Voornamendrift 118
David Onland en Gerrit Bloothooft

Fig. 1. Vernoeming naar de eerste voornaam van een grootvader, voor mannen die geboren zijn tussen 1830 en 1910, en vanaf 1975.
Voor 1950 werd meer dan 60% van alle kinderen in Nederland zeer stabiel in de eerste voornaam vernoemd naar een (groot)ouder, waarna die traditie in korte tijd grotendeels werd los gelaten. Maar noch de traditionele vernoeming, noch het verlaten ervan gebeurde in gelijke mate over het land.
Vernoeming van mannen
We zien in fig. 1 1 voor mannen die geboren zijn tussen 1830 en 1910 dat de traditionele vernoeming naar de eerste voornaam van een grootvader het sterkst was in het overwegend protestantse noorden van het land, het zuidelijk deel van de bible belt van Zeeland tot de Alblasserwaard, en plaatselijk in de kop van Noord-Holland (meestal meer dan 60%) en duidelijk minder in het katholieke zuiden, met de (katholieke) oostelijke rand van de Achterhoek en Twente. Hetzelfde geografische patroon zien we sterk verzwakt na 1975 nog steeds in de bible belt en in het noorden van het land, met een accent op Noordoost Friesland.
Regionale verschillen in de mate van vernoeming kunnen veel oorzaken hebben. Ten eerste natuurlijk hoe sterk de vernoemingstraditie geworteld is. Daarnaast zal het, wanneer vernoeming naar grootouders voorrang heeft, pas bij grote gezinnen kunnen voorkomen dat anderen vernoemd worden. Het gemiddelde aantal kinderen per gezin lag in het begin van de 20ste eeuw rond 4, en grotere gezinnen waren niet ongewoon, met meer vernoemingsmogelijkheid naast (groot)ouders. CBS gegevens uit 1935 laten zien dat de huwelijksvruchtbaarheid bij katholieken ca 50% hoger was dan bij protestanten en onkerkelijken, waardoor de kans dat er meer dan twee kinderen van hetzelfde geslacht in een katholiek gezin werden geboren groter was. Dat vermindert de kans dat een kind naar een (groot)ouder werd vernoemd. Ook werden in het katholieke bevolkingsdeel regelmatig peetouders vernoemd, waardoor het aandeel vernoeming naar grootouders (als die tenminste geen peetouders waren) minder kan zijn.
Ook het aantal namen dat een kind krijgt kan een rol spelen bij vernoemen. Wanneer een kind twee of meer voornamen krijgt kan er ook in die namen worden vernoemd. In het noorden werd in de 19e eeuw meestal maar één voornaam gegeven waardoor die optie vervalt, terwijl in het zuiden het geven van twee namen al rond 1800 niet ongebruikelijk was (ca 40%), waarna meernamigheid daar in de 19e eeuw nog toenam met de opkomst van drie voornamen (Bloothooft en Onland, 2016).
Alles tezamen is het resultaat dat jongens in het overwegend protestantse deel van het land in het westen en ten noorden van de grote rivieren in de 19e eeuw voor meer dan 60% naar een grootvader werden vernoemd terwijl dat in het katholieke zuiden en oosten doorgaans op 40% bleef steken.

Fig. 2. Vernoeming naar de eerste voornaam van de vader, voor mannen die geboren zijn tussen 1830 en 1910, en vanaf 1975. De kleurschaal is anders dan in figuur 1 om verschillen beter te tonen.
Vernoeming van de vader (fig. 2) is enigszins complementair aan vernoeming van een grootvader. Als er pas nadat beide grootvaders vernoemd zijn voor vernoeming van de vader gekozen wordt is dat alleen mogelijk als er meer dan twee (overlevende) jongens in een gezin worden geboren. De complementariteit is in de 19e eeuw het duidelijkst voor Friesland, waar het minst naar de vader wordt vernoemd. Dat kan wellicht nog gerelateerd worden aan de patronymische naamgeving (voornaam + vaders naam) die daar sterk verankerd is, terwijl de achternaam er voor 1811 niet was of weinig gebruikt werd. Een alternerende keuze, zoals Douwe Jans (+achternaam), zoon van Jan Douwes, had duidelijk de voorkeur boven Jan Jans (+achternaam).
In Midden-Nederland, en vooral in de grote westelijke steden Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Dordrecht, en ook in Overijssel kwam vernoeming naar de vader in de 19e eeuw relatief vaak voor. In Zeeland en Zuid-Nederland minder maar in Zuid-Limburg juist weer meer. Vernoeming van de vader impliceert in de helft van de gevallen ook de vernoeming van een grootvader en als dat de grootvader aan vaderszijde is betekent dat continuïteit van de volledige voor- en achternaam in achtereenvolgende generaties, wat bijvoorbeeld voor familiebedrijven belangrijk gevonden kan worden.
Na 1975 daalt de vernoeming naar de vader tot minder dan 3% nu, met nog enige handhaving in de bible belt.
Vernoeming van vrouwen

Fig. 3. Vernoeming naar de eerste voornaam van een grootmoeder, voor vrouwen die geboren zijn tussen 1830 en 1910, en vanaf 1975.
De vernoeming van vrouwen die geboren zijn tussen 1830 en 1910 naar een grootmoeder toont hetzelfde verspreidingspatroon als de vernoeming van mannen naar een grootvader, maar Zuid-Limburg springt er uit. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de enorme, door de kerk gestimuleerde populariteit van Maria in katholiek Nederland in de 19e eeuw en in Zuid-Limburg in het bijzonder. Meer dan de helft van alle meisje kreeg daar Maria als eerste voornaam, terwijl de kinderen in de tweede of volgende voornaam onderscheiden (of vernoemd) werden. De keuze voor Maria kan eigenlijk ook niet als vernoeming worden beschouwd. Na 1975 blijft de traditionele vernoeming naar grootmoeders – net zoals voor de mannen – enigszins gehandhaafd in de bible belt en in Noord-Nederland. In Zuid-Limburg zien we van de eerdere enorme voorkeur voor Maria niets meer terug, kenmerkend voor de verdwenen invloed van de kerk op de naamgeving.

Fig. 4. Vernoeming naar de eerste voornaam van de moeder, voor vrouwen die geboren zijn tussen 1830 en 1910, en vanaf 1975.
Ook de verspreiding van de mate van traditionele vernoeming van vrouwen naar de moeder lijkt sterk op die van de mannen naar de vader, waarbij Zuid-Limburg er wederom uitspringt door de dominantie van Maria, die zoals gezegd niet als vernoeming naar familie kan worden beschouwd. Het minst werd de naam van de moeder in Friesland gekozen: ook bij meisjes had de traditionele vernoeming naar een grootmoeder, net zoals bij jongens naar een grootvader, daar verreweg de voorkeur. Na 1975 daalt de vernoeming van de moeder landelijk tot minder dan een paar procent en is alleen nog in de bible belt zwak zichtbaar.
Vernoeming in de eerste voornaam naar een (groot)ouder kwam vroeger heel veel voor, maar door verschillende oorzaken, die samenhangen met traditie, geloof en gezinsgrootte, niet overal in het land in dezelfde mate. In deze tijd wordt er vrijwel niet meer voor gekozen. Maar dat betekent niet dat er niet meer naar familie wordt vernoemd. De tweede of volgende voornaam kan daarvoor gebruikt worden, en we zullen het belang daarvan in een volgende bijdrage weer landelijk onderzoeken.
Maar eerst zal voor traditionele vernoeming nog de kracht van het patriarchaat in het gezin worden onderzocht. Waar de eerste jongen vrijwel altijd naar de vader van de vader wordt vernoemd, is het niet overal vanzelfsprekend dat het eerste meisje de naam van de moeder van de moeder krijgt (maar die van de moeder van de vader). Hoe die keuze landelijk gemaakt werd zegt iets over de oude invloed van de mannelijke lijn, het patriarchaat.
Noot 1. Er is voor de bestudering van traditionele vernoeming de periode 1830-1910 gekozen omdat daarvoor de meest uitgebreide gegevens beschikbaar zijn, afgeleid uit de namen van bruid en bruidegom en hun ouders in huwelijksakten (zie wiewaswie.nl). We geven hier de som van exacte vernoeming en vernoeming met variatie, als percentage (zie de eerdere bijdrage over vernoeming sinds 1800). De vernoeming naar een ouder wordt hier getoond onafhankelijk van de vernoeming naar een grootouder. De kaart is gebaseerd op gemeenten in 2007 omdat die meer detail geven dan na diverse gemeentelijke herindelingen. Deze indeling wordt ook in de Nederlandse voornamenbank gebruikt.
Laat een reactie achter