• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Zorggesprekken

8 april 2015 door Redactie Neder-L Reageer

Door Leonie Cornips
Een student in deze tijd heeft een bijbaan nodig, want van een beurs alleen is nauwelijks meer te leven. Wanneer studenten bij mij op het Meertens Instituut als stagiaire een onderzoek willen uitvoeren, probeer ik zo goed mogelijk een onderwerp te verzinnen waar die bijbaan van pas komt. Bij de master-student Marijke aan de Vrije Universiteit was dat onderwerp snel gevonden. Marijke heeft een bijbaan in de thuiszorg en komt makkelijk in contact met zorgverleners en zorgvragers. Zij kan antwoorden geven op de vraag hoe zorgverlener en zorgvrager ‘taal’ inzetten in dagelijkse zorgpraktijken. 

De literatuur beschrijft een gesprek tussen een zorgverlener (arts, (wijk)verpleegkundige, zorgverlener van thuiszorg) en zorgvrager als een soort opvolging van verschillende stadia dat overigens behoorlijk varieert. Eerst start de interactie met een opening (hoe is het met u?), daarna het bespreken van de klacht, vragen voor onderzoek, het stellen van een diagnose, informatie over de behandeling en afsluiting. In een dergelijke interactie stelt de zorgverlener vragen en de zorgvrager geeft antwoorden. Door de vraag-antwoord-opeenvolging zijn de gesprekspartners ongelijk aan elkaar. Degene die de vragen stelt, bepaalt wanneer de ander ‘moet’ spreken en tevens de inhoud van het gesprek. Die ongelijkheid ervaren ouderen ook omdat zij rapporteren dat zij in gesprek met een zorgverlener zich vaak een patiënt en kwetsbaar individu voelen. 

Marijke heeft zo’n twee maanden lang de interactie tussen een mevrouw en diverse zorgverleners van de thuiszorg geobserveerd bij de ochtend- en avondzorg. Die gesprekken nam zij op; het opnameapparaatje lag onopvallend op tafel maar dichtbij genoeg om een duidelijke opname te kunnen maken. Hoe functioneert het dialect in deze gesprekken?


De zorgverlener die op een ochtend van de observatie aanwezig is, komt vaak bij mevrouw. Ze kennen elkaar goed en deze zorgverlener spreekt dialect uit een naburig dorp. Het gesprek verloopt luchtig en ze bespreken meerdere onderwerpen die niet aan de zorg gerelateerd zijn. Beiden spreken Nederlands maar soms is het (Veluws) dialect te horen. Voor Marijke valt er geen scherpe grens tussen ‘dialect’ en ‘Nederlands’ te trekken, want beide lopen vloeiend in elkaar over. Het gesprek begint met een gebeurtenis van een paar dagen terug. Mevrouw vertelt over steunkousen die zij aanhad maar niet goed zaten. De zorgverlener weet hiervan. Het is duidelijk dat mevrouw dialectischer spreekt als zij vertelt hoe de zorgverlener haar de verkeerde kousen aantrok. Ze zegt: ‘Ik schôôf himmal mit ə stoel daa nətoe’ (ik schoof helemaal met een stoel daar naartoe). Wat er gebeurde, was dat zij tijdens die handeling helemaal met haar stoel naar de vensterbank schoof. Blijkbaar zet mevrouw het dialect in om een vertrouwensband tussen de zorgvrager en zorgverlener te creëren. Daardoor geeft zij zich de mogelijkheid om over een gebeurtenis te (kunnen) vertellen waarin zij zich afhankelijk en kwetsbaar voelde. 

Later in het gesprek vertelt mevrouw dat zij zelf haar medicijnen bij de apotheek haalt en de zorgverlener antwoordt in die context ‘heb je wat te doen he’. Mevrouw zegt dan in dialect ‘nou, wat, ik het altôô(s) wə wat t doen’ (ik heb altijd wel wat te doen). Nu gebruikt ze het dialect juist om de gedachte van de zorgverlener dat zij vanwege haar leeftijd en gebreken nog maar weinig omhanden heeft, te weerspreken. Zij zet het dialect dus als verdediging in. 

Marijke signaleert dat mevrouw bij een zorgverlener, die ze niet zo goed kent omdat zij slechts sporadisch zorg verleent, in een overwegend Nederlandse conversatie vaak ‘o,‘k wêêt heul nie wat is’ (ik weet het niet) in het dialect zegt. Bij deze zorgverlener klinkt ‘ik weet niet’ als een soort verzet tegen de ongelijke relatie van vraag-antwoord-opeenvolging. Het is een teken dat zij niet door wil met het onderwerp dat deze zorgverlener aansnijdt maar dat ‘verzet’ door het gebruik van dialect wil verzachten. 

Een dergelijke stage-onderzoek, hoe klein ook, laat zien dat het gebruik van dialect niet zomaar vanzelfsprekend is. Het vervult meerdere functies die meerdere interpretaties oproepen. Maar dialect lijkt vooral aan bod te komen daar waar de zorgvrager in het gesprek met de zorgverlener ongelijkheid en kwetsbaarheid ervaart.

Delen:

  • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Klik om te delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Klik om te delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: columns Leonie Cornips, conversatieanalyse, taalkunde

Lees Interacties

Laat een reactie achterReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Johannes Antonides van der Goes • Aan juffrouw Suzanna Bormans, ziek zijnde

Waar is dat blozend rood geweken,
Dat aangename rozebloed,
’t Geen eedle zielen kon ontsteken,
Om uwe waarde, in minnegloed?

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Chris van Geel

Mijn landgoed is niet groter dan
mijn eigen huid, de omvang van
mijn schoen, de omvang van mijn vuist,
ik gaf het namen in de kleur van regen,
ik keek er dwars doorheen, vluchtige stof
en zag de horizon, de lengte van
mijn armen, van mijn benen.

Bron: Het Zinrijk, 1971

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

25 januari 2026: Wel verdiend, niet ontvangen

8 januari 2026

➔ Lees meer
17 januari 2026: Grondvergadering Jacob Campo Weyerman

17 januari 2026: Grondvergadering Jacob Campo Weyerman

7 januari 2026

➔ Lees meer
16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

16 januari 2026: Tweede studiemiddag Forensische taalkunde

4 januari 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

sterfdag
1992 Theo Weevers
➔ Neerlandicikalender

Media

Ik zie op tegen interviews…

Ik zie op tegen interviews…

11 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Johanna Coomans, Margaretha van Godewyck en Gesina Brit

Johanna Coomans, Margaretha van Godewyck en Gesina Brit

10 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Buitenleven van Willem Sluiter

Buitenleven van Willem Sluiter

10 januari 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
%d