
In Het ultieme geheim van Dan Brown kwam ik de volgende zin tegen (op bladzijde 372 van de paperbackeditie, uit het Engels vertaald door Erica Feberwee en Yolande Ligterink):
- “Doelbewust bewoog hij zich […] naar de muur aan de westkant van de dodenakker, waar rabbijn Löw lag begraven.”
Dat vond ik een interessante constructie vanwege het werkwoordscluster lag begraven aan het einde.
Naamwoordelijk gezegde?
Deelwoorden zoals begraven zijn ambigu: ze kunnen bijvoeglijk naamwoord zijn of werkwoord. Als begraven een bijvoeglijk naamwoord zou zijn, zouden er voor lag twee opties bestaan: ofwel is begraven het naamwoordelijk deel van het gezegde en lag het koppelwerkwoord, of lag is het werkwoordelijk hoofdgezegde en begraven een bepaling van gesteldheid.
Die ontledingen worden echter door de woordvolgorde uitgesloten. Je kunt immers ook niet spreken van “*de muur waar rabbijn Löw lag dood”. Alleen de volgorde “… dood lag” is mogelijk, met het werkwoord achter het bijvoeglijk naamwoord.
Werkwoordelijk gezegde?
Dat zou betekenen dat begraven in de bovenstaande zin een werkwoord moet zijn. Het zou dan bijna niet anders kunnen of lag is een hulpwerkwoord. Omdat het onderwerp van de zin, rabbijn Löw, niet zelf de schep ter hand heeft genomen, maar de handeling van het begraven heeft ondergaan, moet lag een hulpwerkwoord van de lijdende vorm zijn. De ANS en Taalportaal noemen liggen niet als zo’n hulpwerkwoord, maar die zien natuurlijk ook weleens wat over het hoofd.
Die analyse heeft ook weer een probleem, want je verwacht dat je in zo’n lijdende vorm de handelende persoon in de vorm van een door-bepaling expliciet kunt maken. Je kunt immers ook zeggen: “de muur waar rabbijn Löw door z’n familie is begraven” of “… door z’n familie wordt begraven”. Maar “de muur waar rabbijn Löw door z’n familie ligt begraven” klinkt niet goed.
Bezigheidsconstructie
Nou is bekend dat werkwoorden van lichaamshouding, zoals liggen, in het Nederlands voorkomen in zogenaamde bezigheidsconstructies, bijvoorbeeld “ze zit te dommelen” (waarin zitten nog een duidelijke eigen betekenis heeft) en “hij zit te zeuren” (waarin de betekenis van zitten is weggesleten). Ze komen daar samen voor met een te-werkwoord en zweven wat rond de grens tussen hoofd- en hulpwerkwoord.
Het zou weleens zo kunnen zijn dat de zin in het boek van Dan Brown ook zo’n bezigheidsconstructie is. We zouden hem dan moeten lezen als “de muur waar rabbijn Löw ligt begraven (te wezen)”, dus met een verzwegen “te zijn”. Zo’n zin zou analoog zijn aan “de plaats waar ons konijn ligt dood te gaan”. Zowel het hulpwerkwoord liggen als de woordvolgorde zou daarmee verklaard zijn. De onmogelijkheid van een door-bepaling is ook verklaarbaar: we hebben hier immers niet te maken met een lijdende vorm, maar met een bijvoeglijknaamwoordconstructie.
Dan moeten we alleen de weglaatbaarheid van “te wezen” aannemelijk maken. Volgens mij kan dat. Naamwoordelijke gezegdes komen namelijk in wel meer constructies zonder koppelwerkwoord voor. In “Ze schijnt blij (te wezen)” en “Hij heet slim (te zijn)” kan het koppelwerkwoord heel goed achterwege blijven, en in “Blij (*zijnd) kwam ze trap af” en “Ik trof hem uitermate verheugd (*zijnd) bij de kachel aan” is het koppelwerkwoord zelfs onmogelijk.
Laat een reactie achter