• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
    • Chris van Geel
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

In memoriam Ton Anbeek (1944-2026)

10 april 2026 door Jaap Goedegebuure Reageer

Met gastschrijver Gerard Reve, 1985

Op 6 april, Tweede Paasdag, het lentefeest waarbij men het terugkerende leven gedenkt en viert, overleed A.G.H. Anbeek van der Meijden, van 1982 tot 2005 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Voor iedereen die hem kende, van nabij dan wel via collegiaal contact, van zijn colleges of uit zijn geschriften, was hij gewoon Ton Anbeek, een korte en krachtige naam die hij had gekozen ten einde niet met een destijds beroemde Telegraafjournalist geassocieerd te worden.

Niet dat Ton Anbeek er op uit was om zich voortdurend in te dekken tegen wat in juridisch jargon ‘reputatieschade’ heet. Integendeel, hij zocht de controverse graag op. Toen hij van 1979 tot 1980 gastdocent was aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, begreep hij van zijn Amerikaanse studenten dat ze de eigentijdse Nederlandse romans vanwege het eigenheimerschap van hun protagonisten nogal wereldvreemd vonden. Thuisgekomen schreef hij voor De Gids een essay dat eindigde met de uitsmijter dat een beetje meer straatrumoer de polderlandse literatuur geen kwaad zou doen. Dankzij de verhitte discussie die hij daarmee uitlokte bleef de naam Ton Anbeek voor altijd met straatrumoer verbonden. Toen hij tien jaar later op de door hem aangezwengelde polemiek terugblikte verzuchtte hij: ‘Veel mensen willen in stilte begraven worden – van mij zal men afscheid nemen met straatrumoer. Want gesteld dat er op dat moment een paar regels in de krant aan mijn verscheiden zullen worden gewijd, ongetwijfeld komt men dan weer aanzetten met dat vermaledijde straatrumoer. Het is om hoorndol van te worden! Drie, vier jaar werk je aan geleerde studies, en over die boeken valt natuurlijk nauwelijks een woord. Terwijl dat ene artikel, op een zonnige Californische ochtend bedacht, mij tot na mijn dood zal achtervolgen. Eén ding is zeker: blijkbaar is er toch bij veel mensen een zenuw geraakt die lang is blijven naschrijnen.’

Dynamiek

Deze verzuchting dateert uit 1990, het jaar dat hij gehoor gaf aan het verzoek van een ministeriële commissie die na moest gaan hoe de eisen voor het eindexamen Nederlandse letterkunde konden worden bijgesteld. Ton riep assistentie in van twee collega-neerlandici, Harry Bekkering en mij. Om het bed eens flink op te schudden stelden we ten behoeve van het literatuuronderwijs voor HAVO en VWO een lijst van eenentwintig Nederlandstalige klassiekers op, van Hildebrands Camera Obscura tot en met De aanslag van Harry Mulisch. Ons voortijdig uitgelekte pre-advies werd zowaar de grootste komkommer van het zomerseizoen 1990, dankzij een alarmerend stuk op de voorpagina van het toen nog veelgelezen opinieweekblad Vrij Nederland en de daarop volgende kettingreactie. ‘Volkscommissarissen’, ‘Stasi’, ‘Kultuurkamer’, ‘index’, ‘boekverbrandingen’: deze en andere banvloeken vlogen ons om de oren. Een ploeg van het NOS Journaal reisde naar Texel om daar van Jan Wolkers te vernemen hoe diep gekwetst hij wel niet was dat behalve zijn vriend Remco Campert ook hijzelf niet op die lijst van eenentwintig stond. Alsof al die ophef nog niet voldoende was, gaf het al snel in de prullenmand verdwenen advies ook nog eens aanleiding tot schriftelijke kamervragen aan de verantwoordelijke bewindspersoon. Nog jarenlang zou Maarten ’t Hart, evenmin uitverkoren, Ton Anbeek als ‘lijsttrekker’ betitelen.

Eveneens in 1990 klonk er enig gemor onder Vlaamse letterkundigen toen Anbeek in zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 bewust voorbijgegaan was aan de Vlaamse literatuur van het genoemde tijdvak. Ondanks de gedeelde taal beschouwde hij de literaire systemen van noord en zuid als twee aparte grootheden, elk met een eigen ontwikkeling en een eigen dynamiek.

Golfbewegingen

Maar dat veel gebruikte literatuurhistorische handboek heeft toch een prominente plaats gekregen in de neerlandistiek. Het mag gelden als het topstuk van Anbeeks bibliografie, waar het is omgeven door tientallen andere publicaties, boeken, artikelen en recensies. Bij elkaar getuigt al dat vele en omvangrijke van de brede oriëntatie, de enorme eruditie en het nooit aflatende enthousiasme voor literatuur die Ton Anbeek eigen waren. Hij was in de eerste plaats een gedreven lezer, en ook nog eens bij machte om zijn bevlogenheid te laten blijken wanneer hij voor een gehoor stond.

Na zijn middelbareschooltijd, doorgebracht aan het Utrechts Stedelijk Gymnasium, begon Anbeek aan de Universiteit van Amsterdam met de studie Nederlandse taal- en letterkunde. Bij diezelfde instelling ging hij in 1969, meteen na het behalen van zijn doctoraalexamen, aan de slag als wetenschappelijk medewerker. In die hoedanigheid gaf hij niet alleen onderwijs, maar liet zich ook intensief betrekken bij de theoretische debatten die de Nederlandse literatuurwetenschap in die dagen in hun greep hielden. Zijn eerste artikelen in de vakpers, die vooral op het terrein van de narratologie liggen, haken aan bij wegbereiders als Roman Jakobson en Franz Stanzel, en zijn sterk gericht op mogelijke toepassingen in de interpretatieve praktijk. Toepassingsgericht is ook Ik heb al een boek, de zeer succesvolle lesmethode voor het middelbaar onderwijs die hij samen met zijn naaste collega Jan Fontijn schreef. Met Fontijn en Tom Etty vertaalde hij het klassieke handboek Theory of Literature van Wellek en Warren.

De nuchtere Anbeek kwam al spoedig sceptisch te staan tegenover alle koerswijzigingen en stroomversnellingen die zich rond 1970 in de literatuurwetenschap voltrokken. Aan de narratologie, en dan met name die van Stanzel, bleef hij trouw tot aan zijn in 1978 verdedigde proefschrift. Maar van andere tendenzen, bijvoorbeeld de door Chomsky geïnspireerde tekstgrammatica van zijn collega Teun van Dijk, nam hij flink afstand.  Bij een terugblik, tegen het einde van zijn werkzame bestaan, citeerde hij met smaak zijn geliefde W.F. Hermans: ‘Theorieën, ik heb ze zien gaan als vliegende ganzen.’ Of hij zijn weerzin daarmee nog niet duidelijk genoeg kenbaar had gemaakt, voegde hij er nog het vermoeden aan toe dat sommige literatuurtheoretici helemaal niet van literatuur hielden. ‘En dat was in mijn ogen een doodzonde.’ Toen hij als habitué van het Amsterdamse Lambert ten Katehuis van nabij meemaakte hoe er even fanatiek als tevergeefs werd gepoogd om de letterkundige neerlandistiek met behulp van Popper, Chomsky en Bourdieu om te vormen tot ‘harde’ en dus ook ‘echte’ wetenschap, versterkte dat zijn negatieve perceptie van al die golfbewegingen. Het was dan ook geen wonder dat hij er in retrospectief, tijdens zijn Leidse intreerede op 15 oktober 1982, nog maar eens, en tegelijk ook voor het laatst, de vloer mee aanveegde.

Steriel

Als tekstinterpreet en literatuurhistoricus heeft Anbeek altijd gehandeld naar de les die hij meekreeg van zijn gymnasiumdocent, later zijn Utrechtse promotor en enige tijd ook zijn chef Sötemann: literatuurtheorieën zijn geen doelen op zich, maar hulpmiddelen, instrumenten die je naar behoeven kunt inzetten om tot beter begrip en inzicht te komen, betekenis aan literaire teksten te geven en ze te plaatsen in een verhelderende samenhang. Net als Sötemann bleef Anbeek bij de keuze van zijn instrumentarium dicht bij de staande praktijk. Zijn bijdrage aan de narratologie bleef beperkt tot toepassing van Stanzels typologie van vertelperspectieven; alles wat Genette en Bal daaraan toevoegden dan wel op afdongen liet hij nadrukkelijk aan zich voorbijgaan. Zijn aanpak van de literatuurgeschiedenis, gepraktiseerd in de hiervoor genoemde literatuurgeschiedenis en de monografie Na de oorlog, baseerde hij op de ideeën van René Wellek, die het doorbreken van literaire normen en conventies zag als hét vliegwiel in de dynamiek van de elkaar gedurig opvolgende stromingen en perioden.

Net als veel van zijn vak- en generatiegenoten was Anbeek gepokt en gemazeld door de ergocentrische interpretatiepraktijk van het roemruchte tijdschrift Merlyn, maar die was voor hem niet zaligmakend. In de aan hem gewijde bundel Letterkunde met lef; Ton Anbeek als onderzoeker en criticus (2020) wijzen de samenstellers erop dat hij na zijn verkenningen van de literatuurtheorie steeds nadrukkelijker positie ging kiezen tussen het Merlyn-driemanschap Oversteegen, D’Oliveira & Fens en hun opponent Gomperts, de briljante amateur van wie hij in 1982 de Leidse leerstoel overnam. Diens personalistische benadering van literatuur zou bij Anbeek optimaal tot zijn recht komen in de boekbesprekingen voor het mede door hem opgerichte blad Literatuur, voor het vaktijdschrift Neerlandica extra muros en voor Elseviers weekblad, en daarnaast vooral in Het donkere hart, een monografie over het doorwerken van de romantiek in Nederlandstalige romans. In zijn hoedanigheid van literatuurcriticus lag zijn hart bij de de vent of de vrouw achter de auteur. Wanneer de balans doorsloeg naar de vorm, zoals in het werk van Willem Brakman, Jeroen Brouwers en de schrijvers rondom het tijdschrift De revisor, vond hij het maar een steriele bedoening.

Merk

Hoewel hij in Leiden beslist naar zijn zin heeft gewerkt en gedoceerd, is Ton Anbeek nooit echt Leidenaar geworden. Toen hem werd gevraagd wat hem van zijn professionele omgeving het beste beviel, was het antwoord: ‘De trein naar Amsterdam.’ Dat hij zich als vakgroepsvoorzitter in het openbaar krachtig te weer stelde tegen dreigende bezuinigingen kwam hem te staan op een reprimande van het College van Bestuur. Of professor Anbeek zijn Amsterdamse straatvechtersmentaliteit manieren maar achterwege wilde laten. Daar staat tegenover dat hij altijd aangenaam verrast was wanneer Leidse automobilisten, anders dan hij in Amsterdam gewend was, keurig stopten voor het zebrapad als hij overstak.

Ik heb Ton altijd beschouwd als mijn beste collega, iemand die als je hem tegenkwam steevast blijk gaf van zijn belangstelling voor wat je onder handen had, en je daarbij ook terdege wist te stimuleren. Ik heb jarenlang intensief met hem samengewerkt, samen het boek Het literaire leven in de twintigste eeuw (1988) geschreven, samen het Lexicon van Literaire Werken in 1989 van de grond getiteld en gerund, tot hij daartoe vanwege zijn kwijnende gezondheid niet langer bij machte was en we zonder hem verder moesten. Samen de storm rondom de lijst van 21 doorstaan. Samen in Polen geweest en door Zuid-Afrika getoerd.

Dat ik hem in 2005 in Leiden op mocht volgen beschouwde ik als een eer, en tegelijk als een verplichting om zijn spoor door te trekken. Niet dat ik daar moeite mee had – ik heb me bij het merk Ton Anbeek altijd heel goed thuis gevoeld.   

Lef hebben

De hiervoor genoemde Leuvense bundel met een aantal aan Tons werk gewijde beschouwingen kan wat mij betreft gelden als een terecht huldeblijk. In eigen land heeft hij dat nooit echt gekregen. Daarvoor was hij, in weerwil van zijn jarenlange zichtbaarheid en de impact van zijn publicaties, toch te veel een einzelgänger, en bij gevolg ook geen netwerker. In het interview dat in die bundel te vinden is, liet hij fijntjes doorschemeren dat hem dat bij het hengelen naar NWO-subsidies op een flinke achterstand zette.

Eén kant van Ton Anbeeks leven en werk blijft in Letterkunde met lef onvermeld. Tussen 1987 en 2009 publiceerde hij onder eigen naam vier romans, niet bij wijze van hobby, maar vanuit de ambitie om iets wezenlijks toe te voegen aan de literatuur. Hij wist dat hij er zijn nek mee uitstak, en dus de kans liep een kopje kleiner gemaakt te worden. Ook stelde hij vast dat zijn collega’s liever hun tong zouden afbijten dan laten merken dat ze weet hadden van dat andere schrijverschap. Dat hij zich daar niets van aantrok en stug doorging, dat vind ik pas echt lef hebben.  

Bij de oratie van Jacqueline Bel, 2020

Delen:

  • Afdrukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • E-mail een link naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Share op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Delen op LinkedIn (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel, Uitgelicht Tags: In Memoriam, letterkunde

Lees Interacties

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Daniël Franck • Nulpunt & Geen woorden

er zijn landerijen die ik nog niet heb bezocht,
door water aangevreten valleien waar zonlicht
druppelt of in robuuste winters uitblijft, er zijn
woestijnen die eens in een mensenleven tot bloei komen

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Vlaggetjes

Plezier heeft de vorm
van jouw lichaam gekregen.

Bron: Judith Herzberg

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

21 april 2026: Amsterdam Yiddish Symposium

21 april 2026: Amsterdam Yiddish Symposium

10 april 2026

➔ Lees meer
15 mei 2026: Live opname Historische Klassiekers

15 mei 2026: Live opname Historische Klassiekers

8 april 2026

➔ Lees meer
7 mei 2026: Studieavond ‘Taalonderzoek in de klas’

7 mei 2026: Studieavond ‘Taalonderzoek in de klas’

7 april 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

geboortedag
1695 Balthazar Huydecoper
1806 Arie de Jager
1879 Enneus Rijpma
sterfdag
2021 Christina Suprihatin
➔ Neerlandicikalender

Media

Lange lijnen 6: met Shantie Singh

Lange lijnen 6: met Shantie Singh

9 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
De butler, de bieb en De Bruin

De butler, de bieb en De Bruin

8 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Hoe snel verandert straattaal?

Hoe snel verandert straattaal?

7 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek 1 Reactie

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacy­verklaring
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d