Juryrapport Karel van de Woestijneprijs 2025

Op zondag 7 december werd in Sint-Martens-Latem de Karel van de Woestijneprijs voor poëzie uitgereikt. Het is een prijs met een aanzienlijke geschiedenis en een keur aan laureaten. Van Gerrit Kouwenaar en Leonard Nolens over Charles Ducal en Hans Tentije tot Liesbeth Lagemaat en Anneke Brassinga. Het zijn stuk voor stuk belangrijke oeuvre-auteurs die ook na jaren overeind blijven als boegbeelden van de poëzie. In hun volharding en hun veelzijdigheid zijn ze authentieke erfgenamen van de dichter die zijn naam aan deze onderscheiding heeft gegeven. Ook voor Karel van de Woestijne geldt dat hij belangrijk was door de bijzonder hoge kwaliteit van zijn werk, maar ook door de manier waarop hij nieuwe, eeuwige én eigentijdse thema’s op een originele manier wist vorm te geven. Van de Woestijnes visie op de mens als een koppig wezen dat geprangd zit tussen het aardse (het stoffelijke) en het geestelijke (het eeuwige) blijft onverminderd actueel, ook al worden die thema’s vandaag anders ingevuld.
De jury stond voor een moeilijke maar inspirerende opdracht. Ze had bovendien heel wat extra werk want door de covid-perikelen moest zij de oogst van een extra jaar lezen en beoordelen. Dat alles was goed voor ruim 220 inzendingen. De jury was onder de indruk van de rijke oogst aan inzendingen. De vele bundels van hoog niveau demonstreren dat poëzie leeft en bloeit, al blijft ze commercieel en institutioneel een zorgenkind. Tal van dichters hebben nood aan het schrijven van korte, indringende teksten met een literaire meerwaarde. Vaak sluiten die nauw aan bij de vragen van het leven en de eigen tijd, en in die zoektocht is ook de vraag naar de meest geschikte vorm en zegging een belangrijke factor. De tijd van radicale experimenten lijkt wat achter de rug, maar her en der gaan dichters onverminderd op zoek naar nieuwe uitdrukkingsvormen, vaak met verwijzing naar de communicatie op sociale media. Omgekeerd kiezen meer traditioneel ingestelde dichters voor vernieuwende beelden, een fragmentering van de zegging, een zoektocht naar de juiste toon en het precieze register: hun gangbare taal wordt daartoe verbreed en geïnjecteerd met andere taalregisters en andere talen. De poëzie is vandaag misschien zelfs meerstemmiger dan ooit.
Aan het eind van de vergadering was de jury het erover eens dat onze lijst met nominaties een uitmuntend beeld biedt van wat dichters tegenwoordig aanbelangt. De vijf nominaties (wij hadden er liever meer gehad, maar het reglement is wet) laten een bloeiende poëziepraktijk zien, met markante persoonlijkheden met een geheel eigen stijl. In die zin is deze lijst voor ons minstens even belangrijk als de uiteindelijke winnaar. Het zijn vijf visitekaartjes die vragen om een nadere kennismaking, die lezers hopen te boeien en uit te dagen.
- Maria Barnas, Diamant zonder r (Van Oorschot 2022)
- Tsead Bruinja, Wat deed ik daar (Querido 2024)
- Saskia de Jong, Het jaagpad op en af (De Harmonie 2020)
- Charlotte Van den Broeck, Aarduitwrijvingen (Arbeiderspers 2021)
- Peter Holvoet-Hanssen, Goleman (Pelckmans 2024)
Voor de publieksprijs kozen de genomineerde dichters zelf een gedicht uit. Aan de hand daarvan werden de dichtbundels kort gekenschetst.
Typisch
Maria Barnas gaat op zoek naar haar voorouders en neemt Pools op in haar bundel Diamant zonder r. De diamant is een gemakkelijk herkenbaar symbool voor een geliefde; de diamant zonder /r/ is tot vér in het verhaal van de bundel raadselachtig. Hij staat voor een geliefde die geen Engels kende en darling uitsprak zonder /r/. Het verhaal van de zoektocht naar de eigen identiteit is bij vlagen een nachtmerrie. Het uitgekozen, korte gedicht ‘Een lied over een veld’ maakt daarvan iets voelbaar.
In de bundel van Tsead Bruinja staan gedichten in het Fries naast gedichten in het Nederlands. De bundel heeft een titel plus ondertitel die duidt op het documentaire karakter van veel van de poëzie van de afgelopen vijf jaar, ook van die op onze shortlist. Tsead Bruinja, Wat deed ik daar. Een voluptueus visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht. Het door hem uitgekozen gedicht ‘hoeft een naam iets?’ laat zich lezen als poëtische verwoording van de universele verklaring van de rechten van de mens. Het is geschreven voor het lezen van de 102.000 namen in Kamp Westerbork, initiatief van het Herinneringscentrum van het doorgangskamp Westerbork in Drenthe sinds 2005.
De bundel Het jaagpad op en af van Saskia de Jong is zowel van binnen als van buiten een kunstwerk: de bundel, in 2021 bekroond met de Roland Holst-prijs, is prachtig vormgegeven. Zij laat zich inspireren door de klassieke mythologie en gepolijste voorbeelden van poëtische formuleringen van collegadichters uit vroeger tijden. De bundel herlezend treft een curieus voorbeeld van een dwarsverbinding met jongerentaal uit het langere gedicht ‘bemanning van het laatste woord’: het gaat om het gedicht dat begint met de regel ‘dat zit zo: ik verhoud me tot zes à zeven’. Dat dat mogelijk is, is typisch voor poëzie.
Schooldichter
Charlotte Van den Broeck deed recent van zich spreken: medio november werd haar boek Een vlam Tasmaanse tijgers bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs. In het persbericht werd met nadruk vermeld dat zij ‘van huis uit dichter’ is. Ook hier is sprake van een uitzonderlijk mooi vormgegeven bundel. In de aantekeningen achterin schrijft zij ‘Ik koester de metafoor tussen lichaam en landschap’, waarmee de titel van de bundel Aarduitwrijvingen meteen een extra dimensie krijgt. Over een minder in het oog lopende vroegbloeier als ‘anemona nemorosa’ schrijft zij zo, dat iedereen alleen al daarom naar de streken waar deze bloeit, zou willen afreizen.
Niet alleen door zijn gebruik van de eigen literaire traditie, maar ook door zijn overvloedige samenwerking met anderen is de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen de meerstemmigheid zelve. In Goleman vindt het citaat van Paul Snoek “Het ras der reuzen sterft uit” een peilloos juiste plaats. Onder de titel ‘Voorschrift voor Noëlla’ schrijft hij: “Ik schrijf voor jou een voorschrift voor een gedicht”, een paradoxale regel voor een dichter die zo vrij door de taal der poëzie reist. Intrigerend is de plaats die hij aan Goethe geeft, en via-via aan Hölderlin, en de tamelijk hoge frequentie van zon en maan in zijn bundel. Drones is een woord dat ook frequent voorkomt en ook plaatsnamen die wij kennen uit de oorlog in Oekraïne komen in zijn bundel voor. Holvoet-Hanssen is schooldichter van het Antwerps Athenaeum; hij is een poëziedokter die je iedere schoolklas toewenst.
Terechte winnaar
De aanwezige dichters lazen voor uit eigen werk, de afwezigen werden vervangen door de voordracht van Elise Miche die eerder werk van Karel van de Woestijne heeft laten horen. Het geheel werd omlijst door de muziek van cellist Benjamin Glorieux.
Een groot aantal liefhebbers heeft de afgelopen weken haar of zijn stem uitgebracht op een van de genomineerde gedichten. Dat enig lobbywerk via de sociale media heeft bijgedragen tot extra verspreiding van het initiatief valt niet uit te sluiten, maar van een vervalsing van de uitslagen is gelukkig niets te merken. Zonder fake news kon daarom bekend gemaakt worden dat de Publieksprijs dit jaar gaat naar niemand minder dan de ultieme troubadour van de Vlaamse poëzie, Peter Holvoet-Hansen.
In laatste instantie was het de opdracht van de jury om, na de rijkdom van de nominaties, één enkele laureaat aan te duiden. Het reglement liet niet de minste ruimte voor een ex aequo, laat staan voor vijf ex aequo’s. Tijdens de deliberatie moesten alle juryleden uiteindelijk vooral sommige van hun favorieten laten vallen, met pijn in het hart. Toch was het opmerkelijk hoe de jury het vrij snel eens raakte over één naam. De laureaat van de zevende Karel van de Woestijneprijs is een dichter die, geheel in de lijn van die eminente voorganger, literatuur opvat als een kwestie van leven en dood. Het schrijven van poëzie is geen vrijblijvend spel met woorden, maar een zoektocht naar de essentie van het bestaan, naar de plaats van de mens in de maatschappij, de geschiedenis en de kosmos. Taal, register, ritme, klank en beeld zijn daarbij bevoorrechte middelen om verder te reiken dan het waarneembare of het anekdotische. De taal van de dichter raakt zo aan het lichaam, aan de mythe en het visionaire. Al die elementen zijn op een briljante en meeslepende wijze aanwezig in de bundel Aarduitwrijvingen van Charlotte Van den Broeck. Zij is dan ook de terechte winnaar van deze Karel van de Woestijneprijs.
Dat Charlotte Van den Broeck ook succesvol is in literaire non-fictie, met essays over tragische architecten en de Tasmaanse tijger, met een eigengereide kritische blik op verleden en toekomst, is daarbij aardig meegenomen. Ook Karel van de Woestijne is veel en veel meer dan de geniale dichter die wij in hem zien. In tal van opzichten is onze laureaat de eenentwintigste-eeuwse incarnatie van Van de Woestijne. Dat geldt in laatste instantie zelfs voor haar naam. Nomen est omen. Wat anders zou een hedendaagse Karel (Charel) kunnen zijn dan een Charlotte, en is de woestijn onder invloed van de klimaatproblematiek niet aan het transformeren tot een moerassig broek? Wie haar bundel leest als een eigentijdse versie van De modderen man ontdekt een opmerkelijke actualisering in overeenstemming met de noden en de problemen van onze tijd.
Laat een reactie achter