Fabian Stolk heeft op zijn weblog Klasse! een stuk in twee delen geschreven over mijn roman Aan het einde van de oorlog. Hij vertelt trots hoe hij bij het kopen van mijn roman hooghartig het gratis Boekenweekgeschenk afslaat — als je zijn stuk hebt gelezen, denk je onwillekeurig: misschien had hij met dat dunnetje wel meer plezier gehad dan met mijn turf.

Ik ken Fabian Stolk sinds 2008, toen hij me uitnodigde voor een leesclub van neerlandici aan de Universiteit van Utrecht, daar was hij destijds aan verbonden als docent Moderne Nederlandse Letterkunde. Hij was een van de bezorgers van de definitieve editie van de gedichten van Achterberg, over die prachtuitgave hoor je geen kwaad woord van mij. Klaarblijkelijk is hij, anders dan ik, nog altijd een liefhebber van mijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt, dat destijds in die leesclub werd besproken.

Op zijn weblog schrijft Fabian Stolk aan het eind van zijn tweede (!) bijdrage over Aan het einde van de oorlog:
Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort, zelfs als het de bedoeling was dat de lengte van de roman, de duur van de vertelling, een afbeelding zou zijn van dat wat die roman wil betekenen, een afbeelding van waar het in de roman in wezen om gaat.
Schrijf zelf een roman die anders in elkaar is gezet, zou ik zeggen. Dat om te beginnen. Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn romans in elkaar steken en dat hoeft niet iedereen te waarderen, maar de suggestie die van deze woorden uitgaat, dat mijn boek blijkbaar beter zou zijn geworden van een ingreep, zonder dat er ook maar een hint wordt gegeven van wat die ingreep dan zou behelsen, vind ik te verwaand voor woorden. Wat halen mensen zich toch in hun hoofd als ze denken dat ze een roman met een of andere ingreep wel eventjes zullen verbeteren? Ze zijn net voetbalverslaggevers die tegen een speler zeggen: ‘Als je die strafschop aan het begin van de tweede helft niet had gemist, had je een heel andere wedstrijd gehad.’ Inderdaad, een wedstrijd die er nooit is geweest en die er nooit ook zal zijn. We zullen het moeten doen met Aan het einde van de oorlog zoals die roman is — het is ondenkbaar dat dit boek een andere vorm zou hebben, geloof me. Dit is het, er bestaat geen wereld waarin dit boek anders is dan het is en het had dus ook niet anders kunnen zijn.

Erger nog is natuurlijk de wens van Fabian Stolk dat het boek ‘met ongeveer de helft was ingekort’. Dat is een bizar idee, zeker van iemand die zich professioneel met literatuur bezighoudt. Het is net zo stompzinnig als over een schaakwedstrijd beweren dat die beter zou zijn geweest als die ‘met ongeveer de helft was ingekort’.
Er schuilt een simplistische redenering achter, namelijk dat boeken van verschillende omvang alleen in dikte van elkaar verschillen. Dat een dik boek waar je de helft uit haalt ongeveer hetzelfde boek zou opleveren, maar dan dunner. Dat is apekool en dat weet iedereen die ooit een roman heeft geschreven of geredigeerd. Het is alsof je beweert dat Achterberg zijn sonnetten ook wel tot kwatrijnen had kunnen inkorten. En dat hij zijn kwatrijnen had kunnen opblazen tot sonnetten. Het is onzinnig en getuigt van weinig inzicht in het scheppen van een literaire tekst.
Je hebt zeer korte verhalen, korte verhalen, verhalen, lange verhalen, novelles, korte romans, romans, lange romans, tweedekkers, trilogieën en romanreeksen. Daarbij is het niet zo dat je van een zeer kort verhaal door er maar genoeg woorden aan toe te voegen best een trilogie kan maken. Dat je Op zoek naar de verloren tijd van Proust kunt reduceren tot een ZKV van A.L. Snijders. Het zijn niet alleen boeken die verschillen in omvang, in feite behoren ze tot andere genres, het een is geen dunnere of dikkere versie van het ander.
Ik spreek hier ook als een redacteur die weet dat je met de kaasschaaf maximaal 10% van een boek kunt verwijderen, in het geval van Aan het einde van de oorlog zou dat betekenen: vier regels van elke bladzijde schrappen. Ik zou zeggen: probeer het eens, gewoon met een potloodje vier regels van elke bladzijde doorstrepen zonder dat het geheel er onder lijdt, kijken op welk moment je in problemen komt. Stel dat het lukt, dan zou daarmee het boek dus in plaats van op 640 bladzijden uitkomen op 576. Er bestaat een kans dat het geheel dan nog ongeveer hetzelfde zou werken, maar ik betwijfel het. Waarschijnlijk zouden er een paar karakters (dit keer figuurlijk) moeten sneuvelen. Meer dan 10% op deze manier schrappen is sowieso onmogelijk zonder er een geheel ander boek van te maken. Als je de helft wilt schrappen van zo’n complexe en tegelijk strak gecomponeerde roman, gaat dat onherroepelijk ten koste van personages, verhaallijnen en de organisatie. Dus als iemand beweert dat de helft van een boek er wel uit had gekund, spreekt hij over een boek dat niet alleen niet bestaat, maar dat opnieuw helemaal niet kan bestaan. Stel dat mijn uitgever het zou hebben voorgesteld en ik was ervan overtuigd dat het boek niet werkte, dan zou ik in dit geval hebben gezegd: ik schrijf wel een nieuw boek van ca. 320 bladzijden, want dat is minder werk dan hier de helft uithalen, daar heb ik eenvoudigweg de hersencapaciteit niet voor.
Hoe dan ook heeft Fabian Stolk meer dan 3.000 woorden nodig om uit te leggen dat mijn boek te dik is. Had dat niet korter gekund?
Uiteindelijk vindt hij het een te dik, verkeerd in elkaar gestoken, saai en larmoyant geheel. Dat mag. Tegelijk zoekt hij iets wat hij niet zal vinden. Ik licht er een opmerking uit:
De dood van dat op zich onschuldige joch staat waarschijnlijk ook voor wat anders, kan fungeren als spiegel van de totale ellende van de mens.

Hoezo zou de dood van die jongen voor iets anders staan dan de dood van die jongen? Ik aarzel een beetje om Susan Sontag te citeren, want ik schrijf niet voor De Groene, maar laat ik het toch even doen (uit: Against Interpretation, 1964):
The interpreter says, Look, don’t you see that X is really – or, really means – A? That Y is really B? That Z is really C?
En verderop zegt ze:
In a culture whose already classical dilemma is the hypertrophy of the intellect at the expense of energy and sensual capability, interpretation is the revenge of the intellect upon art.
In mijn boek staat gewoon wat er staat, het is geen allegorie, het is geen waarschuwing, al mogen lezers zich vrij voelen om er van alles in te lezen — maar mijn boek wordt niet ‘beter’ door wat anderen erin menen te zien en het is zeker niet zo dat er eigenlijk of waarschijnlijk iets anders wordt bedoeld. Het probleem is: Fabian Stolk weet van te voren eigenlijk al dat hij die bejubelde dikke pil niets zal vinden. Hij weigert zich te laten meeslepen, vat het lezen van mijn boek op als een corvee en leest alleen met zijn hoofd en niet met zijn hart. Dus maakt hij zich druk over het feit dat de kopregeltjes vaak worden gevolgd door een herhaling van de naam die al vetgedrukt staat en soms ook nog de plaats:
KARL IN DE VESTIBULE VAN DE KOMMANDATUR
Terwijl hij in de vestibule staat, hoort Karl hoe…

Op zich aardig dat iemand hierover begint, want zoals opvalt, springt dat kopregeltje uit en niet in. Dat uitspringen betekent voor mij (dit heeft dus wel een ‘diepere’ betekenis): dit regeltje hoort eigenlijk niet bij de tekst, het valt deels buiten de bladspiegel om aan te geven dat het alleen een hulpmiddel is voor de lezer, net zoals de paginacijfers niet bij de tekst horen en bijvoorbeeld ook niet de kopregels in kleinkapitaal die je bovenaan de pagina’s van delen uit Privé-Domein ziet staan, daar denk je ook niet de hele tijd: nu weet ik wel dat ik IK HOUD NOG VEEL VERBORGEN — BRIEVEN aan het lezen ben.

Ik geeft toe dat het subtiel is, maar als ik mijn eigen boek lees, zie ik die kopregels niet eens meer. Voor de correcties heb ik ze speciaal stuk voor stuk gecontroleerd omdat ik er blind voor was. Maar je zou het boek dus zonder die regeltjes ook kunnen lezen: alle informatie die daarin staat, vind je ook in de tekst.
Fabian Stolk meent ook nog dat ik slachtoffers tekort doe:
Alleen de anonieme duizenden, tienduizenden gevangen zijn niet aan deze duiding onderhevig; maar zij komen bijna niet ter sprake en krijgen al helemaal nauwelijks tekst of focalisatie; zij zijn een anonieme massa.
Dit is gewoon flauwekul, Fabian Stolk zit niet op te letten, hij is veel te druk met zich ergeren, want van de 31 in zijn ogen ‘te platte, te kartonnen personages’ die we volgen en op wie ook wordt scherpgesteld zijn er elf gevangenen, meer dan eenderde van de ‘cast’ kortom. Die krijgen dus zoveel reliëf in mijn vertelling, dat het Fabian Stolk niet eens opvalt dat ze deel uitmaken van die ‘anonieme massa’. Daartegenover staan tien SS’ers en een vrouw in dienst van de SS. Ten slotte zijn er nog acht familieleden, omstanders en medeplichtigen, plus één soldaat van het Rode Leger.
Ondanks alles wat ik heb aan te merken op wat Fabian Stolk zegt, moet ik toegeven dat hij gelijk heeft als hij opmerkt:
Het lijkt bij vlagen een kasteel- of een streekroman of iets anders van lowbrowgarnituur.

Dat mijn boek kenmerken heeft van de soapachtige romcoms die UfA (‘Hitlers Hollywood’) in de jaren 1933-1945 produceerde, lijkt me zonneklaar. De romantische komedie Wunschkonzert uit 1940 is een kenmerkend voorbeeld van zo’n nazi-film die me heeft geïnspireerd.
Daarom heb ik van Herbert iemand gemaakt met aspiraties in de filmwereld, hij vergelijkt Christine notabene met ‘Kristina Söderbaum’! Dat ‘blonde stuk’ dat in de typische nazi-speelfilm Opfergang uit 1944 speelt. De speelse scène van hem en Annemarie in de keuken met de ui had zo uit zo’n draak kunnen komen, net als hun slotscène. Ik snap niet dat een lezer wel gaat zitten gissen naar waar de dood van Ernst voor zou kunnen ‘staan’, maar niet deze toch kraakheldere verwijzing naar een genre opmerkt en vervolgens doet alsof hij zo’n verfijnde smaak heeft dat hij kan onthullen dat mijn boek bij vlagen ‘van lowbrowgarnituur’ lijkt.

Het is een hopeloos beroep, schrijver: je geeft aanwijzingen en ze worden niet gezien, je bedoelt er verder niets mee en er wordt een levensfilosofie achter vermoed.
Stolk eindigt zijn bespreking (van een boek dat hij niet eens heeft uitgelezen of -geluisterd, ik zou het niet durven om daar in het openbaar mijn mening over te geven) met de constatering die ik hierboven al citeerde, namelijk dat mijn boek te dik is. Dan volgt de uitsmijter:
De avonden telt toch ook maar 222 pagina’s.
Ja, klopt. Het ligt een beetje aan welke uitgave je hebt, natuurlijk. Mijn nieuwe boek Zonderhond telt slechts 126 pagina’s, maar desondanks zou ik puur op grond van dat feit alleen niet durven beweren dat De avonden te dik is.

Dit stuk verscheen eerder op het weblog van Bert Natter
Hoe dan ook heeft Fabian Stolk meer dan 3.000 woorden nodig om uit te leggen dat mijn boek te dik is. Had dat niet korter gekund?
Hehehehe 🙂
Ik heb het teruggevonden: Maupassants pijlsnelle, compacte verteltrant wordt nog steeds door weinigen geëvenaard. Wat je als schrijver ook te zeggen hebt, is zijn credo, er is maar één woord om dat uit te drukken, er is maar één adjectief om het te benoemen. ‘Il faut donc chercher jusqu’à ce qu’on les ait découverts, ce mot, ce verbe, cet adjectif’. Als je je verhaal niet in pakweg tweehonderd bladzijden of liefst minder kwijt kunt, lukt het ook niet in een trilogie van duizend pagina’s. Langdradigheid is de ergste zonde. De tijd glijdt eenieder door de vingers en er wordt al zoveel geouwehoerd. Springer 2002, p. 143.
oké, maar sfeer wil ook wat… (Sowieso is “wat te zeggen hebben” een slechte raadgeefster.)
Dank, mee eens. Dan gaat het in de breedte ook beter!
“Als je je verhaal niet in pakweg tweehonderd bladzijden of liefst minder kwijt kunt, lukt het ook niet in een trilogie van duizend pagina’s.” Arme De Maupassant, zijn roman Bel-Ami (door dezelfde F. Springer in 2004 ‘een perfect boek genoemd) telt in de Nederlandse vertaling maar liefst vierhonderd bladzijden.
Recensenten aller landen, laat u niet verleiden tot betweterij. Mooie repliek van Bert Natter.
Wat een raar stuk. Structurele argumenten mogen blijkbaar niet. Dat je, als je niet zo gelukkig bent met een gekozen opzet, een andere opzet voor het geestesoog ziet verschijnen, lijkt me een automatisme en in een kritiek adstrueer je daarmee het oordeel.
En verder schrijft een criticus niet voor ijdele auteurs – “Ik bepaal hier nog altijd etc.” -, maar voor lezers.
Een criticus schrijft voor lezers, en precies daarom hoort hij zijn oordeel over de roman als geheel ook te baseren op een complete lezing, of zich daarvan te onthouden. Dat lijkt op een huis beoordelen, terwijl je alleen je voeten aan de deurmat hebt geveegd.
Dat klinkt redelijk, maar is het toch niet. Tussen alleen de deurmat en de kleine hoekjes van de vliering ligt een scala aan mogelijkheden.
Dat is precies mijn punt. Je zult ook die trappen moeten beklimmen en liefst de balken van de vliering bekloppen om iets zinnigs over de grootte van het huis te zeggen. In alle andere gevallen heb je het alleen over vooringenomen mogelijkheden.
Je kunt ook al op de begane grond tot de conclusie komen dat het huis niks voor jou is. En dat zeer beargumenteerd uitleggen. Professionele wijnproevers houden het doorgaans ook bij één slok.
Zeer benieuwd naar Stolks commentaar op “Eindeloos vertier”.
“Eindeloos vertier” telt 1176 bladzijden
Waarschijnlijk had David Foster Wallace ook “heel wat te zeggen”, maar hoe hij tot dit grote aantal bladzijden kwam, kunnen we hem niet meer vragen.
Kijk intervieuws YouTube daar geeft hij antwoord op je vraag.
https://m.youtube.com/watch?v=YRVNTtyqmQA
Bedankt voor de link naar You Tube met David Foster Wallace.
Ik meng me verder niet in deze discussie omdat ik vind dat een auteur vrij is
om de dikte van zijn boek te bepalen.
Een gewone lezer is vrij om een “dikke” roman wel of niet (uit) te lezen, maar een criticus
die een roman niet uitleest, mag zijn woorden zorgvuldiger kiezen.
Zelden laat ik me verleiden tot discussies over mijn boek met mensen die mijn boek niet hebben gelezen en er wel iets van menen te moeten vinden. Voor Fabian Stolk maakte ik een uitzondering, omdat hij toch een eind gekomen was voor hij op ongeveer honderd bladzijden van het eind strandde.
Natuurlijk is de kritiek op mijn boek van Stolk gericht aan lezers en niet aan mij. Maar ik ben toevallig ook een lezer. Over het beste boek dat ik vorig jaar las, Tandenjager, schrijft Fabian Stolk in een ander stuk parmantig dat hij zeven bladzijden voor het eind is gestopt. Gericht aan lezers of niet, die opmerking beschouw ik als een belediging voor Auke Hulst.
Afijn, Gert de Jager zegt hierboven: ‘Structurele argumenten mogen blijkbaar niet. Dat je, als je niet zo gelukkig bent met een gekozen opzet, een andere opzet voor het geestesoog ziet verschijnen, lijkt me een automatisme en in een kritiek adstrueer je daarmee het oordeel.’
Natuurlijk mag iemand mijn boek niet goed vinden, maar ik protesteer tegen het aanmatigende automatisme om daar als criticus een schijnbaar eenvoudige ‘oplossing’ voor te offreren, bijvoorbeeld; met de helft inkorten en anders in elkaar zetten (om het dus die ene lezer naar de zin te maken!). Welke helft moet er precies uit? En hoe moet het boek dan wel in elkaar worden gezet?
Ik sta natuurlijk open voor commentaar als het boek in de redactiefase verkeert, dan luister ik zelfs heel goed naar kritiek, er zijn boeken die ik in die periode met de helft of meer heb ingekookt, maar nu ligt het boek er en heb ik (hoe ijdel!) bepaald dat het is zoals het is, daarmee is de mogelijkheid vervlogen dat het anders zal worden. Het boek heeft zijn definitieve vorm aangenomen. Ik ga er in ieder geval geen gereduceerde versie van bakken. En overigens heb ik er op eigen initiatief al aardig wat scènes uitgehaald, kun je nagaan.
Eerder ging het in het commentaar over het feit dat je in tweehonderd pagina’s alles moet kunnen zeggen wat je te zeggen hebt. Dat lijkt me vooral een inhoudelijk argument, waarbij ik moet denken aan de uitspraak van Francis Bacon: if you can talk about it, why paint it? Als ik kijk naar de boeken die ik persoonlijk als meesterwerken beschouw, komen ze daar allemaal ruim boven, alleen Vallen is als vliegen zit er met 192 bladzijden geloof ik onder.
Misschien ben ik ijdel als het op mijn werk aankomt, maar ik ben van mening dat iemand die mijn boek helemaal niet of niet helemaal heeft gelezen, zoals Stolk (en vermoedelijk iedereen die hier tot nog toe heeft gereageerd) best kritiek mag hebben op mijn (deels) ongelezen boek, maar dat ik ook iets terug mag zeggen op die kritiek, die ik wel heb gelezen.
Waarom zou ik stilzwijgend kritiek op mijn werk van jaren ondergaan en mijn mond moeten houden over iemand die in een paar uurtjes iets formuleert?
‘Structurele argumenten’ aannemen van iemand die niet tot het eind van mijn boek is gekomen, waarom zou ik? En het gaat me ook niet om die argumenten (wat zijn die eigenlijk in dit geval, behalve de constatering dat Stolk zich blijkbaar met mijn boek verveelt?), maar om zijn waanidee dat hij weet hoe het boek met een kwantitatieve ingreep beter was geweest, ofwel doordat ik mijn roman anders in elkaar had gezet.
Ik voel me als ik zoiets lees net Basil Fawlty als zijn vrouw hem opbelt met allerlei dingen waar hij aan moet denken en die hij moet doen en niet vergeten en hij aan het eind van het gesprek zoiets vraagt als: ‘Verder nog iets, lieverd? Moet ik het hotel vijf centimeter naar links verplaatsen?’
Ik ben zomaar een lezer, geen taalkundige. Aan het Einde van de Oorlog vond ik in al zijn gruwelijkheid een steengoed boek, een echte topper. Juist daarom trof me de ellenlange negatieve recensie van Stolk als een mokerslag. Fabian Stolk? Ik heb nog nooit een boek van hem gelezen. Stel je toch eens voor dat Stolk het boek helemaal had uitgelezen, dan was zijn pedante betoog nóg langer geworden.
Bert Natter: je hebt een geweldig boek geschreven. Iedereen zou het moeten lezen. Op de middelbare school zou het, wat mij betreft, zelfs verplichte kost moeten worden.
Benieuwd hoe en of literatuurwetenschappers hierop zullen terugkijken:
1968, Roland Barthes verklaart auteur dood
1996, Tonnus Oosterhoff verklaart plot dood (https://www.groene.nl/artikel/plot-intelligentie)
2026, Bert Natter verklaart lezer dood
Als ik het me goed herinner heeft Jeroen Mettes de lezer al dood verklaard, c.a. 2006. Enfin, om binnen de grenzen van de metafoor te blijven; we zitten ook al sinds 1968 opgescheept met het spook van de auteur. Heel irritant, want spoken zijn ongrijpbaar en schimmig. Daar kun je niks mee beginnen.
(…)sinds 1968 opgescheept met het spook van de auteur. Kunstenaars zien spoken, ik zal het niet ontkennen en niet alleen kunstenaars, alle mensen zien spoken en leven in een ’tunnelego’. Welke bril je ook op heb: je bent het knechtje van je (binnen)brein.
En het buitenbrein staat er bij en kijkt er naar. Wonderlijk.
Ik vind dit een heel ontroerende discussie. Ik heb het idee dat iedereen elkaar huilend om de hals wil vallen, maar dat daar toch te bescheten en verlegen voor is, en daarom maar een stoere smoel opzet. We zijn het allemaal eens, mensen! Want we houden van elkaar! Lieg jezelf niets voor!
:))
Wat vreemd om een roman met een wedstrijd te vergelijken, twee keer zelfs. Als een roman iets niet is, is het een wedstrijd. Want:
-maar 1 speler, de auteur, dus geen tegenpartij die andere zetten doet. Bovendien is er geen scheidsrechter die de regels handhaaft.
-geenszins zich in real time afspelend. Een auteur heeft kans tot herschrijving, inkorten, uitbreiden, verbeteren, ingrijpen… noem maar op.
-Een roman is allesbehalve spontaan. Alle willekeur is buitengesloten, alle toeval kan weggepoetst worden.
Beste Lot,
Ik lees uw reactie nu pas. De verschillen tussen een sportwedstrijd en een roman zijn evident, daar geef ik u groot gelijk in. Ik gebruik de wedstrijd echter twee keer als een metafoor, eerst noem ik de manier waarop sportverslaggevers soms over een voetbalwedstrijd spreken die niet bestaan heeft en waarin een gemiste kans benut zou zijn geweest. Ik doe dit om aan te geven dat in kritieken regelmatig niet over het boek dat er ligt wordt gesproken, maar over een boek dat er in de ogen van de criticus had moeten zijn of kunnen zijn. Ik gebruik de wedstrijd in dit geval dus als een voorbeeld van een feitelijke gebeurtenis die onveranderbaar is en alleen in die zin vergelijk ik een wedstrijd met een roman. Ik had ook een gerechtelijke procedure kunnen nemen waarin uitspraak is gedaan door de Hoge Raad: er is niets meer aan te veranderen, dus het heeft weinig zin om te gaan speculeren over wat een der partijen in een pleidooi naar voren had kunnen brengen om het arrest gunstiger uit te laten vallen.
In het tweede geval doe ik eigenlijk hetzelfde: de schaakpartij is het gegeven, net als de roman en het is natuurlijk mogelijk om vast te stellen dat die partij lang heeft geduurd, te lang naar de smaak van een toeschouwer wellicht, maar dan nog is het niet zo dat er een wedstrijd zou bestaan die anders had kunnen verlopen. Die schaakpartij is de feitelijke gebeurtenis waarover we spreken. Als we gaan gissen naar zetten die niet gedaan zijn, komen we juist los van de wedstrijd waar het om te doen was. Ik zou graag zien dat we dicht bij de roman blijven zoals die er ligt.
Even los van mijn vergelijkingen is de schaakmetafoor minder vergezocht en ongepast dan u misschien denkt, Thomas Rosenboom schreef ooit een prachtig boekje over de manier waarop romans in elkaar zitten en noemde dat Aanvallend spel.
Een citaat (hij komt er diverse malen op terug) waarin Rosenboom het schrijven van een roman vergelijkt met het spelen van schaak en hij ook duidelijk maakt dat er een spontane fase bestaat in het schrijfproces die iets wegheeft van een wedstrijd:
‘Ik trek de parallellie tussen de kunst van het schaken en de kunst van de roman nog iets verder door. Hoe begint de schaker? Hij verlaat de stabiele uitgangsstelling en brengt zo snel mogelijk zijn stukken naar buiten, om een krachtenveld te creëren voor de strijd en de tegenstander onder druk te zetten. Ook de schrijver creëert zo snel mogelijk een krachtenveld door de stabiele aanvangssituatie te verstoren. In dat veld reageert de hoofdpersoon op krachten die op hem inwerken en oefent hijzelf, al reagerend, ook weer kracht uit op zijn tegenstrever. De hoofdpersoon of schaker kan in de kettingreactie de meest verrassende dingen doen, maar iedere beweging blijkt uiteindelijk, binnen de eigen denkwijze en het eigen streven, toch volkomen logisch – een hoofdpersoon die gekke, willekeurige en voor de ontwikkeling van de intrige onnodige dingen doet degradeert het verhaal tot kinderachtige fantasie en neemt alle spanning en vaart eruit weg, net zoals het schaakspel door opzettelijk willekeurige en gekke zetten geen schaakspel meer is maar een kinderachtig, vrijblijvend geschuif met poppetjes dat niemand nog interesseert.’
Ik laat het maar aan andere over om te bepalen of ik vrijblijvend met poppetjes schuif, maar het beeld dat Rosenboom schetst, waarin personages een, wat ik maar even noem, ‘eigen wil’ lijken te bezitten, is voor mij herkenbaar. De meeste van mijn boeken komen tot stand doordat ik ze schrijf alsof ze een spel zijn, met bepaalde regels. Om maar weer een vergelijking te gebruiken: zoals een schilder zichzelf beperkingen oplegt als formaat, materiaal, techniek, medium, pallet.
Met vriendelijke groet,
Bert Natter
Alhoewel ik niet per se val op ‘dikke boeken’ en de spaarzame Maurice Gilliams mijn lieveling in de letteren is, is voor mij de enige relevante vraag: overtuigt het boek in stijl en opzet en originaliteit? Ulysses deed dat, Honderd jaar eenzaamheid, De toverberg, Het geuzenboek, Dis. En Het einde van de oorlog doet dat ook.
Valt er commentaar op die teksten te geven? Ja. Maar de schrijver van het gewraakte boek laat overtuigend zien hoe dat in elk geval niet moet, en niet fair is ook.
Onder de voortreffelijke genomineerde romans voor de Libris Literatuur Prijs is Het einde van de oorlog een boek dat zo nog nooit in de Nederlandse literatuur is geschreven. Even gewaagd als origineel. Stilistisch volstrekt overtuigend. Een boek dat de lezer op alle fronten in beslag neemt. Voor mij kan Bert Natter de prijs niet ontgaan. De ergernissen en muizenissen van Fabian Stolk ten spijt.
Beste Leo,
Veel dank voor deze bijval!
Met hartelijke groeten,
Bert