpte van een herinnering laten zien, bijvoorbeeld door de traumatische ervaring, of juist door het gevoel van geborgenheid.
Dan komen we bij een deur waarop een rechthoekig bordje met SLAAPHOK is geschroefd. […] Hij opent de deur en ik zie een bed, het ruikt er muf. Voor ik het in de gaten heb grijpt Peer me bij mijn middel en gooit me op het bed. Hij gaat op me liggen en begint me te zoenen. Ik voel zijn tong. (p. 98)
Na het eten krijg ik vanille-ijs met kersensaus. En na de afwas mag ik tussen Mimi en mijn oma in op de bank televisiekijken. Ze voelen veilig, deze zussen met hun stevige warme lijven. (p. 164)
In schril contrast met hoe doorgaans overvloedig met details wordt gestrooid, is hoofdstuk 121: ‘Mijn oma wordt gecremeerd. Ik was erbij maar kan me dat niet herinneren.‘ (p. 217). Het is precies daarom een zin als deze, die nog lang na het dichtslaan van dit boek de lezer bijblijft.
Dialogen zijn geschreven zonder aanhalingstekens, een schrijfstijl die we onder andere kennen van Sally Rooney (o.a. Gesprekken met vrienden, Normale mensen). In Zeven brieven viel mij dit ineens op na ruim veertig pagina’s, ‘Het is goed zo, kind, lang verhaal. Dan staat ze op en legt de foto in een la van de grote bruine kast. Poppetje gezien, kastje dicht.‘ (p. 43). Twee pagina’s later is het alweer in mijn onderbewuste weggezakt. Het is een bewuste keuze van de schrijver om gesproken woord en gedachtegang vlekkeloos in elkaar over te kunnen laten gaan. Dat werkt.
De wijze waarop herinneringen versmelten met gedachten, maakt dat er allesbehalve een slachtofferrol wordt aangenomen. De pijn en machteloosheid worden haast feitelijk benoemd, niet om medelijden op te wekken. ‘Ik heb zoveel pijn dat ik helemaal niks meer voel.‘ (p. 212). Dat maakt het juist een hartverscheurend verhaal.
Een jong meisje dat nog niet precies kan begrijpen wat er allemaal gebeurt, maar aan alles voelt dat het niet klopt, dat het zo niet hoort. Toch is er die onvoorwaardelijke loyaliteit: ‘Je kunt van iemand houden terwijl je diegene haat. […] ik hield van hem omdat hij me een thuis gaf. Ik haatte hem omdat […] hij het thuis dat hij mij gaf onveilig maakte.‘ (p. 231). En die onnoemelijk bewonderenswaardige veerkrachtigheid, die al vroeg in het boek door begint te schemeren: ‘Ik ga hier niet voor altijd blijven, denk ik, op een dag ben ik hier weg. Ik kijk de schepen na en vraag me af waar ze heen gaan. Het is een fijn idee dat er ergens nog een anders is.‘ (p. 70). Ook in woorden van anderen vinden we krachtige wijsheden terug: ‘Dat ik ook ongelukkig zou worden, als een vogel in een kooi. Als je ergens niet past moet je op zoek naar een plek waar je wel kunt ademen. Dat is heel belangrijk.‘ (p. 194). De papegaai op de kaft is uit de kooi, maar is met een ketting nog altijd een beetje verbonden aan waar die vandaan komt.
Het vermoeden is al sterk aanwezig vanaf het eerste hoofdstuk, maar pas op pagina 208 wordt direct aangegeven dat dit – met fictieve elementen – het verhaal is van schrijver Tina de Bruin zelf.
Ze komt niet meer terug. Mijn oma sterft bij de weduwe van haar broer in de armen van haar zus Mimi. Het abces dat al een tijdje achter haar longen groeide breekt, loopt leeg, haar longen in, ze stikt. Haar laatste woorden zijn ‘Tina, Tina’. (p. 208)
Het is een verhaal dat je niet zou verwachten achter de getalenteerde, grappige actrice, met een kwetsbaarheid gepresenteerd waarvoor woorden eigenlijk te kort schieten. Zeven brieven is met recht een prachtdebuut. Het luisterboek wordt overigens door De Bruin zelf voorgelezen. Een aanrader, ook als je het boek al gelezen hebt.
Laat een reactie achter