
Je kúnt de gedichten in Voer voor struikrovers van Els Moors ook één voor één lezen, maar dan mis je iets. Moors gebruikt over het algemeen vrij alledaagse woorden – hond, fluiten, man – woorden die iedereen af en toe gebruikt, en waarvan het dus op zich niet opmerkelijk is dat ze eens in een gedicht voorkomen. Maar als ze dan vervolgens in een bundel vaak voorkomen, valt dat op. De mens heeft volgens taalkundig onderzoek nu eenmaal een frequentiemetertje in zijn hoofd die voortdurend controleert hoevaak woorden (of klanken of constructies) nu eigenlijk voorkomen, en die begint dan bij de volgende hond of man even te piepen: hier is iets aan de hand.
Dat is een bijzondere manier om je dichtbundel te organiseren, niet door bijvoorbeeld alleen maar sonnetten op te nemen, of alleen maar gedichten over een gestorven ooievaar, maar onnadrukkelijk, door bepaalde woorden steeds weer op te nemen, zelfs zonder dat die woorden samen nu meteen een thema vormen: Voer voor struikrovers is maar ten dele een dichtbundel over de relatie van een vrouw met mannen, en zeker geen bundel over fluiten of honden, althans ik kan dat er niet in lezen. Omgekeerd is de dood wel een belangrijk thema zonder dat het woord nu overdreven veel voorkomt.
Moors schrijft met heel eenvoudige woorden over grote thema’s:
ik ken hem nog niet maar
ik verlang al wel naar de man
die bij het terugslaan van de tennisballen
rekening houdt met de grote onbekende
variabele die de wind isgewoon meefluiten zoals de vogels
die begrijpen ook niet dat hun gefluit
het hele bestaan in tweeën splijtfluiten niet fluiten
Een van de vragen die hier wordt aangeraakt is, een beetje plechtig gezegd, de vraag of de wereld binair is, of we ons ‘hele bestaan’ in tweeën kunnen splijten: A, niet-A, fluiten-niet fluiten, of dat we rekening moeten houden met variabelen zoals de wind die een hele schaal aan waarden kunnen innemen. Het is niet zo dat de wind waait of niet waait, maar dat hij bijvoorbeeld een klein beetje waait, of heel hard, of van alles en nog wat ertussen in.
Je krijgt de indruk dat de ik in dit gedicht tot nu toe mannen is tegengekomen die hier geen rekening mee hielden, maar gewoon die ballen mepten: keihard als er ‘wind’ was, zachtjes als er ‘geen wind’ was. Dat het tegelijkertijd kennelijk een man moet zijn, laat zien dat ook die ik het hele bestaan in tweeën splijt: naar een vrouw, of een nonbinaire persoon, wordt kennelijk niet verlangd.
Anders dan de vogels zijn wij mensen gedoemd een raster over de werkelijkheid te leggen. Het lukt simpelweg niet zonder dat begrijpen. Een spel als tennis is trouwens ook onmogelijk zonder dat begrip: je slaat de bal of je slaat hem ’terug’, maar als je hem in willekeurige richtingen begint te slaan, ben je niet meer aan het tennissen.
Els Moors. Voer voor struikrovers. De Arbeiderspers, 2025. Bestelinformatie bij de uitgever.
Laat een reactie achter