
Er is al langer onvrede met de term, ook in de neerlandistiek; ik heb er ook al over geschreven (hier en hier). Maar in een artikel in het tijdschrift Cognition doen 29 taalkundigen en psychologen een frontale aanval op een begrip dat lang heel gewoon was in het taalonderzoek: de moedertaalspreker. Ze gebruiken grote woorden: het begrip is niet alleen wetenschappelijk onhoudbaar, maar houdt ook discriminatie en ongelijkheid in stand. Termen als “severe violation” en “oppression” vliegen de arme lezer om de oren. Moet de moedertaalspreker daadwerkelijk op de schroothoop van de wetenschap?
De collega’s hebben overtuigende argumenten. De term is vaag, en wordt in verschillende soorten onderzoek heel verschillend gebruikt. Dat maakt het gevaarlijk, want waar hebben we het precies over als we het hebben over een moedertaalspreker van pakweg het Engels? Iemand die Nederlands vanaf de geboorte hoort? Die uitsluitend Nederlands heeft gesproken tot haar zesde? Die geen Fries, Limburgs of Turks accent heeft? In de praktijk blijkt het begrip rommelig: onderzoeker A verstaat er leeftijd onder, onderzoeker B taalvaardigheid, en onderzoeker C sociale acceptatie. Zo’n rommeltje ondermijnt de wetenschappelijke waarde, al is het maar omdat het lastig is om zo onderzoeken met elkaar te vergelijken.
Geamerikaniseerd
Zwaarder weegt misschien nog wel wat het artikel de “essentialistische valkuil” noemt. Door mensen in hokjes als “native” en “non-native” te plaatsen, suggereer je homogeniteit waar in werkelijkheid enorme diversiteit bestaat. Twee “moedertaalsprekers” van het Engels—een Schotse visser en een Californische professor—verschillen in taalvaardigheid en daadwerkelijk taalgebruik wellicht meer van elkaar dan een tweetalige wetenschapper uit Mumbai van die professor. Toch behandelen onderzoekers hen als leden van verschillende categorieën.
En dat raakt ook aan een maatschappelijk argument. In de onderwijspraktijk worden meertalige kinderen te vaak ten onrechte doorverwezen naar het speciaal onderwijs, simpelweg omdat hun taalontwikkeling wordt afgezet tegen een “moedertaal-norm” die niet overeenkomt met hun leefwereld. Toch wreekt zich hier dan ook wel de wel erg Amerikaanse blik op de wereld van het artikel. Veel voorbeelden van de schrijvers —raciale discriminatie bij Engelse taaldocenten, overrepresentatie van taalkundige minderheden in speciaal onderwijs—zijn specifiek voor de VS. Of het ook allemaal van toepassing is op IJsland, Zuid-Korea of Chili blijft wat minder duidelijk. Zoals wel vaker gebeurt: in de strijd voor ‘inclusie’ en ‘diversiteit’ wordt de hele wereld geamerikaniseerd.
In het bijzonder klinkt het allemaal wel erg naar de hypersensitiviteit voor mogelijke discriminatie die je in delen van de angelsaksische literatuur vindt: zo bang om verschil te maken tussen mensen dat je niet kunt erkennen dat voor de meeste mensen de taal die ze in de eerste jaren van hun leven leren echt anders is dan een andere taal. Dat voor mij het Engels een andere status heeft dan voor mijn Britse collega.
Dogmatisch
Ook anderszins zijn de 29 wel wat erg radicaal. Wetenschap vereist categorisering—van atomen tot ecosystemen. De perfecte categorie bestaat tegelijkertijd niet. Taal, onderzoeker, adolescentie : als je erover nadenkt zijn het allemaal vage begrippen met glijdende grenzen, die niettemin bruikbaar zijn gebleken, ook in wetenschappelijke discussies. Het artikel van de 29 krioelt er ook van, er valt nu eenmaal op een andere manier niet te praten. Je zou toch eigenlijk hopen dat taalonderzoekers zich van zoiets bewust zijn. Er is geen reden om te denken dat moedertaalspreker wat dat betreft anders is. Je moet je bewust zijn van de problemen, maar daarom hoef je het nog niet af te wijzen.
En er zijn nu eenmaal ook verschillen. Taalgebruikers zelf ervaren over het algemeen een kwalitatief verschil tussen hun eerste taal en later geleerde talen—in dromen, emoties, in wat er geautomatiseerd wordt. Neurologisch onderzoek wijst uit dat timing van taalverwerving relevant is, dat talen die je heel vroeg leert echt anders in je hoofd zitten dan andere talen. Dit negeren lijkt even dogmatisch als het overschatten. (Het is een betreurenswaardige neiging van sommige onderzoekers om af en toe zo radicaal een nieuwe weg te willen aanslaan dat ze daarmee allerlei bevindingen radicaal overhoop gooien.)
Daar komt bij dat ik zolang ik taalkunde studeer, eigenlijk niet anders weet dan dat iedereen het over eens is dat de ‘moedertaalspreker’ een idealisering is, een categorie waarvan we in de werkelijkheid nooit echt zuivere voorbeelden vinden, maar die nuttig is in het denken en het schrijven. Iedere wetenschap is gebouwd op zulke idealiseringen – er zijn in de wereld ook geen zuivere cirkels, of bomen, of rationele consumenten.
Samenlevingen
De alternatieven die de 29 voorstellen – gedetailleerde taalbiografieën, statistische clusters, contextuele beschrijvingen – klinken misschien aantrekkelijk; totdat je ze moet implementeren. Ze zijn allemaal dan wel heel subtiel en vereisen heel veel aandacht per individu. Hoe vergelijk je dan studies uit verschillende landen en decennia? Hoe communiceren clinici efficiënt over diagnoses?
Ik ben in ieder geval er niet van overtuigd dat we moedertaalspreker nu op de vuilnishoop moeten gooien. Ja, de 29 laten overtuigend zien dat we er voorzichtig mee moeten omgaan, zoals met alle termen. Dat onderzoekers steeds duidelijk moeten maken wat ze er precies mee moeten bedoelen. Zoals in sommige samenlevingen – ook de Nederlandse en de Vlaamse – best wat meer waardering kan zijn voor sprekers die geen moedertaalsprekers van het Nederlands zijn.
Interessante discussie, en inderdaad niet nieuw in de taalwetenschap. Mijn grootste probleem met de begrippen moedertaal en moedertaalspreker is vooral dat deze in het verleden tot stand zijn gekomen op basis van een eentalige lens (“monolingual mindset”), waarin als normale of misschien zelfs ideale situatie werd aangenomen dat kinderen in de eerste jaren van hun leven in aanraking komen met slechts 1 taal. (Het Nederlandse “moedertaal” impliceert dit zelfs nog een beetje meer dan het Engelse “native language”!) Maar we weten ook al heel lang dat dit voor heel veel kinderen helemaal niet zo is – niet alleen voor kinderen uit migrantengezinnen of families die een minderheidstaal spreken, maar ook bijvoorbeeld in situaties waarin het horen en spreken van meerdere talen vanaf de vroege kindertijd cultureel en sociaal is ingebed in traditionele vormen van meertaligheid, zoals onder andere te vinden in de Amazone, West-Afrika, Papoea Nieuw-Guinea en Australie. Wanneer een baby vanaf de geboorte omringd is met twee, drie, of zelfs nog meer talen in het huishouden en de directe omgeving, vind ik het nogal vreemd en kunstmatig aandoen om er dan eentje uit te pikken en die een categoriaal andere status van “moedertaal” te geven, op welke criteria je dit ook zou willen baseren als taalwetenschapper. Gelukkig wordt er tegenwoordig minder met een eentalige lens gekeken binnen de taalwetenschap, en de begrippen L1/LX en 2L1 (simultaneous bi-/multilingual, bi-/multilingual first language acquisition) zijn volgens mij ook gangbaarder in het hedendaagse onderzoeksveld.