Over mijn bezoek aan het RSP Poëziefestival
Ik voel me nogal rot de laatste tijd. De redenen zal ik jullie besparen. Wat helpt, zegt men, is dingen ondernemen: een wandeling maken, hardlopen, fietsen, naar de hoeren gaan. Men noemt dat wel een ‘verzetje’. Dat heet zo omdat je je gedachten verzet en heeft dus niets met politiek verzet te maken. Toch stond er zaterdag 17 januari een politiek getint verzetje op de planning. Samen met mijn co-host Kas Gubbels woonde ik – op uitnodiging van organisator Jules Maximus – het poëziefestival van de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) bij.

Het RSP Poëziefestival vond plaats in twee zalen van een pand aan de Lombokstraat in het gegentrificeerde Amsterdam-Oost, die voor de gelegenheid waren omgedoopt tot de ‘Herman Gorterzaal’ en de ‘Henriëtte Roland Holstzaal’. Het programma ving om half twee ’s middags aan in de Gorterzaal met een lezing door dr. Johan Sonnenschein, getiteld ‘De nederlaag & de revolutie’, over de poëzie en politiek van Herman Gorter. Voor ons audioverslag van deze lezing en andere programmaonderdelen verwijs ik jullie graag door naar podcastaflevering #22, die via alle gebruikelijke platformen te beluisteren is.
Misvatting
Terug naar mij en mijn gemoedstoestand. Ik moet zeggen dat mijn stemming halverwege de middag enigszins opklaarde. Het kantelpunt was, denk ik, de geschiedgetrouwe voordracht van het gedicht Karawane van dadaïst Hugo Ball. Het klankgedicht zelf is niet zo lang, maar het proces eromheen was dat wel. Jules Maximus had namelijk kosten noch moeite gespaard om het kostuum dat Ball in 1916 droeg na te maken. En toen hij zich – met wat hulp van het publiek – in het zevendelig pak had gehesen, las hij het gedicht met zoveel overtuiging voor dat de klanken haast betekenis kregen.

Daarna bezochten Kas en ik een panelgesprek, waarin Hannah van Binsbergen, Frank Keizer en Jules Maximus de vraag ‘Wat is socialistische poëzie?’ bespraken. Hoewel dit klinkt als het perfecte recept voor een nieuwe mentale inzinking – en het aanvankelijk ook zo voelde – wist een uitspraak van Van Binsbergen me toch te prikkelen. Ik weet niet meer precies wat de aanleiding was, maar op een gegeven moment stelde zij – ik parafraseer – dat emoties eigenlijk helemaal niet zo diep gaan als we onszelf wijsmaken. En dat de literatuur, die (vaak) draait om het oproepen, uitdrukken en verdiepen van emoties, bijdraagt aan die misvatting.
Knutselen
Nu ben ik niet per se geneigd om alles wat Hannah van Binsbergen verkondigt als zoete koek te slikken, maar hier dwong ze me toch tot zelfreflectie. Want hoe diep gaan die emoties van mij nou echt? Toegeven dat mijn stemming voor een belangrijk deel wordt bepaald door banale omstandigheden, zoals een deadline of het jaargetijde, valt me zwaar. Liever wentel ik me in mijn Weltschmerz en lees ik boeken of kijk ik films over mensen (lees: mannen) die onder het leven gebukt gaan.
Zo las ik twee weken geleden de roman Louteringen (1917) van J. van Oudshoorn. Het boek gaat over Eduard Verkoren, die, door een problematische jeugd en een gebrekkige seksuele voorlichting, opgroeit tot een eenzame, diep ongelukkige en, als gevolg van een geslachtsziekte, manklopende man. De week erop las ik in Dwaallicht1 van Pierre Drieu la Rochelle over een depressieve drugsverslaafde die zelfmoord pleegt door zichzelf in het hart te schieten. En tussen het schrijven van deze post door lees ik de autofictieve debuutroman van Levi Jacobs, Wie ik ben (2025), die – u raadt het al – over een depressieve jongeman gaat.
Nu vraag ik me af: in hoeverre wordt mijn denken en spreken over mijn gemoed bepaald door de boeken die ik lees? Om daar een antwoord op te geven, is een grondiger zelfonderzoek nodig dan ik me op dit moment kan veroorloven. Mijn gezond verstand draagt me hoe dan ook op de roman met de zwaarmoedige hoofdpersoon een week of twee in de boekenkast te laten staan. In de tussentijd zal ik me, in navolging van Hugo en Jules, naar de dichtstbijzijnde hobbywinkel begeven om een paar stevige vellen gekleurd papier te kopen. Daarna zal ik aan de keukentafel mijn eigen versie van het Karawane-kostuum in elkaar knutselen en als dat af is, reciteer ik: ‘jolifanto bambla o falli bambla / großiga m’pfa habla horem …’
Dit stuk verscheen eerder op de substack van De Twintigers.
1 Door Kas, Thijs en mij besproken in aflevering #5 van podcast De Twintigers
Laat een reactie achter