Toen de 20-jarige student Ferdinand de Saussure in 1878 de universiteit van Leipzig voor de universiteit van Berlijn verruilde, vroeg één van zijn nieuwe professoren of hij misschien familie was van de beroemde Saussure, die onlangs een baanbrekend boek over het Proto-Indo-Europees had geschreven.
Die beroemde Saussure, dat was de 20-jarige student zelf.
Op latere leeftijd (en vooral na zijn dood) zou Ferdinand de Saussure nog vele malen beroemder worden – maar dan als taalfilosoof. Elk eerstejaarscollege wetenschapsfilosofie brengt zijn ideeën over taaltekens ter sprake. Signe, signifiant en signifié zijn wellicht bekende termen uit zijn koker.
Maar ik wil het hebben over het boek dat hij op zijn achttiende (!) heeft geschreven. Daarmee heeft hij namelijk een bizarre bijdrage geleverd aan ons begrip van het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde oertaal waar zo veel moderne en antieke talen van afstammen.
Het was de kleine Ferdinand opgevallen dat je voor het Proto-Indo-Europees een systematische afwisseling tussen e, o, en niks (ø) kunt reconstrueren.
Bewijs daarvoor is bijvoorbeeld het Griekse trio leipō (‘ik verlaat’), leloipa (‘ik heb verlaten’) en elipon (‘ik verliet’). Het gaat om de letter tussen de l en de i. Daar staat ofwel een e, ofwel een o, ofwel niks. Precies deze afwisseling vind je ook in talen als het Latijn en het Sanskriet, en ook onze klinkerwisseling in ik loop ~ ik liep gaat er uiteindelijk op terug. De afwisseling tussen e/o/ø moet dus zo oud zijn als het Proto-Indo-Europees zelf.
Maar het was de kleine Ferdinand óók opgevallen dat een aantal woorden niet aan deze systematische afwisseling gehoorzaamt. Zo heb je in het Grieks ook het trio phāmi (‘ik zeg’), phōne (‘geluid’), en phamen (‘wij zeggen’). Waar je volgens de systematiek een e zou verwachten, staat ineens een lange ā. Waar je een o zou verwachten staat een lange ō. En waar je niks zou verwachten staat een korte a.
Dat zat Ferdinand niet lekker. Volgens hem moest deze oneffenheid verholpen worden door drie nieuwe, Proto-Indo-Europese medeklinkers te reconstrueren, tegenwoordig geschreven als h₁, h₂, en h₃. Deze medeklinkers zouden in alle dochtertalen verdwenen zijn, maar niet voordat ze de voorafgaande klinkers onherkenbaar veranderd hadden – en zo de afwisseling tussen e/o/ø verduisterd hadden.
Met andere woorden: de Proto-Indo-Europese voorlopers van phāmi, phōne, en phamen waren volgens De Saussure respectievelijk *bʰeh₂-, *bʰoh₂- en *bʰh₂-, keurig volgens het e/o/ø-afwisselingspatroon.
Geniaal, maar De Saussure stuitte ook op academische weerstand. Drie nieuwe medeklinkers die je in geen enkele dochtertaal levend terugvindt? Enkel en alleen om een systematische onvolkomenheid de wereld uit te helpen? Ligt het niet meer voor de hand om gewoon een minder volmaakt Proto-Indo-Europees te reconstrueren?

Tot in 1917 het Hettitisch werd ontcijferd. Al dat spijkerschrift op kleitabletten uit Turkije bleek een Indo-Europese taal te verbergen – een bijzonder oude Indo-Europese taal, bovendien. En precies waar volgens De Saussure de medeklinkers h₂ en h₃ zouden moeten staan, stond in het Hettitisch de letter ḫ. In het Hettitisch hadden twee van zijn drie (tot op dat moment hypothetische) medeklinkers dus wél overleefd.
Ferdinand de Saussure heeft de ontcijfering van het Hettitisch niet meer meegemaakt – hij stierf in 1913 op 55-jarige leeftijd. Maar ook zonder keihard bewijs moet hij geweten hebben dat hij het gelijk aan zijn zijde had.
Dit stuk verscheen eerder op Gevleugelde woorden

Laat een reactie achter