Vijftig jaar geleden verscheen het boek Sociolinguïstiek

Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat het boek Sociolinguïstiek verscheen. Het was geschreven door René Appel, Gerard Hubers en Guus Meijer, en het vormde de eerste golfkop van een vakgebied dat zich heel snel in Nederland aan het vestigen was: de studie van taal als een sociaal verschijnsel, iets dat zich niet in de eerste plaats in een boek of de binnenkant van een menselijk hoofd afspeelt, maar tussen mensen, in een samenleving waarin machtsrelaties een rol spelen, en verschillende sociale groepen (sociale klassen, leeftijdsgroepen, genders) allemaalnet een wat andere taal lijken te hebben. Zoals op het omslag van Sociolinguïstiek stond:
Taalgebruik als vorm van sociaal handelen. De samenhang tussen taal en situatie. Verscheidenheid en verandering van taal door sociale factoren.
Er was in Nederland al veel langer belangstelling geweest voor dit soort onderwerpen. Zeker sinds het begin van de twintigste eeuw waren allerlei prominente taalwetenschappers zoals Overdiep in Utrecht, Kloeke in Leiden of Van Ginneken in Nijmegen geïnteresseerd geweest in ‘;taal als sociaal handelen’ of ‘verscheidenheid en verandering van taal door sociale factoren’. Soms gebruikten ze daarvoor het woord taalsociologie, waarin de sociologie dus het doorslaggevende element is. Maar in de jaren zeventig kreeg het dus een naam, sociolinguïstiek, overgewaaid uit Amerika, waar William Labov sinds midden jaren zestig naam maakte met zijn onderzoek. Die nieuwe naam maakte het tot een vorm van taalkunde, al had Labov er zelf in het begin nog bezwaar tegen. In zijn ogen was iedere serieuze vorm van taalkunde sociolinguïstiek.
Streng wetenschappelijk
De eerste studie die ik ken waarin het woord wordt gebruikt is Taal in Noordoostpolder van M.Ch. van de Ven uit 1969. Dat ging. over door het Dialectenbureau (het latere Meertens Instituut) vooral in de jaren 50 verzameld materiaal, dat kennelijk om allerlei redenen was blijven liggen. Toen Van de Ven het eindelijk kon gaan beschrijven was inmiddels de term sociolinguïstiek kennelijk opgekomen. “Wat een moeilijkheden zouden voorkomen zijn als het materiaal, bijvoorbeeld in een dissertatie, in 1955 was uitgegeven,” schreef hij. “We hadden dan niet beter geweten!” Maar nu moest hij dus rekening houden met de nieuwe wetenschappelijke eisen.
Die taal in de noordoostpolder was ook een logisch beginpunt voor de Nederlandse sociolinguïstiek. De discipline die zich tot dan toe het meest had beziggehouden was de dialectologie. De net drooggelegde polders vormden een interessant geval. Daar kwamen mensen uit verschillende streken bij elkaar wonen. Hoe verhielden die talen zich tot elkaar? Zouden er nieuwe dialecten ontstaan?
Als je in de DBNL zoekt op sociolinguïstiek zie je hoe de term in de vroege jaren zeventig snel om zich heen grijpt. Enerzijds zijn er oudere dialectologen die menen dat hun vak zich moet verhouden tot deze nieuwe discipline die zoveel meer dimensies van taalvariatie onderzoekt. Anderzijds zijn er jonge onderzoekers die zich aangetrokken voelen door de combinatie van maatschappelijke relevantie met statistiek en streng wetenschappelijke methode.
Verloren
In 1976 heeft zich dat allemaal vastgezet. Niet alleen verscheen toen het boek Sociolinguïstiek – als pocketboek! Je kon het in de algemene boekhandel krijgen –, maar de KNAW had bijvoorbeeld het plan om een ‘werkverband sociolinguïstiek’ op te richten. In Nijmegen begon een project naar de taalsituatie in Kerkrade, en aan het Meertens Instituut was er een groots opgezet plan omde variatie binnen Amsterdam in kaart te brengen. Tekenend vind ik ook dat in een bespreking van het – toch nooit heel erg vooroplopende – Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde over een Utrechtse bundel over taalwetenschap wordt opgemerkt dat er geen aandacht aan sociolinguïstiek wordt besteed. Dat was kennelijk opmerkelijk.
Hoe staat het er vijftig jaar later voor? Minder rooskleurig dan het ooit was. William Labov heeft weleens het grapje gemaakt dat hij in Nederland niet op zijn motor zou durven rijden omdat de kans te groot was dat hij een taalkundige zou aanrijden, zo hoog was het aandeel taalkundigen per hoofd van de bevolking. Die tijd is voorbij, en niet alleen voor de sociolinguïstiek. Er zijn als ik het goed zie aan de meeste universiteiten nog wel mensen die je met meer of minder goede wil sociolinguïsten kunt noemen, maar als er de laatste jaren ergens de focus ligt bij subsidiegevers is het bij de psycho- en neurolinguïsten, de mensen die onderzoeken hoe taal in elkaar zit in de menselijke geest en de menselijke hersenen.
Dat is natuurlijk allemaal ook heel eerbiedwaardig onderzoek, maar het inzicht dat de taal ook allerlei functies heeft buiten het denken, dat het dient om je als mens te onderscheiden en om mensen te verbinden, dat we er machtsspelletjes mee spelen en dat macht omgekeerd de taal in bepaalde richtingen laat bewegen, gaat zo helaas een beetje verloren.
Laat een reactie achter