Horen, zien, ruiken en proeven

In de roman Nevenwezen keert schrijver Donald Niedekker (1963) terug naar de Zaanstreek waar hij opgroeide: het dorpsdecor van de jaren ’60 en ’70, van kleine middenstanders, weilanden, molens, de rivier en fabrieken. In dat decor woont, observeert en fantaseert ‘de jongen’. Een van de fabrieken is Cacao de Zaan (‘De fijnste, de geurigste, de lekkerste.’). Cacao verbindt de Zaan met West-Afrika, met een andere cultuur, een andere ‘jongen’, die daar met een machete de cacaovruchten in de vorm van rugbyballen (zie omslag) van de bomen hakt. Niedekker schreef al eerder over zijn Zaanse jeugd in het romandebuut Hier ben ik (2002), onder andere over de familie Bruynzeel, en in Als een tijger, als een slak (2015), over zijn jeugdjaren en latere reizen naar het buitenland. Dat wisselend perspectief van het provinciale en het internationale speelt eveneens een belangrijke rol in zowel Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost (2021) als in het nu verschenen Nevenwezen.
Deze roman heeft geen hoofdstukindeling waarin levens beurtelings worden beschreven vanuit een wisselend perspectief, zoals in Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost gebeurt tussen Amsterdam en Nova Zembla. Nevenwezen is een aaneenschakeling van korte scènes ‘Over de tijd’, ‘Over lossen’, ‘Over lezen’, Over… . Naar voorbeeld van Marco Polo in diens De beschrijving van de wereld. Nevenwezen bestaat uit een collage van beelden, indrukken en gebeurtenissen. Sfeerbeelden, met een precieze pen beschreven. Door de intensiteit van de beschrijvingen worden de scènes boven zichzelf, boven de werkelijkheid uitgetild. Niedekker is een woordenfetisjist, die uit een rijk vocabulaire put. Alles wordt heel precies, heel beeldend beschreven. De jongen verzamelt al van jongs af aan woorden in een multomap:
Hij opende de multomap, drukte de blaadjes aan zodat er ruimte ontstond voor het net beschreven vel, duwde met duim en middelvinger twee metalen pinnen aan de onderkant naar elkaar toe zodat de rij ringen met een heldere kling opensprong. Hij legde het blaadje bovenop, hij zou er later een categorie en bijbehorend schutblad voor kiezen. Vervolgens drukte hij de dubbele rij pinnen dicht en de glimmende tanden grepen met een venijnige tik in elkaar. De inhoud veerde omhoog.
Met woorden kan Niedekker greep krijgen op de werkelijkheid om er vervolgens als in een spiegel doorheen te breken naar een andere wereld. Zo krijgt een bezoek aan kapper Pluis welhaast mythische proporties: ‘Kapper Pluis kneep, pfiet-pfiet, in een roze rubberen bolletje, waaraan een dampwolkje ontsnapte, en het wonder was geschied.’ De jongen is na de knipbeurt (bloempotmodel) veranderd in een ‘ventje met een ridicuul kapsel’. Het woord ridicuul had hij, met dank aan zijn woordgevoeligheid, van zijn zus opgepikt. De rijke woordenschat stelt de schrijver in staat de ogenschijnlijk gewone, provinciale, dagelijkse werkelijkheid een extra dimensie te geven. Zo komt de Zaan tot leven: ‘De rivier glinsterde in duizend maal duizend gouden glimlachjes’, ‘De waterscherven blikkerden. Je kon je aan hun kristallen helderte snijden.’ De Zaan is ook: ‘De rivier van molens en fabrieken, van meel, lijnzaad, pernambucohout en brasil, van koffie, zeep, mosterd, cacao, zetmeel, veevoer, de luilussende stroom, wrong zich ter hoogte van de rijstfabriek, in een bocht, waarbij ze zichzelf ontmoette, als wilde ze rechtsomkeert maken of zich in zelfverliefdheid omhelzen.’
Jongen in Parijs
Boven al die gedetailleerde scènes heeft Niedekker een hogere mystieke macht geplaatst. De roman begint met een dialoog tussen twee Azteekse goden, Quetzalcoatl en Xochipilli, die het verhaal vertellen: ‘Waar beginnen we?’ ‘Bij kapper Sluis.’ ‘Zo doen we het.’ Het verhaal zal nu en dan door hun tweespraak worden onderbroken, zoals de rei (koor) in een klassiek toneelstuk uitleg, of commentaar geeft. Aldus verbindt de auteur het decor en de mensen in de Zaanstreek met een mythische geschiedenis die verbonden is met cacao. Los van deze gelaagdheid legt Niedekker, in non-fictie, als chroniqueur van de jaren ’60 en ’70 verbanden met historische gebeurtenissen in de wereldpolitiek met bestaande namen van politieke leiders. Van Willy Brandt tot Julius Nyerere, van Joop den Uyl tot Olof Palme. Mannen die op een andere manier dan de schrijver een andere, betere, mooiere wereld willen creëren, een verandering tot stand willen brengen, een metamorfose.
Het waterwolkje uit de rubberen bol van kapper Pluis wordt in het verhaal gebruikt als moment van decorwisseling. Ineens staat ‘de jongen’ oog in oog met een krokodil. Een andere jongen, in West-Afrika, op een cacaoplantage. De jongen in Afrika is het nevenwezen, evenbeeld, of alter ego van de jongen in de Zaanstreek (al zou je de titel ook kunnen lezen als: twee eenlingen). Het verhaal wordt, behalve door de dialoog der Goden, een aantal keren onderbroken door telkens een tiental bladzijden over de jongen in Afrika, zijn voorvaderen, het woud, de cultuurtradities. Het deel van de migratie van de jongen is verhalend, ondanks de opsplitsing in scènes: ‘Over de overkant’, ‘Over een pick-up’, ‘Over een passage’. Dat geldt tevens voor het deel over het leven van de jongen in Parijs.
Koekjeslucht
Niedekker heeft met Nevenwezen niet gekozen voor een roman over slavernij, of migratie. Al komen de onderwerpen zijdelings ter sprake. De roman leest niet als een lineair verteld verhaal, maar moet het van de stijl hebben in de afzonderlijke fragmenten. Al is er wel degelijk samenhang; de roman is een mozaïek van sfeertekening, geschiedschrijving en (droom)beelden. In een mystieke scène voert Niedekker de kalebas op als symbool van migratie. Volgens de traditie wordt in de kalebas de navelstreng van het kind bewaard, ‘je eerste poep, een melktand, je traan, de nagel van je pink, je eerste baardhaar, een stukje van de yam die je uitspuugde’. Tegen het eind van de roman keert in een mystieke scène een ooievaar na een paar jaar weer terug naar het nest op de abdij in Egmond, waar hij door het gewicht van de meegenomen kalebas van de jongen uit Afrika, van het nest valt. In de kalebas blijkt zich een steen te bevinden die ’s nachts licht geeft.
In de gedetailleerde scènes laat Niedekker de lezer horen, zien, ruiken en proeven. ‘Over geuren en sporen’:
‘In deze streek waar de luchten maaltijden zijn, kon je je op de geuren oriënteren. Volg na het muffe linoleum en de weeë rijstaroma’s het cacaospoor en waar dat overgaat in zurig zetmeel houd daar koers zuidwaarts over de dijk, je zult zeep ruiken, verf, misschien gebrande koffie, net hoe de wind staat, en dan, je nadert een bakstenen fabriekskasteel, beland je bij wijze van finish van je Tour des Odeurs in de volzoete koekjeslucht van Verkade.’
Voelen en proeven, in ‘Over vragen’, over Bazooka:
‘Hij voelde de ribbels van de kauwgompjes door de oranje wikkel heen en duwde het voorste door het glinsterende aluminiumpapier aan de zijkant. Hij liet de witte, iets bolle PK op zijn tong smelten, waarbij de suikerlaag zijn zoetheid prijsgaf en meteen, in een reflex op de smaakprikkel, het zo vaak herhaalde “Niet kauwen” van zijn zus ten spijt, beet hij in het brosse laagje, dat van frisheid knarste en vebrokkelde in mierzoete kleine stukjes, die zich met de taaie kauwgom vermengden.’
Geluiden in ‘Over geel’:
De tennisbaan bleef een verre wereld voor de jongen. Soms, als hij in bed lag, op een warme avond die niet afkoelde, bij windstil weer of een zachte gunstige wind, kon hij door het open raam sterk verzwakt de slagen horen, de heldere pok, waarna een geladen stilte volgde en… pok, weer een tijdje niets, indalende rust, pok, opnieuw een pauze die duurde zodat hij twijfelde of hij niet een slag gemist had, nee… pok, nooit stemmen of een kreet, geroep, alleen een pok gevolgd door een stilte die in een lui zomeravondpartijtje pendelde tussen de twee zijden van het lage net.
Schrijven is ook ritme.
Is de Zaanse jongen een woordenverzamelaar, de Afrikaanse jongen tekent. Dat brengt hem in Parijs bij een tentoonstelling over Monet en Manet, schilders van wie Monet weer een lijntje met de Zaanstreek heeft, waar hij heeft geschilderd. De Zaanse jongen verlaat op een dag de Zaanstreek voor een bezoek aan Parijs, de wereldstad, waar culturen samenkomen en zich vermengen: ‘Op een dag zouden de jongen en de jongen elkaar vertellen van de multomap en de kalebas.’
Donald Niedekker, Nevenwezen, Koppernik, 2026. Bestelinformatie bij de uitgever
Laat een reactie achter