
“Critics are like eunuchs in a harem; they know how it’s done, they’ve seen it done every day, but they’re unable to do it themselves”, schreef de Ierse dichter, roman- en toneelschrijver Brendan Behan (1923–1964) lang geleden.
Door de geschiedenis heen hebben critici meer moeite gehad met vrouwelijke auteurs dan met mannelijke. Daar komen hedendaagse samenlevingen overal in de wereld langzamerhand achter dankzij energieke jonge onderzoekers die daar oog voor hebben. Of bestaat in het kleine Nederlandse maaiveld nog een aparte categorie (m/v) Nederlandse schrijvers waar critici allergischer voor zijn dan collega’s in omringende landen die geen moeite hebben met fictie schrijvende geleerden?
Aan die kleine categorie dacht ik terug na het lezen van het sympathieke in memoriam dat Jaap Goedegebuure schreef voor Ton Anbeek (1944-2026). Hij vermeldt met nadruk dat zijn voorganger ook fictie schreef: “Tussen 1987 en 2009 publiceerde hij onder eigen naam vier romans, niet bij wijze van hobby, maar vanuit de ambitie om iets wezenlijks toe te voegen aan de literatuur. Hij wist dat hij er zijn nek mee uitstak, en dus de kans liep een kopje kleiner gemaakt te worden. Ook stelde hij vast dat zijn collega’s liever hun tong zouden afbijten dan laten merken dat ze weet hadden van dat andere schrijverschap. Dat hij zich daar niets van aantrok en stug doorging, dat vind ik pas echt lef hebben.”
Jarenlang was Ton mijn collega in Leiden. Zodra Conrads rivier, mijn eerste roman, in 1994 verscheen, kwam hij me meteen naar me toe: “Je hebt de grootst mogelijke stommiteit begaan om als hoogleraar in de letteren onder je eigen naam romans te gaan schrijven. Dat vergeven critici je nooit!” Had hij gelijk? Wordt je literaire werk afgebrand vanwege je prestigieuze baan? Willem Otterspeer had in NRC Zichtbare steden, de enige roman van collega Fokkema, al eerder neergesabeld. Zijn recensie van Conrads rivier in dezelfde krant begon ex cathedra als volgt: “Het nieuwe boek van Mineke Schipper […] is een roman die in Afrika speelt. Nu neig ik ertoe in mijn brevier het standaardgebed ‘Heer, verlos ons van romanschrijvende literatuurwetenschappers’ op te nemen. Maar allengs verstomde het geprevel daarvan.” En zo eindigt zijn bespreking: “Ik geef het toe, ik ben een beetje zuchtend aan het boek begonnen. […] En zoals gezegd, alweer een literatuurprofessor. Maar het boek heeft me geboeid. Ik moet de uitbreiding van mijn brevier opschorten.”
Ton Anbeek moet geleden hebben onder de hardnekkige zwijgzaamheid over zijn literaire werk van de kant van zijn eigen vakgenoten. Misschien nog erger dan een negatieve recensie? Misschien had ik meer geluk dan hij. Alle schrijvers moeten maar afwachten waar hun nieuwe boek terechtkomt en maar blijven hopen dat hun kwetsbare boreling niet in de rancuneuze handen valt waar Brendan Behan naar verwijst.
Laat een reactie achter