In memoriam Wiljan van den Akker

Ik heb Wiljan ruim een halve eeuw gekend. Laat ik bij het begin beginnen: in de jaren tachtig, de mooiste jaren van onze vriendschap. We waren twintigers, beiden bezig aan ons proefschrift – hij over Nijhoff, ik over Hermans – en beiden vader van twee kleine kinderen. Met onze jonge gezinnen kwamen we veel bij elkaar over de vloer.
Begin jaren tachtig waren Wiljan en ik beiden faculteitsassistent, vergelijkbaar met wat nu aio heet, aan het Instituut voor Neerlandistiek, destijds gevestigd aan de Padualaan in de Uithof. Het was toen veel gemakkelijker om zo’n promotieplaats te verwerven. Geld voor promotieplaatsen was er toen nog volop en als je hoogleraar gezaghebbend was in de faculteit – en dat was Guus Sötemann – en wat in je zag, dan was je al een heel eind. Daar stond tegenover dat je buiten de spaarzame gesprekken met je drukbezette promotor nauwelijks begeleiding, laat staan een opleiding kreeg. Je had een halve aanstelling voor vier jaar en aan het eind van die periode diende er een dissertatie op tafel te liggen. Dat was alles.
Kopje koffie
Op de Padualaan had elke afdeling van de Vakgroep Nederlands een gang. Zo was er ook een lange gang voor de modern-letterkundigen, met aan het eind een klapdeur en daarachter een koffieautomaat. Aan die gang hadden niet alleen de medewerkers van de afdeling ieder een kamer, ook elke faculteitsassistent had er een eigen hokje. En natuurlijk was de grootste kamer voor Sötemann. (Pas na je promotie mocht je Guus zeggen.) De zittende medewerkers (Cees van de Watering, Leo Mosheuvel en Joost Kloek) dateerden nog uit de tijd dat een proefschrift niet iets was waaraan je liefst kort na je afstuderen begon – zoals Wiljan en ik. Voor hen was een proefschrift een levenswerk, iets waar je pas ver in je carrière of misschien zelfs pas tegen je pensioen mee tevoorschijn kon komen. Een eindpunt dus, in plaats van een begin, zoals voor ons. Op Redbad Fokkema na was nog geen de anderen gepromoveerd. Maar omdat het bestaan van zoiets als het faculteitsassistenschap ervoor gezorgd had dat een proefschrift niet meer een levenswerk hoefde te zijn en Sötemann een heel stel jonge types aan zo’n dissertatie-nieuwe-stijl had gezet, voelde de zittende staf grote druk om óók te gaan promoveren. Daardoor had die lange gang in die jaren iets weg van een wetenschappelijke legbatterij, waarbij de ongeschreven afspraak met de haan was dat er pas gekakeld mocht worden als het ei was gelegd. Het resultaat was dat voor het eerst kort op elkaar het ene na de andere proefschrift verscheen.
Tot zover de situatieschets. Nu Wiljan. Hij was in die jaren van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op het Instituut aanwezig en bevond zich dus ook frequent in die gang en bij dat koffieapparaat. Vanwege de zorg voor de kinderen was ik er zelf maar een halve week. Op die dagen trof ik Wiljan klokslag negen uur beneden in de grote koffiekamer. We praatten even bij, over het drukke leven thuis en over de vorderingen in het werk, en begaven ons daarna naar de gang. Daar verdwenen we ieder in ons hok, maar niet dan nadat we de afspraak hadden gemaakt dat de één de ander mocht komen halen voor een kop koffie, zodra het écht even niet ging. Wij liepen dus heel wat af, daar op die gang.
Witte vriend
Wiljan was een enorme kletskous, met een goed oog voor alle eigenaardigheden van de bewoners van het Instituut. Een komisch talent. Hij vertelde hilarische verhalen en gaf treffende imitaties ten beste. Ik geloof niet dat ik met iemand ooit zoveel heb gelachen als met hem in die tijd.
Ook toen al was hij een echte netwerker. Hij kende iemand hier en iemand daar, had al een paar uur in de wacht gesleept bij de COCMA (de Utrechtse mo-opleiding), had connecties met een literair radioprogramma in Maastricht, waar hij vandaan kwam, en nam het als faculteitsassistent unverfroren op zich om in zijn eentje voor uitgeverij Van Oorschot een editie van de Verzamelde gedichten van A. Roland Holst te maken, wat in het pre-digitale tijdperk een hondse klus was, omdat het bijeenbrengen van de verspreide gedichten en de keuze uit de varianten omstandig gegraaf in de meest uiteenlopende literaire periodieken vereiste. Een jongen met lef dus. Niet vreemd dat hij de hele week op dat Instituut te vinden was.
Wiljan en ik waren stevige rokers. Hij helemaal, hij is vroeg begonnen en nooit gestopt. Het zou me niet verbazen als hij er zelfs op zijn laatste dag nog eentje heeft opgestoken. Hij beweerde dat hij sinds zijn vijfde rookte, toen hij al sigaretten uit het pakje van zijn vader jatte. In de auto ging hij altijd dicht achter zijn vaders stoel zitten om zoveel mogelijk rook te kunnen opsnuiven. Als snel kon hij niet zonder zijn witte vriend. Ook als het even niet wilde lukken met het proefschrift of zijn nevenactiviteiten, bood deze troost. Even een sigaretje op de gang…
Gauloise
Op zekere middag werkten de stafleden allemaal thuis en waren de andere faculteitsassistenten evenmin in hun hok. De lange gang was leeg. De enige aanwezige was Sötemann. Die was er namelijk altijd. Strijk en zet kwam hij om negen uur aan om pas rond vijven het pand weer te verlaten. Zijn kamerdeur was altijd dicht en als hij eens elders in het gebouw moest zijn, deed hij zijn kamerdeur op slot. Die bewuste middag liep Wiljan te ijsberen in de lange gang, getergd door een writer’s block en nicotinegebrek. En niemand om een sigaret bij te bietsen. Hij passeerde de kamer van Sötemann en zag tot zijn verbazing dat de deur aanstond. Hij duwde hem voorzichtig een stukje open en stelde vast dat Sötemann er niet was. Maar hij zag meer. Want in die tijd – opa vertelt – had een hoogleraarskamer niet alleen een bureau en een vergadertafel, maar ook een zitje met drie comfortabele fauteuils. Die stonden rond een zogeheten rooktafeltje. Iedereen wist dat op dat tafeltje een flinke mand met rookwaren stond. Voor de hele stoet promovendi, vrijwel allen rokers, had Sötemann zijn rooktafeltje voorzien van de merken sigaretten en sigaartjes die zijn promovendi lekker vonden. Een gastvrij gebaar, toentertijd overigens van de belasting aftrekbaar. Een lust voor het oog, dat rooktafeltje, zeker voor de naar tabak smachtende Wiljan.
Hij schatte zijn kansen in, duwde vlug de deur verder open, snelde naar het rooktafeltje, graaide op zijn knieën zittend naar het eerste het beste pakje sigaretten, haalde er een stuk of drie uit, tikte nog gauw even tegen de zijkant van het pakje, zodat de overgebleven sigaretten keurig voor de opening kwamen te zitten, en wilde zich net oprichten, toen prof. dr. A.L. Sötemann breeduit in de deuropening verscheen. ‘Even een sigaretje pikken…,’ stamelde Wiljan. ‘Ja, dat zie ik,’ was Sötemanns reactie. De volgende dag kreeg ik het verhaal in geuren en kleuren te horen, in de lange gang, op weg naar de koffieautomaat, beiden genietend van een vers opgestoken Gauloise. Het verhaal werd toegevoegd aan Wiljans rijke repertoire. Wiljan hield van verhalen en dikte ze ter vermaak van de omstanders vaak een beetje aan.
Vrolijke vriendschap
Deze frivole kant typeert Wiljan maar even typerend is dat hij nog geen twee jaar na zijn promotie dezelfde kamer opnieuw betrad, maar toen als opvolger van Guus Sötemann. En als piepjonge hoogleraar met veel lef wist hij de weerstanden die er aanvankelijk tegen zijn opmerkelijke benoeming bestonden, al snel te breken.
De rest is geschiedenis. Ik was van meet af aan een van de medewerkers van zijn staf en heb hem van nabij aan het werk gezien als voortvarende chef d’équipe van een toen nog tienkoppige sectie Moderne Letterkunde. Over zijn onderzoekskwaliteiten hoeven we het hier niet te hebben – die staan buiten kijf en de resultaten ervan zijn publiek bezit -, maar wat niet iedereen zal weten, is dat hij ook een getalenteerd docent was. Hij wist grote collegezalen moeiteloos met zijn hoorcolleges te boeien en had een gave voor het leiden van werkcolleges. Maar ja, jong aangestelde hoogleraren van het type Wiljan zijn net ballonnen: als je ze niet vasthoudt, stijgen ze vanzelf op. Al tamelijk snel trok de bestuurlijke hoogte hem meer dan de werkvloer van het onderwijs. Eigenlijk zonde van zijn didactische kwaliteiten, maar daartegenover staat natuurlijk dat hij hogerop in de faculteit en universiteit veel mooie dingen tot stand heeft gebracht, zoals in het In memoriam op de website van Universiteit Utrecht te lezen valt.
Gaandeweg liepen onze paden uiteen en ontstond er, zoals dat gaat, meer afstand, maar ik zal Wiljan en onze vrolijke vriendschap in die drukke en opwindende beginjaren van onze carrières nooit vergeten.
Laat een reactie achter