
Soms gaat zij reeds de trage gang van de genodigde:
in de ratel der gewrichten is het
onverwacht te horen hoe zij aan
het knekelhuis te kloppen staat.
De nachten malen: onophoudend ziet zij
hoe het meel der balken in de lakens valt.
De klokkentaal der slapelozen kent zij
uit het hoofd en met de hielen naar
de sponde staan de schoenen naast elkaar:
op elke komst is zij bereid.
Het onverteerde ligt haar op de maag;
in de geluiden van de hik groeit zij
met schokken naar de grond.
maar wat een nacht voordien te weken werd gezet,
krijgt in haar tederheid een vaste plaats.
De uren van geluk, die kent ze nog;
bedelend blijven de beminden haar nabij:
gehuld in groot geduld snijdt zij
de helften van haar mantels weg.
Gwy Mandelinck (1937-2024)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen iedere werkdag een gedicht in hun mailbox
Laat een reactie achter