
De dichter Nikolaj Zabolotski (1903-1958) heeft zijn bekendheid vooral te danken aan zijn bemoeienis met de Oberioeten, de literaire beweging van jonge dichters en schrijvers rond Daniil Charms. ‘Het laatste speelkwartier in de Russische literatuur’ in de jaren twintig van de vorige eeuw. In die periode van absurdistische en satirische verbeelding schreef Zabolotski gedichten, waarvan er tweeëntwintig zijn opgenomen in de bundel Kolommen (1929), vertaald en geannoteerd door Arie van der Ent, die sinds jaren in Kyiv woont en voor het samenstellen van Kolommen en klein proza (Uitgeverij Fragment), op papier terugreisde naar Rusland in de hoogtijdagen van de literatuur en naar de jaren van meedogenloze Stalin-terreur die er op volgden. De ‘afschuwelijke voorgeschiedenis van de huidige Russische Federatie’.
De titel Kolommen verwijst naar de verticale vorm van gedichten, zoals berichten in krantenkolommen werden afgedrukt. Voor Zabolotski was het een manier om het groteske, het vuurwerk van taal vorm te geven. De gedichten zijn beeldrijk, filmisch, hallucinant, met veelal rijmende regels in wisselend ritme van acht en negen lettergrepen. ‘Wij verruimen de betekenis van een ding, een woord en een handeling,’ zegt Zabolotski in zijn beginselverklaring van 1928. Poëtische taal, ‘herboren in alle puurheid van haar even concrete als vermetele vormen.’ Drankgelagen, nachtclubs, straatfeesten, bruiloften, fabrieken, markten, arbeiders, artiesten, soldaten. Straatbeelden van Leningrad (Sint-Petersburg). We herkennen onder andere de Nevskiprospékt, de Neva en de Petrus en Paulusvesting.
Een fragment uit een drankfestijn in café ‘Rood Beieren’:
hoe zij de whisky schonk in glazen
hoe hij, uit zijn kapotte slapen
haar boezem onder had gespat
en prompt terneerzeeg, triest als wat…
En alles wat ze niet kan zingen,
zinkt lijkwit weg in grote kringen.
Tijdens ‘Witte nacht’ (juli 1926) in de zomer, een van de nachten van de zondeval, stomen op de Nevka de maagden op, de sirenen. Een strofe:
En iedereen is kierewiet,
de witte lucht kleeft aan de daken,
de nacht begint naar dood te smaken,
ze schommelt nu, op een balans.
Een engel of een vroeggeboorte,
opalen ogen, open thans,
die zachtjes wiegelt in de lorum…
en snakt naar de hemeltrans.
Poëzie als afspiegeling van de tamelijk liberale periode, zo’n tien jaar na de Russische Revolutie van 1917, bedoeld als kritiek, ‘als een kleinburgerlijk verraad aan de revolutie’, aldus de vertaler. Paradoxaal genoeg zou deze ‘linkse kritiek’ worden afgestraft door arrestaties, strafkampen en executies. Het gedicht ‘Triomf van de akkerbouw’ (1933) over sovchozen en kolchozen maakte Zabolotski onterecht politiek verdacht. Dat is het tweede, aangrijpende deel van deze fraai verzorgde uitgave Kolommen en klein proza. Het proza staat inhoudelijk haaks op het bruisend stadsleven uit het eerste deel. De dichter beschrijft in ‘klein proza’ zijn arrestatie in 1938, zijn detentie en transport naar een strafkamp in Siberië, waar hij tot 1944 zal verblijven. In realistisch proza dat als een Siberische nachtmerrie op je afkomt, maakt Zabolotski het onvoorstelbare voorstelbaar, invoelbaar. Het onschuldige, kwetsbare, intellectuele individu staat oog in oog met het systeem van barbaren:
‘De reusachtige stenen binnenplaats van het gebouw, waar de geopende ramen van de werkkamers op uitzagen, werd gevuld met het gekreun en de hartverscheurende jammerklachten van mensen die werden afgerost. De hele cel bibberde, alsof er plots een elektrische stroom doorheen was gejaagd, en dan verscheen er weer een woordeloze doodsangst in de ogen van de gedetineerden. Om die kreten te dempen stonden er vaak zware vrachtwagens met draaiende motor op de binnenplaats. Maar door dat motorgeronk hield onze verbeelding ons al iets volkomen onbeschrijflijks voor en bereikte onze zenuwenachtige opwinding het kookpunt.’
De angst voor verhoren, de martelingen, het leven met anderen in een krappe cel. Gebroken, vermagerd werd de dichter op transport gezet. Zestig dagen in wagons over de Siberische spoorlijn in ‘ondraaglijke vrieskou’. ‘Op een kluitje gezeten en elkaar warmend met onze eigen lichamen, leden we vreselijke kou. Van lieverlee veranderde ons leven in een puur fysiologisch, van geestelijke interesse gespeend bestaan, waarin alle menselijke zorgen er alleen maar op neerkwamen niet van honger en dorst dood te gaan, niet te bevriezen en niet als een dolle hond te worden afgeknald…’
De misdadigers die het kamp leidden hadden hun eigen levensnormen en een eigen moraal, die doen denken aan die van de huidige Russische frontsoldaten. Moorden, of vermoord worden: ‘Ze traden de dood onbevreesd tegemoet, omdat de minachting van hun kameraden voor hen honderdmaal erger was dan welke dood ook.’ De annotatie van schrijvers- en dichtersnamen is een schokkende opsomming van ‘gearresteerd’, ‘doodgeschoten’, ‘in het kamp overleden’. Het gevolg van de terreur van de jaren 1937-1938. Zabolotski was een van de zeer weinigen die het kamp overleefden. ‘Na de dood van Stalin erkende de Sovjetoverheid dat het om een fakezaak was gegaan,’ aldus Van der Ent. De dichter zette zijn leven voort in Moskou. Literair essayist Pjotr Vajl zei in 2003 over Zabolotski dat zijn wereldbeeld onveranderd was gebleven.
Het naoorlogse gedicht ‘Het lelijke meisje’ dat in de inleiding is afgedrukt, is weliswaar minder grotesk, maar wel vol beweging; kinderen racen rondjes op hun nieuwe fiets. Een armoedig gekleed meisje, ‘haar op storm’, ‘scheve tanden’ rent met hen mee:
De vreugde van de ander gaat
haar net zo als de hare aan,
en wil eruit – ze lacht en jubelt,
gegrepen door de levensvreugd.
Als zij later zal ontdekken dat zij ‘gewoon een lelijk mormel is’, zal zij door haar pure innerlijk de pijn overwinnen en de zwaarste steen trotseren. Een gedicht, dat veel doorleefd gevoel en levenservaring verraadt van de getekende dichter, die ik nu, met dank aan Arie van der Ent, heb leren kennen.
Nikoláj Zabolótski, Kolommen en Klein Proza. Fragment, 2026. Bestelinformatie bij de uitgever
Laat een reactie achter