In onze vaakst gebruikte woorden!
Het Nederlands heeft naamvallen. En dan heb ik het niet over versteende formuleringen als de vrouw des huizes of te allen tijde.
Nee – het Nederlands heeft echte, werkende naamvallen. Stel je maar eens voor dat jij, de lezer, mij, Aron, tegenkomt op, bijvoorbeeld, Utrecht Centraal. (Bij uitstek een plek om mensen tegen te komen.)
Ik zie jou.
Jij ziet mij.
Afhankelijk van de syntactische functie verandert ik in mij. Onderwerp is ik, lijdend voorwerp is mij. Terwijl het in beide zinnen toch echt om één en dezelfde persoon (Aron) gaat.
Hetzelfde geldt voor jou. Als onderwerp ben je jij, als lijdend voorwerp jou. Neemt u mij niet kwalijk – voor dit voorbeeld moest ik wel tutoyeren. Mijn punt is: er is hier sprake van een goed functionerend, springlevend naamvalsysteem.
Niet zo lang geleden kon elk zelfstandig naamwoord op deze manier van uiterlijk veranderen. Dat zie je terug in een versteende woordcombinatie als de hierboven genoemde vrouw des huizes. En in bijvoorbeeld een zustertaal als het Duits, of in verdere familie als het Latijn en Grieks.
Uiteindelijk is dit naamvalsysteem dan ook terug te voeren op het Proto-Indo-Europees (PIE), de gereconstrueerde moedertaal van al deze verschillende talen.

Dat dit systeem bij ons alleen in persoonlijk voornaamwoorden overleeft, is niet zo vreemd – dat zijn immers de meest fundamentele onderdelen van onze taal. De systematische afwisseling tussen ik en mij wordt door sprekers zó vaak ingezet dat-ie onmogelijk kan verdwijnen.
Dat geldt logischerwijs ook voor de andere Indo-Europese talen. In het Latijn heb je bijvoorbeeld ego en mē, in het Grieks ἐγώ (egō) en ἐμέ (eme). De Proto-Indo-Europese voorloper van al deze vormen reconstrueert men als *eǵ(-) en *me(-).
Opvallend is dat deze twee vormen ook in het Proto-Indo-Europees helemaal niet op elkaar lijken. Contrasteer dat met de verschillende naamvallen in het zelfstandig naamwoord *wlkʷ-os in het plaatje hierboven, waarin de stam altijd herkenbaar blijft.
De oorsprong van deze uiterlijke dissonantie tussen *eǵ(-) en *me(-) is in prehistorische nevelen gehuld, maar duidelijk is dat dit persoonlijk voornaamwoord zich onttrok aan de symmetrie van het Proto-Indo-Europees. Toen al een egoïstisch archaïsme.
Dit stuk verscheen eerder op Gevleugelde woorden
Laat een reactie achter