Over de heruitgave van Stefan Hertmans’ debuutroman

Afgelopen dinsdag – 31 maart – vierde Stefan Hertmans zijn 75-ste verjaardag. Bij die gelegenheid werd hem in Gent, bij wijze van cadeau zijn uitgever De Bezige Bij, een nieuwe druk van zijn debuutroman Ruimte uit 1981 overhandigd. Mij is de eervolle taak te beurt gevallen om bij die tweede druk een nawoord te verzorgen en ik heb dat heel graag gedaan, want ik vind Ruimte een pareltje (en met terugwerkend kracht: een opmerkelijk vroeg pareltje) in Hertmans’ oeuvre. Maar het duurde destijds bij mij even voordat ik het boek in al zijn pracht van zelfreflectie en sérieux heb leren waarderen.
In de jaren negentig zat ik, onder meer met de latere uitgever Marc Beerens en Wintertuindirecteur Frank Tazelaar, in de redactie van Parmentier, een literair tijdschrift dat precies wist waar het met de letterkunde naartoe moest. En dat was: de kant van de experimentele, postmoderne literatuur. Die nieuwe teksten zochten we niet alleen bij jonge(re) Nederlanders, maar we hadden ook goede contacten met Vlamingen, zoals Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Holvoet-Hanssen en het tijdschrift Yang. (Wie wil weten hoe de miniwereld van zo’n nogal marginaal tijdschrift voor de betrokkenen zelf de onwrikbare kern van het universum is, moet de roman Het archief van Thomas Heerma van Voss maar eens lezen.) Op de achtergrond torende (toen al) Stefan Hertmans uit, een jaar of tien ouder dan de genoemde namen, en (toen al) auteur van surrealistische verhalen, erudiete essays en fijnzinnige poëzie die de ideale mix vormden van bewustzijn van de traditie van grote twintigste-eeuwse vernieuwers én zelfgecreëerde prachtige regels en beelden.
Virtuositeit
Toen in 1996 Naar Merelbeke verscheen, Hertmans’ tweede roman, was ons enthousiasme heel groot: dit was een hoogtepunt. Het balorige boek over het ‘aanstellerke’, dat vrolijk meanderde tussen Flaubert, Julian Barnes en Hugo Claus, met maffe wendingen maar evenzeer ernstige diepe lagen had: fantastisch!
Postmodern en toch leuk.
En je bereikte er nog lezers mee ook.
Ik vond toen dat ik ook maar eens op zoek moest naar Hertmans’ verborgen debuutroman Ruimte van vijftien jaar eerder, en stuitte, na het nodige zoeken – het was in de jaren vér voor internet – uiteindelijk op een exemplaar in een Antwerps antiquariaat. Nieuwsgierig begon ik, en vrijwel meteen was de teleurstelling daar: was dit Hertmans? Niets van de vrolijk doordachte virtuositeit van Naar Merelbeke, maar ingetogen somberheid, modernisme van het zwaarste soort, zelfreflectie, zelfbeklag… Dit was het niet. Ik weet niet eens zeker of ik het boek destijds uitlas.
Bewondering
Vijfentwintig jaar later.
Voor mijn Masterstudenten verzorg ik een collegereeks over Hertmans’ proza en dus moet ik ook weer aan Ruimte. Met laaggespannen verwachtingen begin ik, en wat gebeurt er?
Meteen ben ik gegrepen.
De prachtige schilderingen van het landschap, de genadeloze introspectie, het welbewust combineren en overpeinzen van leven en literatuur – wat grijpt dit aan, wat is dit goed! En geestig ook, zoals de absurdistische reeks maximen, in een hoofdstukje tegen het einde, dat een soort Hooglied on speed is (‘Huizen en ingewanden maken soms vreemde geluiden als het stil is.’). Ik realiseerde me de paradox: hoe ik destijds de roman van een leeftijdgenoot niet op waarde schatte en nu, als zestiger, pas zie hoe knap en intrigerend Hertmans’ roman is.
En die bewondering is gebleven, toen ik eerder dit jaar schreef aan mijn nawoord voor de heruitgave. Ik realiseerde me plotseling ook dat Ruimte, met zijn sombere zelfreflectie en alle nadenken, veel dichter bij mijn eigen belevingswereld van begin jaren tachtig stond dan ik me destijds gerealiseerd had.
Kiemcel
Kort na Ruimte verscheen een van de mooiste platen van de post-punk generatie: Soul Mining van TheThe, een (overigens nog steeds bestaand) project van de Londense musicus Matt Johnson. Het is een plaat met muziek én teksten die mij tot op de dag van vandaag vergezellen. De muzikale interesse van de romanpersonages in Ruimte richten zich bepaald niet op dit genre muziek. Toch zou je ‘soul mining’ ergens als pendant, misschien zelfs als vrije vertaling, kunnen zien van wat Hertmans in Ruimte typeert als ‘breinarcheologie’, een sleutelwoord voor het zelfonderzoek in de roman. In de titelsong zingt Johnson over zijn getormenteerde zelf: ‘you’re drifting in circles in the depths of your soul’. Een andere klassieke regel van Soul Mining schopte het tot in de (Nederlandstalige) letterkunde van de jaren tachtig (onder meer bij Robert Vernooij) : ‘How can anyone know me, when I don’t even know myself?’ Het had het motto kunnen zijn van Ruimte of van een van de hoofdstukken van het boek. En het is meteen ook een kernvraag – een uitnodiging misschien – waarop Hertmans de eerste contouren van een antwoord zoekt in zijn prachtige debuutroman.
Voor de Hertmans-lezer van 2026 valt nog wat meer te beleven in Ruimte: in het boek zijn namelijk allerlei vroege sporen zichtbaar van Hertmans’ latere werk, van soms zelfs decennia nadien, zoals zijn meest recente roman Dius en zeker Oorlog en terpentijn. Ook in die zin is de roman, om Vestdijk maar eens uit zijn verband te rukken, een glanzende kiemcel, die heel veel lezers verdient.
Laat een reactie achter