
Ik luister de laatste tijd weer naar het hoorspel Het Bureau – de langste hoorspelreeks ooit, 475 afleveringen, wat wil zeggen: meer dan 110 uur. Het is een monument van de Nederlandse radio, met ongekende zorg voor detail samengesteld. De afleveringen klinken, door goedgekozen fragmentjes van de radio en door liedjes naar de jaren die worden verbeeld. Er wordt briljant in geacteerd, vooral door Krijn ter Braak die de serie draagt als Maarten Koning en door – mijn lievelings – Joop Keesmaat als Anton Beerta.
Het hoorspel voegt bovendien een paar eigen lagen toe aan het boek. Op een bepaald moment moet Maarten Koning snel een artikel schrijven voor het eigen tijdschrift (Het Bulletin). Dat is een artikel waarin hij – het is 1977 – terugziet op een onderzoek dat hij vele jaren eerder heeft gedaan, naar een traditie die nóg ouder zou zijn geweest, van het dorsen. Krijn ter Braak leest dat artikel voor, maar maakt op een bepaald moment een foutje, en dan hoor je een technicus die hem bij zijn naam noemt (Krijn, dus) en vraagt het te hernemen, zoals diezelfde technicus na het artikel nog even terugkomt om te zeggen dat het stuk op de band staat.
Ik ben er een tijdje geleden mee begonnen, omdat ik de griep had. Geen boek uit de Nederlandse literatuur is geschikter voor tijdens de griep – de hoofdpersoon heeft een passend slecht humeur en trouwens ook voortdurend hoofdpijn– en bij het hoorspel kun je ook nog je ogen dichthouden.
Wat ik hier wel eens wil documenteren: hoe trefzeker de personages worden gekarakteriseerd. Ik heb zelf ook enige tijd op het Meertens Instituut gewerkt. Ik kwam daar aan in 1999, dat was 12 jaar na Voskuils pensioen, en ik heb de schrijver zelf nooit ontmoet. Maar de mensen die hij had aangenomen waren bijna allemaal daar blijven werken, ze waren ook een stuk jonger dan hijzelf. Wat betekent dat ik met veel van die mensen nog een boterhammetje heb gegeten.
Oeverloze stroom
In het hoorspel Het Bureau herken ik ze allemaal. Ze waren veel ouder toen ik ze sprak, en in het boek zijn ze eerst door het filter van de schrijver gegaan en vervolgens in het hoorspel door dat van de scenarist, dat van de regisseur en dat van de acteur, en toch haal ik ze er allemaal moeiteloos uit. Ja, het zijn karikaturen, Rik Bracht, Dé Haan, Joop Schenk, en al die anderen, maar het zijn zelfs met al die lagen interpretatie erover heen nog altijd herkenbare karikaturen.
Dat is in die zin van belang dat Het Bureau ook een geschiedenis is van de volkskunde (tegenwoordig spreekt men van etnologie), of in ieder geval van Voskuils intellectuele ontwikkeling – en omdat het Meertens Instituut zo belangrijk was, was dit ook de ontwikkeling van het instituut. Ik heb nog nooit iets over dat aspect gelezen,maar er staan, vaak in het Duits, hele excerpten van lezingen en artikelen in. Wie die niet overslaat kan er uit destilleren hoe het is gegaan: Maarten Koning, aangenomen om ‘cultuurgrenzen’ vast te stellen in het Nederlandse landschap, dat wil zeggen grenzen op de kaart die precies aangeven waar een bepaald gebruik al eeuwenlang wordt gebruikt, komt erachter dat dit niet lukt. De kaarten zijn een rommeltje, en de veronderstelling dat gebruiken eeuwenlang hetzelfde zijn gebleven, is ongefundeerd. Het moet anders, en juist die veranderlijkheid moet onderdeel worden van het vak.
Ik sloeg al die stukken over het nageboorte van het paard, de ploeg, de zeis, de wanden van het boerenhuis, de trouwring en wat je verder zoal hebt ook altijd over, maar het is heel interessant. Jammer dat de tijdschriften waaraan Voskuil meewerkte, de boeken die het Meertens Instituut uitgaf, nooit gedigitaliseerd zijn. Van Oorschot geeft nu in fraaie uitgaven de enorme dagboeken uit. Zou die uitgeverij niet willen overwegen om ook een deeltje uit te brengen met het wetenschappelijke deel van het oeuvre? Dat is veel geserreerder, maar volgens mij voor de liefhebber nog minder te versmaden dan die oeverloze stroom dagelijkse zelfreflectie.
Laat een reactie achter