
De komst van zogeheten grotetaalmodellen en chatbots is sinds de introductie van ChatGPT ruim drie jaar geleden natuurlijk een belangrijk onderzoeksonderwerp voor de taal- en literatuurwetenschap. Ineens bestaat er een ding anders dan een levende mens die teksten weet voort te brengen. Wat betekent dat voor ons begrip van taal? En van verhalen? Allerlei discussies over die onderwerpen komen ineens in een ander licht te staan, en wereldwijd zijn er ook allerlei mensen mee bezig, maar binnen de neerlandistiek blijft het vooralsnog belangrijk rustig.
Een van de uitzonderingen is onze Tilburgse collega Siebe Bluijs. Voor het onlangs verschenen Routledge Handbook of AI and Literature heeft hij bijvoorbeeld een intrigerend artikel over de belangrijke vraag wie of wat er eigenlijk aan het woord is in door kunstmatige intelligentie gegenereerde literatuur – en wat de literatuurwetenschap daarover te zeggen heeft.
Stilistische keuzes
Er wordt door sommige critici van grotetaalmodellen vaak wat minachtend gedaan over AI-teksten. Een bekende metafoor is van de Amerikaanse taalkundige Emily Bender, die het heeft over een stochastische papegaai. Een apparaat dat op basis van statistiek wat voor zich uit bazelt en feitelijk niet echt begrijpt wat het zegt. Dat is misschien een nuttige waarschuwing in de politieke en ethische discussie over kunstmatige intelligentie, maar het gaat, schrijft Bluijs, voorbij aan veel inzichten uit de moderne literatuurwetenschap: dat de betekenis van teksten sowieso niet in de eerste plaats door de auteur wordt bepaald, maar door de lezer. Voor de ‘stem’ van de literaire tekst is helemaal geen spreker nodig – je hoeft als lezer de biografie van de schrijver niet te kennen om je tot de tekst die voor je ligt te verhouden. Of die tekst door een papegaai is voortgebracht is dan ook onbelangrijk, net als de vraag of dit bijvoorbeeld met stochastische methoden is gebeurd.
In plaats daarvan stelt hij het beeld van de echo voor – een echo heeft ook geen enkele bedoeling met wat het echoot, maar het echoot wel dingen die op zich betekenis hebben – eerdere discussies, eerder vertelde verhalen – en het kan tot op zekere hoogte tegelijkertijd een eigen stem hebben, bijvoorbeeld omdat het getraind is om bepaalde stilistische en andere keuzes te maken.
Spannende tijden
Wat je ook verder van die chatbots vindt, ze stellen discussies zo wel op scherp, discussies die in het vak eigenlijk nauwelijks gevoerd zijn. Bender vertegenwoordigt bijvoorbeeld een duidelijke, in bepaalde takken van de taalkunde, gebruikelijke kijk op de relatie tussen taal en betekenis, en Bluijs een uit de letterkunde. (Je kunt er ook nog een derde visie naast plaatsen: een waarbij betekenis altijd door twee mensen in gesprek samen gemaakt wordt; maar die vis ie heeft natuurlijk sowieso niet veel te zeggen over werken van letterkunde.) We kunnen de komst van chatbots nu zien als een grootschalig experiment over wie er gelijk heeft. Als Bluijs gelijk heeft, is er een toekomst voor AI-literatuur, zolang de lezers goed genoeg zijn, maar dat geldt niet voor Bluijs.
Mijn eigen gevoel is dat zal blijken dat mensen weinig zin zullen hebben om stemmen te interpreteren als er geen daadwerkelijk mens achter zit. Dat weinigen hun leven zullen willen wijden aan het interpreteren aan de vele echo’s die op zullen klinken. Maar bewijzen kan ik dat nu nog niet, dat kan misschien pas over twintig jaar. We gaan spannende tijden tegemoet!
Laat een reactie achter