Woordgeslacht bij Multatuli

Gezegend de cultuur met een canon, met boeken waarover eeuwenlang uitentreuren gesproken wordt. Het Nederlands heeft niet veel van zulke boeken, maar wel een paar: ook in dit opzicht zijn we een beetje gezegend. Want we hebben de Reynaert en de Max Havelaar. Over dat laatste staat in het laatste nummer van Internationale Neerlandistiek een nummer om van te smullen: ‘Meertaligheid in Max Havelaar‘, een voorbeeld van hoe je taal- en letterkunde kunt gebruiken.
In Max Havelaar worden allerlei talen gebruikt: Grieks, Latijn, Duits, Frans, Italiaans, Engels en vooral een heleboel Indonesisch. De schrijvers van het artikel hebben het precies in kaart gebracht (465 keer wordt in het boek een andere taal dan het Nederlands gebruikt), en concentreren zich daarbij op de zelfstandig naamwoorden, want van de keren dat Multatuli schakelt, betekent het 419 keer dat hij een enkel zelfstandig naamwoord gebruikt in een andere taal. (Van het feit dat mensen in deze wereld dat geteld hebben word ik gelukkig. Lang leve Lesa Chaika en Ivo Boers.)
Baadje
Het probleem met zelfstandig naamwoorden uit een vreemde taal is dat je ze woordgeslacht moet toekennen. In het moderne Nederlands is dat vooral een keuze tussen de of het, maar in de negentiende eeuw was er, in ieder geval als het ging om lijdend voorwerpen, nog sprake van den inktkoker (mannelijk), de deur (vrouwelijk) en het boek (onzijdig). Ook bij onbepaalde lidwoorden drukte je het verschil uit: een(en) inktkoker, eene deur, een boek.
Dus moet je bij ieder zelfstandig naamwoord dat je leent, kiezen welk woordgeslacht je aan dat woord toekent. In het geval van het Frans of Duits, kun je je dan baseren op het geslacht in de oorspronkelijke taal. Maar de meeste leenwoorden in Max Havelaar komen uit het Indonesisch (356 in getal!) en dan moet je een andere strategie kiezen.
Onzijdig (het) kiezen we nu zelden voor leenwoorden – de computer, de covid, de skud –en dat deed Multatuli ook alleen voor het woord baadjoe ‘kledingstuk’, misschien omdat het door de Nederlanders in Nederlands Indië geïnterpreteerd werd als een verkleinwoord (baadje), en die zijn in het Nederlands altijd onzijdig.
Regelmaat
Multatuli gebruikte meestal bijzondere criteria om dan wél het geslacht te bepalen. Zo speelt volgens Chaika en Boers betekenis soms een rol:
Vruchten, planten of delen van planten zijn volgens Brill (1849, p. 152) in de regel vrouwelijk [in het negentiende eeuwse Nederlands], en zo deelt Multatuli de woorden melati ‘jasmijn’, pukul ampat ‘vieruurbloem, Mirabilis jalapa’, pisang ‘banaan’, pinang ‘betelnoot’, sirie ‘betelblad’, en gambier ‘plant, Uncaria gambir, plantenextract’ ook in (n = 6).
Ook de vorm van een woord kon je gebruiken om het woordgeslacht te bepalen:
Zo vermeldt Brill (1849, pp. 164, 169) dat vreemde woorden die op –ie eindigen gewoonlijk bij het vrouwelijk worden ingedeeld, wat de geslachtstoewijzing van kenari zou kunnen verklaren, en ook het bij het vrouwelijk ingedeelde padie ‘rijst’, naast de reeds genoemde melati en sirie. Woorden op –er zijn gewoonlijk mannelijk (Brill, 1849, p. 160), wat ook geldt voor het Indonesische pagger ‘heg, heining, wand, schutting’.
Bedacht de schrijver dit nu allemaal zelf? Dat is onwaarschijnlijk. Eerder zal in de Indische samenleving waar hij lang had verkeerd en waarover hij schreef het heel gebruikelijk zijn geweest om allerlei woorden uit de lokale talen te nemen, bijvoorbeeld voor planten en bloemen die je in Nederland helemaal niet hebt. En daarbij zal men langzaam, en vermoedelijk zonder er lang op te studeren, op bepaalde regelmaat zijn uitgekomen – Multatuli schreef zoals veel mensen spraken.
Maar dat maakt die regelmaat niet minder interessant. We betrappen hier het taalgevoel van negentiende-eeuwse kolonialen op hun staart. Dankzij Max Havelaar. Wat een boek.
Laat een reactie achter