Taalkunde van 50 jaar geleden

Patricq Kroon (eigenhandig gesigneerd), 1919 – 1925. Collectie Rijksmuseum
Vijftig jaar geleden werd er nog door neerlandici gediscussieerd over bijstellingen. Je bent een zin aan het bouwen over Simon, en je wilt ook nog iets anders over hem zeggen. Je wilt bijvoorbeeld vertellen dat Simon vergeten was waar hij woonde, maar óók dat hij alcoholist was. Dat kun je dan op verschillende manieren doen:
- Simon, die een alcoholist was, was vergeten waar hij woonde.
- Simon, een alcoholist, was vergeten waar hij woonde.
- Simon, hij was een alcoholist, was vergeten waar hij woonde.
In het eerste geval gebruik je een (‘uitbreidende’) bijzin (‘die een alcoholist was’), in het derde geval een soort tussenzin (‘hij was een alcoholist’) en in het geval in het midden alleen de naamwoordgroep waar het om gaat (‘een alcoholist’). In het tijdschrift De nieuwe taalgids discussieerden in 1976 de roemruchte neerlandici Maarten Klein en A.M. Duinhoven over deze constructies, hun verschillen en hun overeenkomsten.
De kern van de discussie ging over de vraag of die korte vorm, een alcoholist, nu meer met de bijzin of met de hoofdzin te maken heeft. Het ging vooral om het laatste, meende Duinhoven, bijvoorbeeld omdat je in bijzinnen bepaalde dingen niet kunt die je wel kunt met de andere twee vormen:
- Saskia, die zij daar is, weet het beter. [raar]
- Saskia, zij daar, weet het beter.
- Saskia, dat is zij daar, weet het beter.
- Vergat je mij, die je eigen moeder ben / is? [raar]
- Vergat je mij, je eigen moeder?
- Vergat je mij, ik ben je eigen moeder?
- Het huisdier van de Lappen, dat het rendier is, draagt een gewei. [raar]
- Het huisdier van de Lappen, het rendier, draagt een gewei.
- Het huisdier van de Lappen, dat is het rendier, draagt een gewei.
Hoe het precies zit is geloof ik vijftig jaar na dato nog steeds niet helemaal duidelijk, maar in een antwoord op Klein doet Duinhoven later in dat jaar in hetzelfde tijdschrift een interessante suggestie. Hij wijst erop dat het naamwoordelijk gezegde twee functies heeft in het Nederlands: het kan een eigenschap benoemen, zoals in ‘Dirk is onderwijzer’, waarbij je ervan uit mag gaan dat Dirk nog wel meer eigenschappen heeft (hij heeft blauwe ogen, hij stemt op D66, hij is een vaste klant van Ecoplaza), of een omschrijving benoemen (‘De minister van ontwikkelingszaken is Jan Pronk’, dan vallen die twee samen).
Bij eigenschappen kun je wel bijzinnen maken, zegt Duinhoven, maar bij omschrijvingen niet:
- Deze man, die een onderwijzer is, heeft plezier in zijn werk.
- De minister van ontwikkelingssamenwerking, die Jan Pronk is, heeft plezier in zijn werk. [raar]
Duinhoven wijst ook nog op het verschil tussen bovenstaande zin over de onderwijzer met plezier in zijn werk en deze over een vogel:
- Een vogel, die een tureluur was, vloog over het weiland. [raar]
De reden volgens Duinhoven: “Wanneer een vogel een tureluur is, is hij dat en niet meer dan dat. De bedoelde vogel en een tureluur zijn identiek.” Tureluur zijn is in die zin niet een willekeurig kenmerk van die vogel, zoals onderwijzer zijn dat kan zijn van een man. Je kunt ook niet zeggen ‘deze vogel is tureluur’, zonder lidwoord, zoals je wel kunt zeggen ‘deze man is onderwijzer’.
Dat zijn interessante observaties, al zou je het verschil tussen eigenschap en omschrijving wat preciezer willen maken zodat we precies begrijpen hoezo bijvoorbeeld ‘je eigen moeder’ een omschrijving is van ‘mij’ in de zin hierboven en niet een eigenschap. Ik heb het idee dat hier nog wel wat meer te halen valt. Het taalgevoel weerspiegelt hier duidelijk een subtiele manier waarop we naar de wereld kijken, en die is de moeite van het bestuderen waard.
Ze zijn 50 jaar oud, maar het blijven intrigerende observaties. Heel leuk dat je ze hier weer even onder de aandacht van neerlandici brengt!