Aagje Deken en Betje Wolff duwen zingend de hiërarchie omver
Wijze (en ironische) inzichten uit de achttiende eeuw die nog steeds raken
Wie kent ze niet, Aagje Deken en Betje Wolff? Zo’n beetje de best gecanoniseerde auteurs uit de serie Historische Klassiekers. Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, hun brievenroman uit 1782, is prachtig hertaald door Tonnus Oosterhof bij uitgeverij kleine Uil. Menig scholier leest dat boek nu, of fragmenten daaruit.
Waarom hen dan toch opgenomen in deze serie? Omdat ze nog zoveel meer schreven! Wie wist dat zij opkwamen voor dierenrechten? Wie wist dat zij feministen-avant-la-lettre waren? Of dat zij de slavernij aan de kaak stelden? Misstanden die nog steeds actueel zijn, terwijl hun standpunten voortvloeiden uit de Verlichtingsidealen van hun tijd. Opvallend ook: die misstanden werden – en wórden – het meest door vrouwen aangekaart.
Abdelkader Benali hertaalde voor Historische Klassiekers vijf teksten van deze auteurs. U kunt de teksten (proza, gedichten, liedjes en een fabel) hier vinden. Hieronder wat uitleg.

1. Bespiegelingen over den staat der rechtheid (1765)
Betje Wolff schreef Bespiegelingen over den staat der rechtheid, dichtmatig voorgesteld (1765) voordat ze Aagje Deken kende. Dit lange gedicht begint met een ‘Voorbericht aan de bescheidene lezers’:
Zo dit bericht uitgestrekter is dan men voor dit werkje verwachtte, dan gelieve men die uitgestrektheid ter gunst van de stof te verschonen, temeer daar ik met zoveel nederigheid u verzoeke dat gij de vleiende titel van bescheiden u gelieft waardig te maken. Niet omdat ik een vrouw ben, maar omdat ik door mijn gedrag enig recht heb op uw beleefdheid.
Toe maar. Benali begint zo:
Om iets te bereiken in het leven moet je alles zelf doen en dat betekent in de kern dat je niet moet gaan zitten wachten totdat iemand anders het voor je doet want dan kan je wachten tot je een ons weegt en dan zal er nog niks voor je gedaan zijn,
Zoek de verschillen 😉 Die zijn legio, en ook weer niet. Daarom spreken we liever van een bewerking, niet van een hertaling. Waarbij je niet bang hoeft te zijn dat Benali niet net als alle andere hertalers van Historische Klassiekers de tekst schoonspuit zoals bij een gevelreiniging: om het origineel te laten schitteren.
In het voorbericht van Bespiegelingen over den staat der rechtheid verdedigt Wolff zich tegen een publiek dat haar bestaan als auteur betwijfelt en haar meteen de maat neemt. Maar, zo verweert zij zich:
Wat geeft hun dan het recht om ons te hekelen, of belachelijk te maken over ene dwaas- dwaasheid waarin zij dagelijks vervallen?
Ergo: waarom een ander veroordelen om wat je zelf doet? Wolff is rationeel en scherp: vrouwen hebben heus niet minder verstand, dus waarom zouden zij niet schrijven? Het is een klassiek verlichtingsargument: gelijkheid via de rede. Tenslotte heeft ieder mens een hersenpan (herinner je je Juliana de Lannoy nog, van de vorige uitzending? Die zei hetzelfde. En ook Johanna Hobius zei iets soortgelijks, en Anna Maria van Schurman, en en en: hoor het koor van vrouwenstemmen in de podcasts maar).
In de hertaling van Benali verschuift alleen het zwaartepunt. Terwijl Wolff zich verdedigt, vertelt Benali over schrijven uit noodzaak, “om te kan asemhaal”, zoals Ronelda Kamfer in het Zuid-Afrikaans dicht. Benali hoeft niet zoals Wolff om toestemming te vragen of rechtvaardiging. Hij gaat een stap verder: schrijven is zelfbehoud, levensdrang.
Waar Wolff zich verzet tegen de spot van haar tijd, de angst om tot een savante te worden gerekend en zo te worden buitengesloten, beschrijft Benali de moderne angst genegeerd te worden, niet te bestaan in de blik van de ander. De uitsluiting is subtieler, maar niet minder benauwend of verlammend.
Wie bepaalt wie zichtbaar is, wie serieus genomen wordt, wie mag spreken? De stilte waarop Benali doelt is kenmerkend voor hoe culturele macht vandaag de dag werkt. Niet in het minst omdat cultuur tegenwoordig verdacht wordt gemaakt en elitair wordt gevonden. De massa lijkt er helaas graag op neer te kijken.
Gek eigenlijk, hoeveel we onderweg verloren zijn. In de zeventiende eeuw was de Republiek nog het meest geletterde land van Europa. En nu? Nu bungelen we met de leesvaardigheid onderaan (zie de PISA-scores). Volgens mij heeft dat hiermee te maken: dat literatuur zodra het te “moeilijk” wordt – zodra er iets gedaan is met vormkracht en verwondering – elitair wordt gevonden en daarmee onzichtbaar wordt gemaakt. Maargoed, dat is mijn eigen invulling. Het laat wel zien hoe actueel zo’n gedicht van Wolff kan zijn, hoe veelbetekenend.

2. De braave sleepersknegt (1781)
Het is verleidelijk om dit gedicht van Aagje Deken en Betje Wolff weg te zetten als een braaf moreel versje, waarin de dichters zeggen: wees vooral aardig voor dieren. Dat is ook lang zo gedaan. Maar dat doet het geen recht. Dit gedicht is namelijk heel ongemakkelijk: de morele maatstaf verschuift van mens naar dier. En dat heeft nogal wat consequenties.
De hoofdpersoon – de slepersknecht – is geen held, maar een ‘randfiguur’, iemand voor wie Deken & Wolff speciaal hun Economische liedjes schreven (waaruit dit gedicht komt). Ze hadden de uitgave van dit liedjesboek zelf verzonnen, omdat er brood op de plank moest komen. Hun idee was dat juist deze groep mensen nog niet voorzien was van liedjes die ze tijdens het werk konden zingen. De bundel was daarom bedoeld voor lager opgeleiden.
Het moet voor hen een hart onder de riem geweest zijn. Want juist de slepersknecht formuleert een ethiek die de samenleving met zijn hoge heren niet waarmaakt: zijn moraal is volmaakter dan die van de bezitter van geld en macht. Zijn argument is eenvoudig: een paard voelt pijn, dus moet je het niet slaan. Sterker: dat is onchristelijk. Daarmee ondergraaft hij een hiërarchie die in de achttiende eeuw als vanzelfsprekend gold: mens boven dier, meester boven lastdier. De slepersknecht vereenzelvigt zich zelfs met het dier: bles is net als ik. Hij is zijn gelijke.
Benali geeft het ongemak nog een extra zetje. Hij verschuift de vraag van Wat is goed? naar Waarom voelen we zo weinig? De omgang met dieren wordt zo een lakmoesproef voor empathisch vermogen. Iets wat we bijvoorbeeld terugzien bij een hedendaags filosoof als Martha Nussbaum, die rechtvaardigheid afmeet aan hoe we omgaan met kwetsbare, afhankelijke wezens. Niet omdat dieren zieliger zijn, maar omdat ze niets terug kunnen eisen. Wie daar geen grens trekt, trekt die nergens, suggereert Benali.
De slepersknecht wist het al: wreedheid begint niet bij grote daden, maar bij wat je normaal gaat vinden. Oef! Dat is opeens herkenbaar. Hoezo een eenvoudig, moralistisch versje? 😉

3. De onverwagte ontmoeting (1781)
Dit lied van Aagje Deken en Betje Wolff is daarentegen wél opvallend ongecompliceerd. Onverwacht ontmoeten twee vriendinnen elkaar en zijn oprecht blij. Het is een vrolijk liedje op een amoureuze wijs (“Azor! Azor!”). De herhalingen, de uitroepen, het bijna stamelende “ik weet nauwelijks wat ik zeg” horen bij dat genre en ook bij de tijd, waarin vrouwenvriendschappen hoogtij vieren. Zeker bij Wolff, die wegliep met vriendinnen. Het was indertijd ook helemaal niet ongewoon om te beweren dat een vrouwenvriendschap waardevoller was dan de huwelijkse vriendschap met een man.
Interessant aan dit liedje is daarom ook hoe weinig afstand er zit tussen gevoel en uiting. In latere literatuur wordt emotie vaak gefilterd door ironie, psychologische uitleg of het uitbenen van de stijl. Hier niet. De verwarring (“hoe zijn mij mijn gedachten […] in de weg”) wordt niet weggepoetst. Dat geeft het gedicht iets fraai ongepolijsts en directs.

4. De leeuw en de rat (1784)
De leeuw en de rat is een klassieke fabel die teruggaat op Aesop en beroemd werd door de bewerking van De la Fontaine in de zeventiende eeuw: zelfs een klein dier kan een groot dier helpen. Of zoals hij zegt:
Tijd en geduld zijn van meer kracht,
Dan woede en onbesuisde macht.
Fabels – korte, moraliserende verhalen – waren bedoeld om morele lessen toegankelijk en memorabel over te brengen, vaak via dieren die menselijk gedrag verbeelden. In een samenleving waarin niet iedereen toegang had tot uitgebreid onderwijs, waren fabels een eenvoudige manier om morele inzichten te verspreiden.
Deken en Wolff haken in op die traditie. In een sterk hiërarchische wereld (gebaseerd op stand, rijkdom en geslacht) reikt deze fabel voorzichtig een egalitair idee aan: waarde zit niet alleen aan de top, bij de groten der aarde, maar ook bij de kleinen, die onderaan de maatschappelijke ladder. Dat past perfect bij de Verlichtingsideeën. De leeuw (macht, status) redt het uiteindelijk niet zonder hulp van de rat (klein, verwaarloosbaar), die het net doorknaagt dat de leeuw gevangen houdt. Kracht alleen blijkt onvoldoende; geduld en samenwerking zijn effectiever, dus laten we het samen doen.
Goh, dat soort ideeën kunnen we nu ook wel gebruiken 😉
5. Aan mijnen geest (1774)
Met de titel van dit gedicht knipoogt Betje Wolff naar de feministe Juliana Cornelia de Lannoy uit de vorige aflevering, die eenzelfde gedicht had geschreven (“Aan myn geest”). Wolff doet alleen iets heel anders. Waar De Lannoy de spanning tussen schrijvende vrouw en maatschappij in een gesprek thematiseert en haar ‘“ik” de maatschappelijke moraal verdedigt, voert Wolff een gesprek met haar jongere zelf: waar sta ik nu, na al die jaren dichten? Ben ik ontspoord geraakt door mijn drift te willen lezen en schrijven te volgen?
Wat heeft haar geest haar aangedaan, die geest die haar zei te lezen, de oorzaak van al haar verdrietigheden? Haar jeugd aan diggelen door de slapeloze nachten, met gevaar voor haar gezondheid. Op haar tiende las ze al Lucretia Wilhelmina van Merken (aflevering 7)! Wolff hekelt zichzelf, maar ondergraaft die zelfkritiek meteen. Want wat blijkt? Zonder die rusteloze geest zou er geen schrijver zijn geweest, geen stem, geen denker. En dus ook dit gedicht niet. We moeten dit gedicht dus lezen als ironie (net als bij De Lannoy).
Niet dat ze niet ook de maatschappelijke moraal aansnijdt, hoe kan het ook anders als het over dichtende vrouwen gaat in deze tijd? Vrouwen mogen behagen (l’art de plaire: de kunst om harten te strelen), ze horen ten dienste te staan aan hun man, maar mogen niet zelfstandig denken of van die gedachten getuigen. Dat betekent in de praktijk zelfcensuur, sociale straf, en het verlangen om “normaal” te zijn. Maar ze weigert dat verlangen serieus in te lossen.
Denkende vrouwen worden niet bewonderd, maar gemeden:
Dan schuwt, dan vliedt men ons…
Het “ons” dat Wolff hier gebruikt, wijst erop dat ze vindt dat álle vrouwen van haar tijd hieronder lijden. En zo breekt ze een lans voor hen allemaal, net als De Lannoy had gedaan.
De tekst blijft bewegen tussen ergernis en gehechtheid: die geest is lastig, maar ook onmisbaar, dus wat te doen? Dat dubbele is natuurlijk geen zwakte, maar precies de pointe. En daardoor een vorm van verzet tegen de moraal van haar tijd. Geestig én slim.
Hier vindt u de hertalingen en bewerkingen van Aagje Deken en Betje Wolff door Abdelkader Benali.
Volgende week vrijdag, 10 april, vindt u de podcast over Aagje Deken en Betje Wolff, met hertaler Abdelkader Benali en literatuurwetenschapper én biograaf van Betje Wolff, Marita Mathijsen (Een vrije geest. Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff), in uw favoriete podcast-app.
Met dank aan het Betje Wolff Museum in de Middenbeemster, waar we op de zolder van Betje Wolff mochten opnemen.

Laat een reactie achter