
Dichters hebben het makkelijker dan romanciers. Wanneer ze schrijven over persoonlijke en ingewikkelde dingen in de familie dan. Esther Naomi Perquin (Utrecht, 1980) heeft zelf ervaren dat gedichten hierover lang niet altijd gelezen, laat staan begrepen worden. “Niemand die daar last van heeft.”* Een roman is een ander verhaal, zo toont ze in haar debuutroman Tot alles in beweging komt. In een fictieve zoektocht naar persoonlijk verhaal stuit ze steeds weer op grenzen, vooral die van hoe en wat ze wel of niet kan vertellen: “Niet alles is van jou.”
Ela, de verteller van Tot alles in beweging komt, tast de grenzen af van wie zeggenschap heeft over die ‘persoonlijke en ingewikkelde dingen’. Als auteur schrijft en vertelt ze al jaren over misdadigers, hun gruwelijke daden, gedrag en achtergronden. Maar dat voelt steeds meer als ‘een vorm van valsheid in geschrifte’. Zelf heeft ze immers ook een verhaal: als dochter van een vroeg overleden vader, als zus, als geliefde, als voormalig detentie-medewerker, als moeder, als vrouw. Haar zwangerschap, van een dochter dit keer, brengt haar gedachten hierover op gang. Erover praten wordt haar niet altijd in dank afgenomen. Al blijkt juist dat wat niet besproken is en uitgesproken wordt, eigenlijk interessanter.
“Zou het nu dan niet moeten gaan over het verschil tussen liegen en zwijgen (…)? Ik weet achteraf altijd wat ik had moeten zeggen (…) Achteraf weet ik dat we het over de stilte hadden moeten hebben (…) Nooit hebben we het gehad over de macht van de zwijger.” (100)
Perquin gebruikt in haar verhaal over Ela zelf de kracht van die stilte, van wat niet altijd expliciet gezegd wordt. De vele witregels in de roman geven niet alleen een fijn ritme aan het vertelde maar illustreren ook de ruimte voor eigen gedachte. Voor het kijken, speuren en voelen tussen de regels.
Ze laat zien dat opsluiting in een cel niet de enige manier is om gevangen te zitten. Ook een toxische relatie, lichaam of psychische stoornis kan begrenzen en beknotten. Iets zijn om aan te ontsnappen, uit te breken. Niet voor niets schrijft Ela aanvankelijk aan het ‘ontsnappingsboek’ over ‘mensen die ergens aan ontsnapt zijn’.
Met deze gedachte lijkt Perquin terug te keren bij haar met de VSB Poëzieprijs bekroonde bundel ‘Celinspecties’ (2012) over de beslotenheid van systemen. Zelf werkte ze jarenlang als gevangenbewaarder en kent deze afgezonderde wereld van binnenuit. In die bundel schetst zij in dichtvorm een beeld vol verrassende perspectieven op het leven van een crimineel achter de tralies. De manier waarop zij nu woorden geeft aan de persoonlijke en lichamelijke afbakening roept herinnering en sprankjes herkenning op aan die poëzie. Subtiel lijken bundel en roman elkaar soms kort aan te raken:
“Ze lachte heel even en daarna
viel ze neer alsof ze een jas was geweest
die ineens van haar hangertje gleed.” (‘Celinspecties’)
“(…) soms kreeg ik het gevoel dat hij daadwerkelijk was overgenomen, dat iemand hem had aangetrokken, als een verkleedpak.” (‘Tot alles in beweging komt’)
‘Tot alles in beweging komt’ is in dat opzicht écht een roman van een dichter. De voormalig Dichter des Vaderlands (2017-2018) Perquin formuleert beeldend, associatief, verrassend. Dat begint al bij de openingszin: “De eerste keer dat mijn vader stierf, deed hij dat alleen voor mij.” Met sprongen in de tijd laveert ze heen en weer tussen kindertijd, zwangerschap van het heden en bajesbaan tijdens haar coming-of-age. Moeiteloos verweeft zij het verblijf van haar broer David in een psychiatrische kliniek met haar toetreding tot het gevangeniswezen. Poëtisch proza vol eigenzinnige perspectieven kenmerkt zich door speelse bewoordingen als ‘bambistisch rondkijken’, ‘probeerblij’ en ‘slikuit met viezeltjes’.
In dit woordenspel klinkt de humor en de lichtheid van de roman, die er ondanks de zware thematiek wel degelijk inzit. Zeker de moeder van Ela staat hiervoor garant. Zij beschouwt zichzelf door de vroege dood van haar man plots gegijzeld in een onvoorziene moederrol, vindt in de literatuur haar ontsnapping en geeft vanaf de zijlijn met kwieke denkbeelden en onderkoelde humor verfrissend lucht aan het verhaal.
“In een werkelijk beschaafd land zouden ze er alles aan doen om te zorgen dat iedereen ongestoord kan zitten lezen.”
Die opgetekende humor is het charmante wapen van de verteller Ela, wie hiermee de ouderlijke verwaarlozing van en gebrek aan contact met haar moeder in een verteerbare vorm giet. Het is haar verhaal. Al botst dat soms met dat van haar oudere broer Micha, die een andere kijk heeft op hun ‘gedeelde verleden’ en niet wil dat zijn zus de zeggenschap daarover neemt: het is zijn verleden en niet het hare.
Door het verhaal van Ela af te wisselen met korte getuigenissen over misdaden, het strafrecht en slachtofferschap illustreert Perquin dat de dominante verteller macht heeft over een gedeeld verleden. Elke dader heeft een slachtoffer, maar wie de zeggenschap neemt over het verhaal bepaalt het narratief. In ‘De stupide opvattingen van anderen’ laat zij voelen hoe intimiderend en fnuikend het is wanneer iemand zich jouw verhaal toe-eigent en vertelt. Of beter gezegd: omvormt. Het abrupte je-perspectief in dit hoofdstuk maakt de woorden offensief, bedreigend: een lawine vol verwijt, van toxische liefde, een nieuwe ‘valsheid in geschrifte’.
“Natuurlijk ben je soms véél. Hij moet onophoudelijk aanstaan en opletten. Je behoeden. Je tegen jezelf in bescherming nemen.”
“Niets alles is van jou.” Het loopt als een rode draad door de roman. En fungeert voor Ela als grenspost én als schild. Perquin vertelt een rijk en vol verhaal over persoonlijke, ingesloten stilte en het doorbreken ervan, dichtbij zichzelf en voor het eerst in een roman. Zeker wat concreter dan haar gedichten laat haar debuut zich door die rijkheid en reikwijdte toch niet makkelijk en eenduidig vangen. De poëzie is in haar proza nergens ver weg. Juist die fusion geeft ruimte en laat deze roman sprankelen. Note: * Ester Naomi Perquin tijdens ‘Tussen longlist en shortlist’ (Libris Literatuur Prijs, Zwolle 12/2/2026): “Ik heb me niet eerder gerealiseerd dat dichters het makkelijker hebben dan romanciers omdat wanneer ze schrijven over iets wat heel persoonlijk en ongemakkelijk, dan wel ingewikkeld in de familie is, dat niemand daar dan last van heeft. Of ze lezen de gedichten niet, en als ze het lezen begrijpen ze het niet.”
Laat een reactie achter