
Henkjan Honing is een van de interessantste Nederlandse geesteswetenschappers van dit moment – onder andere omdat hij meer geïnteresseerd is in natuur dan in cultuur. Zijn onderwerp is niet zozeer muziek als wel muzikaliteit. Hij schreef een mooi overzichtsartikel in het nieuwste nummer van Current Biology. Volgens hem is dat een fundamentele menselijke eigenschap, iets dat op enkele pathologische gevallen (mensen met hersenletsel of zo) alle mensen delen. Iedereen kan een melodietje herkennen dat ze een paar keer gehoord heeft, ook als het nu een halve noot hoger gespeeld wordt, of een ritme dat iemand op tafel tikt. Met muzikaliteit wordt vaak bedoeld het vermogen om mooi te zingen of op een instrument te spelen – maar daar komen nog allerlei vaardigheden hebben. Amuzikaal, in de zin van niet in staat om in muziek iets anders te horen dan een hoop herrie, is vrijwel niemand
Die basale muzikale kwaliteiten – ritmische patronen herkennen, reageren op melodieën en verwachtingen hebben over timing en toonhoogte – hebben volgens onderzoek baby’s al voordat ze hun eerste woordje zeggen. Dat is een aanwijzing dat het capaciteiten zijn die aangeboren zijn, het product van een lange evolutie. Een andere aanwijzing daarvoor is dat sommige ritmische patronen of soorten van harmonie in heel veel, zo niet in alle, culturen terugkomen.
Waarom die eigenschappen dan precies zijn aangeboren, dat is wat minder duidelijk. Er was al een heleboel voorhanden in onze voorouders, zoals een gevoel voor ritme dat te maken heeft met motorische planning en een oor dat is afgestemd op het horen van toonhoogteverschillen. Maar waarom daaruit dan muziek is geëvloueerd? Volgens Honing had muziek misschien vanaf het begin een sociale functie – muziek bindt nog steeds groepen mensen samen.
Wat Honing in ieder geval verwerpt: het idee dat muziek ontstaan zou zijn als bijproduct van onze taalkundige kwaliteiten; dat muziek een soort taal zonder woorden zou zijn. Veel taalkundigen denken dat natuurlijk graag, en in het algemeen is er volgens Honing een ’taalbias’ in het onderzoek naar cognitie. Iedereen denkt dat alles altijd maar taal is. In het geval van muziek zijn er genoeg bewijzen dat het een aparte capaciteit van de mens is, bijvoorbeeld doordat mensen met afasie vaak nog wel muziek kunnen maken en herkennen en omgekeerd patiënten die door een hersenbloeding amuzikaal worden, vaak nog wel kunnen praten.
Misschien is muziek wel ouder dan taal, schrijft Honing zelfs. In ieder geval komt het voort uit heel oude capaciteiten (zoals die motoriek). En mogelijk heeft de muzikale vaardigheid wel geholpen bij het ontwikkelen van intonatie en klemtoon.
Ik weet niet zeker of we een wedstrijd moeten voeren over wat nu precies het oudste is, in een domein zoals de menselijke evolutie waarover we zo weinig weten (je zou eigenlijk in het brein van een homo erectus willen kijken, maar dat brein is al meer dan 100.000 jaar geleden vergaan). Ik kan me bovendien ook voorstellen dat muziek en taal in onderlinge afhankelijkheid samen geëvolueerd zijn, dat ze gebruik maken van verwante systemen.
Dat zijn interessante vragen. Henkjan Honing heeft ze mogelijk gemaakt.
Ik dacht dat het wel duidelijk was dat taalverwerving begint, in de baarmoeder al, met muziek en klanken en dat je kleine kinderen het allereesrst en ook vrij lang van de muziek van taal moeten hebben, met intonatie en al om de ‘betekenis’ te leren. Voor mij staat dat tenminste als een paal boven water, en daarom is het ook zo jammer dat er voor de allerkleinsten zo weinig met klanken in voorleesteksten wordt gedaan, zo weinig met muziek en met rijmen en ritme. Wat ontnemen we de kleintjes hier allemaal mee!