Nijhoff was twee jaar toen de componist Anton Bruckner (1824-1896) stierf. We kunnen via Delpher gemakkelijk vaststellen, dat Bruckner in zijn sterfjaar ook in Nederland al enige bekendheid had. Een aantal jaren later, in de periode 1910-1916, de jaren waarin Nijhoff begint te dichten, staan Bruckners symfonieën regelmatig op het programma van het Concertgebouworkest. Willem Mengelberg, de toenmalige hoofddirigent van dit Amsterdamse orkest, had niet zoveel op met Bruckners werk: slechts twee maal heeft hij in die periode werken van Bruckner op het programma gezet, en wel de tweede symfonie (9 januari 1913) en de derde symfonie (9 oktober 1913). Het is vooral aan de tweede dirigent, Evert Cornelis, te danken dat het Nederlandse concertpubliek Bruckners symfonieën regelmatig in Amsterdam kon beluisteren. Van 1911 tot 1916 heeft hij de tweede, derde, vierde, zevende en negende symfonie uitgevoerd, sommige meerdere malen.
Nijhoff heeft een aantal van deze uitvoeringen zeker gehoord. Zijn vrouw, Netty Windt, herinnerde zich dat Nijhoff zo vaak mogelijk de Mengelberg-concerten bijwoonde (zie Slijper: 91). Daar zullen naar ik aanneem ook de Bruckner-uitvoeringen onder leiding van Evert Cornelis bij geweest zijn. De figuur van Bruckner heeft Nijhoff tot onderwerp gemaakt van het volgende gedicht, geschreven begin 1916.
Bruckner
1 Een groot verdriet in ’t ernstige profiel
Dat neerwaarts kijkt, en machtelooze handen.
Maar als hij riep, dan daverden de landen,
En was ’t alsof een vuist op aarde viel.5 Wij moeten met den brand der wereld verbranden,
Leven moet ondergaan naar ’t God geviel –
De breede vleugels van een menschenziel
Vliegen zich stuk tegen de harde wanden.
’s Nachts kijken oogen waar het donker scheurt,
10 Stemmen verwaaien wirwar door de boomen.
Een man ligt plat in ’t gras en schreit,
Maar glimlacht als de horizon weer kleurt:
Hij ziet een dag over zijn moeheid komen,
14 Een nieuwen dag, een nieuwen dag van strijd.

Vanaf de eerste regel stelt dit gedicht de lezer voor raadsels. Waarom ziet Nijhoff ‘een groot verdriet’ in Bruckners ‘ernstige profiel’? Waarom dicht hij de componist van negen machtige symfonieën, drie missen, een strijkkwintet enzovoort in de tweede regel ‘machtelooze handen’ toe? Waarom horen we in het tweede kwatrijn dat de wereld moet ondergaan ‘naar ’t God geviel’? En waarom staan de derde en vierde regel van het eerste kwatrijn in de verleden tijd en de rest van het gedicht in de tegenwoordige tijd?
Om met de laatste vraag te beginnen: het grootste deel van het gedicht gaat over Bruckner zoals hij ‘nu’ is. Het ‘groot verdriet’ in de eerste regel is iets van het heden, maar er is een tijd geweest, dat hij zijn stem verhief (‘riep’) en bij een componist betekent dat roepen ongetwijfeld dat zijn muziek uitgevoerd werd. En die muziek van Bruckner, met af en toe veel trompet- en hoorngeschal, ‘daverde’ in veel landen en dan ‘was ’t alsof een vuist op aarde viel.’ (regel 3 en 4) Het grote verdriet in het heden moet dus te maken hebben met het werk waar Bruckner ‘nu’ aan werkt. Het gaat kennelijk niet zoals hij zou willen. Er komt weinig uit zijn ‘machtelooze’ handen, handen die in het verleden muziek creëerden die landen deed daveren en als ‘een vuist op aarde viel’.
Het natte gras
Het tweede kwatrijn maakt Bruckners verdriet duidelijk: hij is bang te sterven en hij denkt aan Openbaring 8: 7 waarin onder veel bazuingeschal van engelen delen van de aarde vergaan en mensen te gronde gaan, zoals God het wil (regel 5 en 6). Een mensenziel probeert aan de dood, aan Gods wil te ontkomen, maar er is geen ontsnappen mogelijk, want de brede vleugels van elke mensenziel ‘vliegen zich stuk tegen de harde wanden.’ (regel 7 en 8) Dit zegt natuurlijk ook veel over het diepe geloof van de zeer katholieke Bruckner, en over zijn godvrezendheid. De angst nu te moeten sterven, veroorzaakt kennelijk het ‘groot verdriet in ’t ernstige profiel’ en maakt zijn handen machteloos.
In het eerste terzine wordt Bruckners nachtelijke angst beschreven, angst die hem echt gek maakt: hij slaapt niet, zijn ogen proberen iets van licht te vinden (‘waar het donker scheurt’, regel 9) en hij hoort stemmen die wirwar door de bomen verwaaien (regel 10). Hij legt zich kennelijk stervensbereid, plat op de grond, in het natte gras en huilt. Een beeld dat Nijhoff ook gebruikt heeft in het gedicht ‘Na een jaar’, het derde gedicht in de bundel De wandelaar.
Bladeren van een boom
In het tweede terzine leeft hij bij het kleuren van de horizon weer op. Een nieuwe dag breekt aan, hij is moe natuurlijk, maar een nieuwe dag maakt het mogelijk te strijden om het werk waar hij mee bezig is, te voltooien. Het ‘groot verdriet’ in de eerste regel, zijn angst het werk waar hij in het nu mee bezig is van God niet te mogen voltooien, blijft voor de lezer voelbaar, maar er is weer een nieuwe dag met hoop, een nieuwe dag om te strijden voor de voltooiing van het werk dat hij onder handen heeft.
Toen Nijhoff dit gedicht schreef, begin 1916, kon hij gebruik maken van de beschrijving van Bruckners leven en werk van Rudolf Louis, verschenen in 1904 in München bij Georg Müller. Louis is duidelijk een groot bewonderaar van Bruckner, noemt hem steeds ‘der Meister’, acht hem geniaal, maar is toch ook openhartig over Bruckners zwakke psyche. Hij lijdt van tijd tot tijd aan ‘Psychische Verstimmungen’ en ‘religiöse Wahnerscheinungen’, en hij heeft een ‘Manie des Zählens’, een manie om alles te tellen: de ramen van een huis, de bladeren van een boom en wat niet al. Zie Louis (1918: 177-178).
Uitgeput
In Louis’ biografie vond Nijhoff onder veel meer de volgende informatie over Bruckners laatste jaren. In 1891 begon Bruckner aan zijn negende symfonie. Zijn gezondheid was toen al uiterst fragiel. Met heel zijn hart verlangde hij deze symfonie te voltooien, maar er was een grote, pijnlijke angst in hem zijn negende onvoltooid te moeten laten. Bruckners religieuze gevoel was diep doordrongen van de dreiging die Christus tot uitdrukking bracht in de gelijkenis van de toevertrouwde talenten (Mattheus 25: 14-30, Lucas 19: 12-27). Ook zijn eigen talenten, zo meende hij, waren een aan hem toevertrouwde taak, door God, zijn Heer, aan hem gegeven om ermee te ‘woekeren’. Hij was ervan overtuigd dat hij verantwoording zou moeten afleggen over het beheer en de vermeerdering van dit goddelijke bezit. En zijn geweten werd nooit volledig bevrijd van de angst dat het hem op een dag zou vergaan als de luie dienaar in de gelijkenis, die door zijn heer in de uiterste duisternis geworpen werd, waar hij zou jammeren en zijn tanden zouden knarsen. Ondanks alle moeite die Bruckner deed om zijn terminale ziekte te overwinnen, is zijn laatste grote wens niet in vervulling gegaan. Zijn negende symfonie bleef onvoltooid: Bruckners leven moest ‘ondergaan naar ’t God geviel’ (regel 6). In het Duits van Louis klinkt Bruckners vergeefse strijd als volgt:
Kämpfen, Ringen, Streben, nimmerermattende Arbeit um den höchsten Preis des irdischen Daseins mit voller Einsetzung höchster Kräfte und ausserordentlicher Fähigkeiten – und schliesslich doch ein Zusammenbrechen kurz vor dem Ziele, ein vorzeitiges Ermatten, noch ehe die zitternde Hand den Siegenkranz hatte fassen können: das war Bruckners Los. (Louis: 179-180)
Strijdend, worstelend, onvermoeibaar streefde hij, met volledige inzet van al zijn krachten en buitengewone gaven, naar het hoogst haalbare in dit aardse bestaan, maar hij stortte vlak voor het bereiken van dit hoge doel volledig in. Nog voordat zijn trillende hand de overwinningskrans had kunnen grijpen, raakte hij totaal uitgeput: dat was Bruckners lot.
Herlevingen
Dit bittere, voortijdige einde vinden we niet in Nijhoffs gedicht, waarin we de dood wel voelen (‘leven moet ondergaan naar ’t God geviel’ (regel 6), maar waarin Bruckner aan het einde toch ‘Een nieuwen dag’ toebedeeld wordt, om verder te vechten om zijn werk te voltooien. Bruckner heeft in dit gedicht een groot verdriet, maar Nijhoff heeft dat verdriet niet ingevuld. De lezer weet uit regel 3 en 4 dat Bruckner daverende werken geschreven heeft, die veel indruk gemaakt hebben (‘als een vuist op aarde viel’), en hij kan slechts vermoeden dat de machteloze handen te maken hebben met de onmacht van de componist om zijn huidige werk te voltooien. Elke nieuwe dag die hem door de strenge God gegeven wordt, doet hem herleven (hij ‘glimlacht als de horizon weer kleurt’) en geeft hem de gelegenheid verder te strijden om het werk af te maken.
‘Herleven’, ‘herboren worden’ is een belangrijk thema in de vijftien gedichten die het eerste deel van de bundel De wandelaar vormen.
Helaas: ondanks deze dagelijkse herlevingen is Bruckners negende symfonie onvoltooid gebleven.
Geraadpleegde literatuur
Boer, Ronald de, e.a. (1997) Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest. Bussum: Uitgeverij Thoth, Amsterdam: Koninklijk Concertgebouworkest
Louis, Rudolf (1918, eerste druk 1904) Anton Bruckner. München: Georg Müller
Klein, Maarten (2025) ‘Eerst “Het licht”, dan “De wandelaar” ’. In: Neerlandistiek (14 februari 2025)
Nijhoff, Martinus (2019) Verzamelde gedichten. Vierde druk. Amsterdam: Prometheus
Schrijvers, Piet H. (1984) ‘Nijhoff en Bruckner’, in De Revisor 11, 50-53
Slijper, Bart (2023) Elk woord ging ademhalen. Het leven van de dichter Martinus Nijhoff. Amsterdam: Prometheus
Laat een reactie achter