Dius is de negende roman van Stefan Hertmans. Anders dan symfonieën worden romans doorgaans niet genummerd, tenzij ze deel uitmaken van een reeks (De tandeloze tijd), of omwille van hun omvang in delen verschijnen (Het bureau). Schrijvers zullen dan ook minder geplaagd worden door het complex van “de negende” dan toondichters.
Wie na Beethoven – componist van “de” negende bij uitstek – dat omineuze getal nadert, ziet zich geconfronteerd met de noodlotsgedachte dat het nieuwe werk weleens het laatste zou kunnen zijn. Franz Schubert was zich vermoedelijk niet zo bewust van zijn negende en laatste. Geen van zijn symfonieën werd bij leven uitgevoerd en aan nummering deed hij niet. Maar de slagschaduw van Beethovens symfonische zwanenzang hing zwaar over Anton Bruckner en Gustav Mahler. Niet alleen symboliseert de negende een ultieme grens, ook had Beethovens opus 125, met zijn ongekend lange speelduur en grootse koorfinale, de grenzen van het symfonische genre drastisch verlegd.
Naar verluidt werd Mahler zelfs zo achtervolgd door het spook van de negende, dat hij na zijn achtste symfonie geen negende schreef, maar “Das Lied von der Erde”, waarop dan toch nog een negende volgde, waarna de componist vlug aan een tiende begon, die hij niet meer kon voltooien. Over die onvoltooide schreef Hertmans in een boeiend essay uit 2011: “Hier klinkt voor het laatst, en met een hernieuwde intensiteit, de nietzscheaanse cultuurprofeet uit de Noodlotssymfonie – de man die dit pact met de dood moest sluiten om zijn eigen levenslot in klanken te kunnen omzetten.”
Basso continuo
Het valt te hopen dat Stefan Hertmans het niet bij zijn negende zal laten en dat hij beschikt over de vitaliteit van Joseph Haydn (104 symfonieën). Maar dat “Dius” – waarin muziek een belangrijke rol speelt – wordt beheerst door wat Edward Said in zijn studie over late stijl “a sense of lateness” noemt, is onmiskenbaar. De twee hoofdpersonen delen het gevoel verdwaald te zijn geraakt in het heden. In de roman ligt dat heden in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw, die voor de verteller Anton voortduren tot het moment waarop hij, ongeveer in ons heden, zijn herinneringen aan de vriendschap met Dius te boek stelt. Liever dan in hun eigen tijd vertoeven Dius en Anton – deze nietzschaanse cultuurprofeten, de maker en de duider – in de wereld van de renaissance en de polyfonie, van het sublieme en het demonische.
Die laatste twee ervaringen worden opgewekt door het aanschouwen van een replica van het marmeren beeld van de gestorven Cecilia door Stefano Maderno, evengoed als in de ervaring van het CoBrA-schilderij “Verlust der Mitte” van Asger Jorn. Wat de vele kunstwerken in “Dius” met elkaar gemeen hebben is dat zij zonder uitzondering een appèl doen op de toeschouwer. Die weet zich door het kunstwerk gezien, waarna hij beseft dat hij zijn leven een nieuwe wending moet geven. De archaïsche torso van Apollo, in taal vereeuwigd door Rainer Maria Rilke, klinkt, ofschoon ongenoemd, als een basso continuo doorheen de roman: je moet je leven veranderen.
Subliem
En zo kijkt de negende van Hertmans mij aan en laat ze me in verwarring achter. Ik las in “Dius” een litanie waarin het verleden wordt aangeroepen en die tegelijkertijd het sublieme van de altijd actuele ervaring van kunst uit welke tijd dan ook oproept. Een Faustiaanse roman die een ode aan de vriendschap zingt én virtuoos het motief van de Feindlichen Brüder bespeelt. Een essay-roman over vernietiging en scheppingsdrift. Van een eenduidige strekking is in deze roman geen sprake, maar als er een teneur in kan worden aangetroffen dan is het een kritiek op het koele rationalisme en het eenduidige vooruitgangsdenken die ten grondslag liggen aan de moderniteit, al is ook die kritiek betrekkelijk.
Eerder dan een roman die – in de woorden van recensent Cyrille Offermans (in De Lage Landen) – aansluit “bij de kleine maar verontrustende golf van neokatholicisme” in de Vlaamse letteren, zie ik in “Dius” een sublieme manifestatie van “late style”, niet in de vorm van een harmonische verzoening, maar als een onopgelost conflict dat uitzicht biedt op een oeuvre dat nog geschreven moet worden.
Op naar de tiende!
Laat een reactie achter