
•• Een gedicht uit Een kolibrie boven de waterval, een bloemlezing uit het recente werk van Robert Hass (voormalig Poet Laureate van de VS), samengesteld en vertaald door H.C. ten Berge.
Roken in de hemel
In de vroege avond jonge dichters observerend
Die op het terras, los van de poëzielezing, stonden te roken
Vroeg ik me af of er een rookterras in de hemel
Zou zijn. Ik heb een vriend, nu dood,
Een katholiek die het vooruitzicht van het paradijs onberoerd liet
Tot hij een groep middeleeuwse theologen ontdekte
Die hadden voorgesteld dat er een speciaal soort tijd
In de eeuwigheid gold. Zij gaven die een Latijnse naam.
Evenals mijn vriend konden zij zich geen God indenken
Die hen zou dwingen voor altijd zonder zonsopgang
En ondergang te leven. Zijn sceptische vrouw noemde het
Cafeïnevrije tijd, waarop hij z’n schouders nukkig ophaalde,
Deze gedachte aan leven na de dood stemde hem zeer gelukkig
Waar het, wat hem betrof, toch eigenlijk om ging.
Hij is nu bijna tien jaar dood,
Dus ik veronderstel dat hij op een of andere manier weet
Of er na de dood niets is en of niemand het daar wel of niet
Weet. Het rokersterras zou natuurlijk in de openlucht zijn,
Dus zou het niet zo deprimerend als die rookruimtes op vliegvelden zijn
Waar mensen met een vale huid zich met vrome nederigheid
Aan hun verslaving onderwerpen. Je kon opsteken en naar de wolkenrand lopen
Om de ijle rook die je uitblies
In de cafeïnevrije zonsondergang te zien wegdrijven. Ik vroeg me af
Of er koffie in de hemel zou zijn. Of seks. Ik kende een vrouw
Die zei dat de voornaamste reden voor seks
Wat haar betrof
De sigaret na afloop was. En als er al seks
In de hemel was, waarom zou er dan niets anders zijn? Zodat je
Waarschijnlijk ook Canadese ganzen op een meer kon zien neerstrijken
Terwijl de maan het wateroppervlak juist schemerig verlichtte
Met glanzende kamschelpjes. De jonge dichters konden beter
Allen Ginsberg lezen die zei dat dichters een voorbeeld dienden
Te geven door zich niet te voegen naar wat hij ‘de nicotinedamp
Van het kapitalisme’ noemde. Blijkbaar zonder tabak in de hemel
Wandelen de stelletjes après l’amour langs de zee, terwijl
De maan, bijna onnatuurlijk groot, net opkomt
En de kleur van de maan op het water precies datgene is
Wat hun lichamen voelen, bevredigd maar nog zinderend,
En in het maanlicht kunnen ze een troep wilde geiten
Met hun sik en onmenselijke ogen, ook bevredigd, op de heuvel zien grazen
Alsof tijd en eeuwigheid welbeschouwd de verkeerde ideeën waren
En de vrouwen getooid met hun Griekse maskers zouden zijn verschenen
Om langs de kustlijn te lopen en voor te dansen wat het noodlot behelst.
Robert Hass (1941)
uit: Een kolibrie boven de waterval (PoëzieCentrum, 2026)
•• Abonnees van Laurens Jz Coster krijgen ieder dag gratis een gedicht in hun mailbox.
Laat een reactie achter