Voornamendrift 117

Eeuwenlang zijn kinderen naar grootouders en ook wel naar de ouders en andere familieleden of peetouders vernoemd. Vernoemen kan gezien worden als een persoonlijk eerbetoon met een zekere hiërarchie, met voorrang voor de oudste generatie of reeds overledenen. Traditie en geloof, en de wens om in de naam voort te leven, lijken belangrijke drijfveren, terwijl daarnaast het vernoemen door een sterke sociale druk in stand werd gehouden. Het is dan ook niet toevallig dat ontkerkelijking en individualisering in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw samen ging met het grotendeels loslaten van vernoeming van (groot)ouders (in de eerste voornaam althans), ten gunste van de eigen, modieuze naamvoorkeur van ouders.
We onderzochten het percentage kinderen dat in Nederland in de eerste voornaam naar een grootouder of ouder werd vernoemd, wat voor ouders vanaf 1800 en voor grootouders vanaf 1830 mogelijk is. Hierbij onderscheiden we exacte vernoeming, waarbij het (klein)kind dezelfde eerste voornaam krijgt, en variabele vernoeming, waarbij alternatieve spellingen, schrijfwijzen en roepnamen ook als vernoeming worden gezien (zie figuur 1 voor jongens en figuur 2 voor meisjes). Voor 1920 werd van de jongens meer dan 47% exact naar een grootvader vernoemd, terwijl de vernoeming naar een grootmoeder voor de meisjes steeg van 40% tot 48%. Exacte vernoeming naar een ouder steeg tussen 1800 en 1940 van 10% tot 16% voor de jongens en van 8% tot 12% voor de meisjes. Daarnaast kan een kind zowel naar een ouder als grootouder met dezelfde naam zijn vernoemd. Dat is in de figuur gestippeld aangegeven. Dat geldt voor ca 40% van de vernoemingen naar een ouder, zowel voor jongens als voor meisjes.Samen betekent het dat voor 1950 ruim de helft van alle kinderen dezelfde voornaam kreeg als een ouder en/of grootouder.
Bij de (klein)kinderen vinden we ook regelmatig eerste voornamen die weliswaar niet precies dezelfde zijn als die van de (groot)ouder maar die toch als vernoeming beschouwd kunnen worden. Dat kunnen kleine spellingsvariaties zijn, zoals Elizabeth en Elisabeth, suffixvariatie zoals Maria en Marieke, roepnamen zoals Kees uit Cornelis of Jan uit Johannes. Als ook deze vormen van vernoeming worden meegenomen dan stijgt het percentages vernoeming naar grootouders met 10% tot 15% en naar ouders met ongeveer 4%, evenals de vernoeming naar zowel een ouder als grootouder. In totaal komen we dan op ruim 60% van de kinderen die voor 1950 met enige variatie naar een ouder en/of grootouder zijn vernoemd. De vernoemingspercentages zijn tot ver in de twintigste eeuw stabiel of zelfs licht stijgend, wat duidt op een diep gewortelde traditie. Een vergelijkbaar resultaat werd eerder ook gevonden in een vernoemingsstudie in de Alblasserwaard en Vijfheerenland over de periode 1820-1940 (zie onder).
Na 1950 dalen de vernoemingspercentages in de eerste voornaam sterk terwijl in 2017 (het laatste jaar waarvoor we de benodigde gegevens hebben) minder dan 1% van de kinderen dezelfde eerste voornaam van een ouder kreeg en 3% van een grootouder. Met variatie is dat slechts enkele procenten meer. Dat betekent overigens niet dat er helemaal niet meer vernoemd wordt, ook de tweede en volgende namen kunnen daarvoor gebruikt worden.

Over de vernoemingstraditie zijn verschillende vragen te stellen die we in een aantal komende bijdragen willen onderzoeken, zoals (1) de geografische verdeling van vernoeming, (2) in hoeverre worden de tweede of derde naam van een kind gebruikt om te vernoemen, (3) is de vaderlijke lijn dominant of juist niet (d.w.z. werden de oudste jongen en meisje naar de ouders van de vader genoemd of de jongen naar de grootvader aan vaderszijde en het meisje naar de grootmoeder aan moederszijde), (4) zijn er regionale verschillen in volgorde van vernoeming, (5) wat is het percentage vernoeming in opeenvolgende kinderen in een gezin, en hoe veranderde dit allemaal in de tijd. We behandelen hier echter eerst nog de fundamentele vraag hoe we vernoeming naar (groot)ouders kunnen vaststellen, en welke gegevens we daarvoor beschikbaar hebben.
Gegevens
Onderzoek naar vernoeming vraagt om een zeer zorgvuldige verzameling van de benodigde gegevens. Voor het vaststellen van vernoeming in de meer recente geschiedenis kunnen we gebruik maken van de ons ter beschikking staande voornaamgegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) waarin de ouder-kind relatie is opgenomen waarmee ook de grootouder-kleinkind relatie is af te leiden. Maar hoe verder terug in de tijd, hoe minder personen er in de digitale BRP zijn opgenomen. Om betrouwbare vernoemingsgegevens te krijgen willen we voor een geboortejaar minstens 10.000 kinderen kennen waarvoor beide ouders of alle vier de grootouders bekend zijn. Daarbij nemen we in een geboortejaar alleen kinderen mee waarvan we kunnen vermoeden dat de gezinnen waarin ze zijn geboren voltooid zijn. Anders zullen we voor de vroegste geboortejaren alleen de eerstgeboren kinderen in een gezin vinden die doorgaans veel vaker vernoemd zijn, wat een vertekend beeld geeft. Het begin van betrouwbare resultaten ligt daardoor in de BRP voor ouders bij 1906 en voor grootouders bij 1960.
In de periode daarvoor is het een stuk lastiger om vernoeming vast te stellen omdat er vanaf 1812 alleen akten uit de burgerlijke stand beschikbaar zijn. Omdat geboorteakten nog niet allemaal zijn gedigitaliseerd kunnen we voor de ouder-kind relatie alleen uitgaan van huwelijksakten met daarin de namen en leeftijden van het bruidspaar (als kinderen) en de namen van hun ouders. De huwelijksakten zijn op kerngegevens gedigitaliseerd (zie www.wiewaswie.nl) en grotendeels beschikbaar tot circa 1940. De geboortejaren van het bruidspaar liggen dan voor 1920, het laatste jaar waarvoor we voor deze gegevens vernoeming kunnen onderzoeken. Wat betreft de vroegste gegevens zullen de bruiden en bruidegoms ruwweg na 1790 zijn geboren (vanaf dat jaar hebben we in ieder geval meer dan 10.000 geboorten per geslacht per jaar), terwijl de namen van hun ouders in de huwelijksakte opgenomen zijn. Voor de voornamen van de grootouders moeten we later in de tijd zijn, want die staan in de huwelijksakten van de ouders die we vanaf 1812 kennen. De kleinkinderen zullen dan pas na het huwelijksjaar 1812 geboren zijn. Door de eis van min of meer voltooide gezinnen starten we de gegevens later, voor vernoeming naar een ouder in 1800 en naar een grootouder in 1830.
Het is niet triviaal om de eigen huwelijksakte van ouders te vinden op basis van de vermelding van hun namen in de huwelijksakten van kinderen. Dat kan alleen met enige zekerheid als er maar één huwelijksakte is met dezelfde identieke voor- en familienamen als die van de ouders in de huwelijksakten van de kinderen.
Door uit te gaan van gehuwde kinderen verliezen we het zicht op vernoeming in overleden kinderen (de kindersterfte was in de 19e eeuw hoger dan 30%). Het was overigens wel gebruikelijk om een volgend kind weer dezelfde, gewenste naam te geven. Ook ongehuwde kinderen verdwijnen bij ons in deze periode uit het zicht. We nemen aan dat de mate van vernoeming hierdoor niet veel wordt beïnvloed.
Variatie
Wanneer is er sprake van vernoeming? We gaan er vanuit dat dat niet alleen het geval is bij dezelfde naam maar ook bij naamvarianten met dezelfde etymologische basis, waaronder roepnamen. Wat wel of niet naamvarianten zijn is niet altijd eenvoudig te bepalen, maar we accepteren variantparen als die in eerder onderzoek gevonden zijn (NAMES-project), of bekende roepnamen zijn (LINK) en controleerden dat nog eens handmatig. Hieronder geven we de top-20 van de meest frequente variantparen tussen (groot)ouders en kinderen voor gegevens die voor 1920 uit de huwelijksakten zijn afgeleid, en na 1970 uit de BRP. De laatste voorbeelden geven inzicht in de moderne vernoeming.


Aantal vernoemingen naar (groot)ouders
Om in staat te zijn om alle vier grootouders te vernoemen moeten er minstens twee jongens en twee meisjes in een gezin zijn geboren. Daaraan zal pas bij grotere gezinnen voldaan kunnen zijn. Wanneer er altijd eerst vernoemd wordt naar grootouders dan zal pas vanaf de derde zoon of dochter een andere keuze gemaakt kunnen worden. Dat zal niet heel snel het geval zijn waardoor al gauw een hoge vernoemingsgraad kan worden bereikt. In gebieden met grote kinderscharen zal het percentage vernoemingen naar (groot)ouders juist lager zijn omdat er ook kinderen naar anderen kunnen zijn vernoemd. Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw nam gestaag af in de 19de en 20ste eeuw, wat mogelijk van invloed is geweest op de stijging die we bij de exacte vernoeming naar grootmoeders zien.
In aanvulling
- Voor Limburg en Zeeuws-Vlaanderen zijn huwelijksakten vanaf 1795 beschikbaar, maar die zijn niet gebruikt om eventuele regionale invloed te vermijden.
- Naast vernoeming naar (groot)ouders is ook vernoeming mogelijk naar ooms, tantes, eerder overleden kinderen, overgrootouders, peetouders, etc. Omdat die familierelaties vaak moeilijk automatisch zijn vast te stellen (of niet bekend zijn), laten we die hier buiten beschouwing. Het totale vernoemingspercentage zal wel nog hoger liggen dan naar (groot)ouders alleen.
Literatuur: Een vergelijkbare studie is in 1998 uitgevoerd voor de Alblasserwaard en Vijfheerenland (1820-1940). We breiden die hier uit voor heel Nederland over de periode 1800-2017. Zie Gerritzen, D., Bloothooft, G., van Poppel, F. en Verduin, J. (1998a), ‘Voornamen in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (1820-1940)‘. Naamkunde, 30, p1-29, en Gerritzen, D., Bloothooft, G., van Poppel, F. en Verduin, J. (1998b), ‘Vernoeming in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (1820-1940)‘. Naamkunde, 30, p153-180. In R.A. Ebeling (1993), Voor- en familienamen in Nederland, geschiedenis, verspreiding, vorm en gebruik, wordt ouder onderzoek na
Laat een reactie achter