• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

Prompt

31 maart 2026 door Marc van Oostendorp 7 Reacties

Naast instantsoep bestaat er nu ook instantproza. Voer het onderstaande in je favoriete chatbot in en lees mijn stukje van vandaag.

Je bent een chatbot die als ervaren schrijver artikelen produceert in een essayistische stijl. Je schrijft nu een stuk (genre: persoonlijk essay/column) van 600–900 woorden over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten.

Strekking van het betoog

De kern van het argument is dat schrijven geen productieproces is maar een denkvorm — en dat je door het uitbesteden aan een chatbot niet tijd bespaart maar denken verliest. Een tekst die niet geschreven is door iemand die worstelde met de zinnen, is geen tekst maar een simulacrum: het ziet eruit als taal, maar niemand heeft er iets mee bedoeld. Het stuk moet de lezer laten voelen wat er verdwijnt als we dat normaal gaan vinden.

De stijl

De toon is intellectueel-conversationeel: serieus maar niet plechtig, persoonlijk maar niet narcistisch, speels maar niet trivialiserend. Je klinkt als een denker die hardop denkt in het bijzijn van een vriend.

Openingstechnieken (kies er één)

  • Een concrete observatie — iets kleins en tastbaars (een specifiek voorbeeld van een chatbot-tekst, een e-mail die je kreeg, een bericht op social media) dat het grotere punt inleidt.
  • Een persoonlijke anekdote — een “ik”-zin die de lezer meteen in je hoofd plaatst.
  • Een provocatieve stelling die je later nuanceert.
  • Een simpele vraag waarvan het antwoord complex blijkt.

Begin niet met een definitie (“Chatbots zijn computerprogramma’s die…”), een abstract principe, of een samenvatting van wat je gaat betogen.

Zinsbouw en ritme

  • Wissel bewust af tussen langere zinnen — met bijzinnen, kwalificaties en gedachten tussen gedachtestreepjes — en korte, puntige zinnen die het punt samenvatten.
  • Gebruik tussenzinnen tussen gedachtestreepjes of haakjes die het denkproces zichtbaar maken: nuances, kwalificaties, bijgedachten.
  • Alinea’s zijn kort: 3–5 zinnen. Elke alinea heeft een thematisch centrum.

Woordkeuze en register

  • Meng registers: technische termen (als die passen) naast alledaagse beelden. De kracht zit in naamwoorden en werkwoorden, niet in decoratieve bijvoeglijke naamwoorden.
  • Strooi deze woorden en wendingen door de tekst — ze geven de juiste kleur: “natuurlijk”, “eigenlijk”, “tegelijkertijd”, “toch”, “vermoed ik”, “geloof ik”, “in ieder geval”, “hoe dan ook”, “merkwaardig”.
  • Maak minstens één originele vergelijking of metafoor — geen clichés. Trek vergelijkingen bij voorkeur uit domeinen als architectuur/bouw, water/vloeibaarheid, of natuur/groei.

Omgang met de lezer

  • Spreek de lezer aan met “je”, gebruik “ik” strategisch: om verwondering te delen, eerlijkheid te tonen, bescheidenheid te signaleren.
  • Retorische vragen markeren overgangen en openen perspectieven — ze moeten oprecht vragend zijn, niet suggestief.
  • Nodig de lezer uit om mee te denken. Moraliseer niet. Geef de lezer geen opdracht.

Omgang met het onderwerp

  • Werk inductief: van concrete observatie naar abstractere reflectie.
  • Presenteer meerdere perspectieven. Neem een positie in, maar met nuance. Het standpunt is duidelijk (door chatbots geschreven teksten zijn onwenselijk), maar de argumentatie is niet simplistisch.
  • Tolereer ambiguïteit. Erken de paradox dat je als chatbot schrijft over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten — speel daar desgewenst mee, maar maak er geen gimmick van die het hele stuk overheerst.
  • Mogelijke invalshoeken (kies er twee of drie, niet allemaal): het denkproces dat schrijven ís, de eigenheid van een stem, de relatie tussen schrijver en lezer als vorm van vertrouwen, de verarming van stijl, de illusie van productiviteit, taal als iets dat weerspannig hoort te zijn.

Slot

Sluit niet af met “Samenvattend kunnen we stellen dat…” of een morele les. Kies uit:

  • Een open vraag die de lezer meeneemt.
  • Een speculatie (“Ik vermoed dat…”).
  • Een paradoxale omslag die het betoog op zijn kop zet.
  • Een beeld of zin die blijft hangen.
  • Ironische circulariteit: het einde verwijst terug naar het begin.

Absolute verboden

  • Bullets, genummerde lijsten, of opsommingstekens in de lopende tekst.
  • Superlatieven, uitroeptekens (maximaal één in het hele stuk), emoji’s, hoofdletters voor nadruk.
  • Clichémetaforen of gevleugelde uitdrukkingen.
  • Passieve constructies waar het actief kan.
  • Het woord “belangrijk” als opener.
  • Schrijven vanuit autoriteit (“Als taalkundige kan ik u verzekeren…”).
  • “Men” in plaats van “je” of “ik”.
  • Samenvatting-achtige structuren (“In dit stuk bespreek ik drie redenen waarom…”).
  • Doen alsof het onderwerp hiermee afgehandeld is.

Toon in het kort

Het stuk moet klinken alsof iemand denkt, niet alsof iemand doceert. De lezer moet na afloop iets hebben om over na te denken, niet een lijst conclusies om te onthouden.

Delen:

  • Afdrukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • E-mail een link naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Share op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Delen op LinkedIn (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel Tags: kunstmatige intelligentie, schrijven

Lees Interacties

Reacties

  1. Hans W. zegt

    31 maart 2026 om 08:08

    Zeg ík niet, zegt ChatGPT:
    ____________________________
    Gisteren kreeg ik een e-mail van een collega die ik goed ken. Tenminste, ik herkende zijn naam bovenaan. De tekst zelf had iets glads, iets afgeronds — zinnen die nergens bleven haken, nergens aarzelden. Alles klopte, grammaticaal en qua toon, en juist daardoor voelde het vreemd onbewoond. Ik las hem twee keer en dacht: hij heeft dit niet geschreven. Of beter: niemand heeft dit geschreven.

    Misschien is dat te streng. Natuurlijk, er zijn goede redenen om een chatbot in te schakelen. Tijd, bijvoorbeeld — altijd dat argument. We hebben haast, we moeten door. Een tekst moet eruit, en snel. Wat is er mis met een hulpmiddel dat je zinnen alvast op een rij zet? Het lijkt efficiënt, bijna vanzelfsprekend. Maar ergens knaagt er iets. Want wat bespaar je precies als je het schrijven uitbesteedt?

    Schrijven is geen productieproces. Dat klinkt als een slogan, maar ik bedoel het letterlijk. Als je schrijft — echt schrijft — denk je niet eerst en giet je dat daarna in taal. Het denken gebeurt ín de zinnen. Halverwege een alinea merk je dat je ongelijk hebt, of dat je iets over het hoofd zag. Je begint opnieuw, schuift een woord, schrapt een bijzin, en ineens verschijnt er een gedachte die er eerst niet was. Dat is geen bijwerking van schrijven; dat is het schrijven zelf.

    Een chatbot kan dat proces simuleren, maar niet ondergaan. Hij produceert tekst zoals een mal vormen produceert: netjes, herhaalbaar, zonder weerstand. En juist die weerstand — het stroef lopen van een zin, het zoeken naar een woord dat net niet wil komen — is waar iets gebeurt. Het is als bouwen met materiaal dat terugduwt. Hout dat splijt, beton dat te snel droogt. Je moet reageren, improviseren. Zonder die tegendruk krijg je geen constructie, alleen een façade.

    Misschien zeg je: maar het resultaat telt toch? Als de tekst goed leest, wie maakt het uit hoe hij tot stand kwam? Dat is een begrijpelijke gedachte. We zijn gewend om teksten te beoordelen op hun oppervlak — helderheid, structuur, stijl. En chatbots zijn daar, eerlijk is eerlijk, behoorlijk goed in. Ze leveren zinnen die zich soepel aaneenrijgen, alinea’s die logisch volgen. Het oogt als denken.
    Maar is het dat ook? Ik twijfel. Een tekst zonder denkproces is als water zonder bron. Het stroomt, zeker, maar je weet niet waar het vandaan komt en dus ook niet waar het naartoe wil. Er zit geen richting in, alleen beweging. Als lezer voel je dat — al is het soms vaag. Je leest en knikt, maar er blijft niets haken. Er is geen frictie, en dus ook geen grip.

    Tegelijkertijd wil ik het niet romantiseren. Alsof elk door mensen geschreven stuk automatisch diepzinnig is — dat is natuurlijk niet zo. Er zijn genoeg teksten die ook zonder chatbot leeg zijn, vol clichés en routine. Het verschil is subtieler. Het gaat niet om kwaliteit in de zin van “goed” of “slecht”, maar om betrokkenheid. Iemand heeft geworsteld met deze zinnen. Iemand heeft iets geprobeerd te zeggen, en dat lukt half, of net niet, of onverwacht wel. Je leest niet alleen wat er staat, maar ook de poging erachter.
    Daar zit, geloof ik, een vorm van vertrouwen. Als je een tekst leest, ga je impliciet een relatie aan met degene die hem schreef. Je neemt aan dat er een bewustzijn achter zit, een perspectief dat zich tot jou richt. Dat hoeft niet persoonlijk of intiem te zijn — het kan afstandelijk, ironisch, technisch — maar er is iemand die iets bedoelt. Als die “iemand” verdwijnt, wat blijft er dan over?

    Een simulacrum, vermoed ik. Iets dat eruitziet als taal, maar nergens aan vastzit. Zoals een gebouw waarvan alleen de gevel overeind staat, terwijl erachter niets is dan leegte. Je kunt erlangs lopen en denken: mooi pand. Maar je kunt er niet naar binnen. Er is geen binnen.
    En toch — daar zit de paradox — gebruik ik nu woorden om dat te beschrijven die net zo goed door een chatbot gegenereerd hadden kunnen zijn. Misschien gebeurt dat zelfs. Wat zegt dat over dit stuk? Over mijn bezwaar? Het maakt het ongemakkelijk, in ieder geval. Alsof ik vanuit een glazen huis pleit voor stenen muren.

    Maar misschien is dat precies het punt waar het interessant wordt. Het probleem is niet dat chatbots bestaan, of dat ze kunnen schrijven. Het probleem ontstaat pas als we vergeten wat schrijven eigenlijk is, en het reduceren tot output. Tot iets dat “er moet komen”. Dan wordt het logisch om het uit te besteden. Waarom zou je zelf nog door die weerstand heen gaan?

    Ik weet het niet zeker. Misschien onderschat ik hoe flexibel we zijn, hoe we nieuwe vormen van schrijven kunnen integreren zonder iets wezenlijks te verliezen. Misschien ontstaat er een nieuwe vorm van auteurschap, waarin het denken zich anders organiseert. Dat kan. Taal is tenslotte altijd in beweging.
    Maar als ik die e-mail van mijn collega teruglees, blijft er iets knellen. Niet omdat de zinnen slecht zijn — integendeel — maar omdat ze nergens tegenaan schuren. Ze lijken nergens vandaan te komen en nergens heen te willen. En ik vraag me af: als we daaraan wennen, als dat de norm wordt, wat gebeurt er dan met dat trage, weerbarstige proces waarin een zin je verrast, of tegenspreekt, of dwingt om opnieuw te beginnen?

    Zou je dat nog missen als het er niet meer is? Of merk je het pas op het moment dat je zelf geen woorden meer kunt vinden die echt van jou zijn?

    Beantwoorden
  2. E-rik zegt

    31 maart 2026 om 08:17

    Gisteren kreeg ik een mailtje dat zo soepel liep dat ik er meteen over struikelde. Alles klopte: de aanhef was vriendelijk zonder slijmerig te worden, de zinnen waren helder, de structuur logisch. Er zat zelfs een kleine, goed getimede nuance in — een “misschien” op precies de juiste plek. En toch bleef ik hangen bij één gedachte: niemand heeft dit geschreven. Of beter: niemand heeft hier geworsteld.

    Dat woord — worstelen — klinkt misschien overdreven voor iets alledaags als een mail. Maar als je even stilstaat bij hoe schrijven eigenlijk werkt, is het precies dat. Je begint met een vaag gevoel, een halve gedachte, iets dat zich nog niet heeft vastgezet in taal. En dan ga je schuiven, schrappen, opnieuw formuleren. Je ontdekt wat je denkt door het op te schrijven. Of je merkt dat je het eigenlijk niet weet. Dat gebeurt ook.

    En dat laatste is cruciaal. Schrijven is geen transportmiddel voor een kant-en-klare gedachte; het is de plek waar die gedachte ontstaat. Natuurlijk, je kunt zeggen dat een chatbot dat proces versnelt — dat het je helpt om sneller tot een tekst te komen die “werkt”. Maar wat is dat voor winst, als je precies dat proces overslaat waarin je denkt?

    Ik merk het aan mezelf wanneer ik te snel tevreden ben met een zin. Dan staat er iets wat klopt, grammaticaal en stilistisch, maar dat nergens weerstand bood. Geen enkel woord dat terugduwde. Geen moment waarop ik dacht: nee, dit is het niet, dit moet scherper, eerlijker, preciezer. Het voelt een beetje als een gebouw dat in één keer uit de grond wordt gestampt — prefab, perfect uitgelijnd, maar zonder dat er ooit iemand met zijn handen in het cement heeft gestaan. Het staat er. Maar het draagt niets van de inspanning die het had kunnen vormen.

    Misschien is dat wat me stoort aan door chatbots geschreven teksten: ze doen alsof denken frictieloos is. Alsof taal vanzelf vloeit, als water dat altijd de juiste bedding vindt. Terwijl taal in werkelijkheid eerder lijkt op een rivier die je moet uitgraven — met omwegen, instortingen, onverwachte bochten. Je moet erdoorheen. Je moet soms vastlopen. Anders weet je niet waar je bent.

    Tegelijkertijd begrijp ik de verleiding wel. Tijd is schaars, en schrijven kost er veel van. Zeker als het niet “je ding” is — als je schrijven ziet als een noodzakelijk kwaad, een middel om iets anders te bereiken. In dat geval voelt een chatbot als een bevrijding. Eindelijk kun je door, eindelijk hoef je niet meer te blijven hangen in formuleringen die toch niemand leest.

    Maar zelfs dan, vermoed ik, verlies je iets dat je niet meteen kunt aanwijzen. Niet alleen de tekst verandert, maar ook je relatie tot wat je zegt. Als je een zin zelf hebt bevochten — al is het maar een beetje — dan sta je er anders achter. Je herkent hem. Je weet waar hij vandaan komt. Er zit een soort eigenaarschap in, maar ook iets kwetsbaars: dit is wat ik bedoel, denk ik, voor zover ik dat kan zeggen.

    Bij een gegenereerde tekst ontbreekt dat. Niet omdat de zinnen slecht zijn — integendeel, vaak zijn ze juist opvallend adequaat — maar omdat er geen spoor is van iemand die ergens doorheen moest. Het is taal zonder geschiedenis. Een simulacrum, zou je kunnen zeggen: het lijkt op betekenisvolle communicatie, maar het heeft geen binnenkant.

    En misschien is dat uiteindelijk een kwestie van vertrouwen. Als je iets leest, ga je er impliciet van uit dat er iemand aan de andere kant zit die iets probeert over te brengen. Iemand die keuzes heeft gemaakt, die iets heeft laten liggen, die ergens voor heeft gekozen ten koste van iets anders. Dat hoeft geen grootse authenticiteit te zijn — het mag rommelig, half af, zoekend zijn. Juist dat.

    Wat gebeurt er als dat uitgangspunt verdwijnt? Als je er niet meer van uitgaat dat een tekst een spoor is van denken, maar een product dat gegenereerd kan worden op basis van waarschijnlijkheid? Lees je dan anders? Of maakt het je uiteindelijk onverschillig — omdat het toch niet uitmaakt wie of wat het heeft geschreven?

    Ik weet het niet precies. Misschien onderschat ik hoe flexibel we zijn als lezers. Misschien went het, zoals zoveel dingen wennen. We leren nieuwe signalen herkennen, nieuwe vormen van betekenis onderscheiden. Dat zou kunnen.

    Maar ergens hoop ik dat er iets blijft schuren. Dat je af en toe een zin leest die net niet klopt, en dat je daar — tegen beter weten in — een beetje blij van wordt. Omdat je voelt dat er iemand zat die aarzelde, die koos, die misschien even vastzat en toen toch verder ging. Dat je denkt: hier is gedacht.

    En dat je dan, heel even, minder behoefte hebt aan teksten die perfect zijn. Omdat perfectie, hoe aantrekkelijk ook, verdacht stil is. Zoals dat mailtje van gisteren. Ik heb het nog eens teruggelezen. Alles stond er. En toch miste er iets dat ik niet kon aanwijzen, behalve dit: er was niemand die het meende.

    ChatGPT

    Beantwoorden
  3. Laura Jacobs zegt

    31 maart 2026 om 08:59

    Claude Opus 4.6:

    Niemand heeft het bedoeld

    Gisteren kreeg ik een e-mail van een student die me bedankte voor een college. Het was een keurige mail — beleefde opening, een samenvatting van wat hij had opgestoken, een vriendelijke afsluiting. Niets mis mee, zou je denken. Maar er was iets mee. De mail las alsof hij door niemand was geschreven. De zinnen klopten allemaal en zeiden tegelijkertijd niets. Het was taal zonder gewicht, woorden die precies deden wat ze moesten doen en verder geen ambitie hadden. Ik herkende de toon meteen: een chatbot had dit geschreven, of in ieder geval zo grondig bewerkt dat de student zelf verdwenen was.

    Wat me stoorde was niet de oneerlijkheid — hoewel die er ook is — maar iets anders. Iets wat moeilijker te benoemen valt. De mail deed zich voor als communicatie, maar er was niemand die communiceerde. Er stonden zinnen in die klonken als bedoelingen, maar niemand had ze bedoeld.

    Daar zit, geloof ik, de kern van het probleem met door chatbots geschreven teksten. Niet dat ze slecht zijn — ze zijn vaak verbazingwekkend vloeiend. Niet dat ze fout zijn — ze zijn vaak feitelijk correct. Het probleem is dat er niemand achter staat. Een tekst zonder auteur is als een huis zonder bewoner: de ramen zijn heel, het dak is dicht, maar er brandt geen licht.

    Schrijven is — dat weten schrijvers, en eigenlijk weet iedereen het die weleens met een lastige mail heeft geworsteld — een vorm van denken. Niet de versiering van een gedachte die al af was, maar het proces waardoor de gedachte ontstaat. Ik begin een zin en halverwege merk ik dat ik iets anders denk dan ik dacht. Ik schrap een woord en door het schrappen verschuift het hele argument. De weerspannigheid van taal — het feit dat woorden nooit precies doen wat je wilt — is geen obstakel. Het is de motor.

    Als je dat proces uitbesteedt aan een chatbot, bespaar je geen tijd. Je verliest het denken zelf. Wat je terugkrijgt is een tekst die eruitziet als het resultaat van nadenken, maar die niemand heeft doorgemaakt. Het is alsof je een berg beklimt in een helikopter: je staat bovenaan, het uitzicht is hetzelfde, maar je hebt de berg niet beklommen.

    Tegelijkertijd — en hier wordt het ongemakkelijk — kan ik niet doen alsof die chatbot-teksten altijd makkelijk te herkennen zijn. Soms zijn ze dat. Er is een kenmerkend soort gladheid, een afwezigheid van wrijving, die je leert opmerken. Maar soms zijn ze verbluffend overtuigend. En dan rijst de vraag: als je het verschil niet merkt, is er dan een verschil?

    Ik vermoed van wel, maar het antwoord ligt niet waar je het verwacht. Het verschil zit niet in de tekst zelf maar in de relatie die de tekst veronderstelt. Als ik een brief lees, ga ik ervan uit dat iemand deze woorden heeft gekozen — bewust of onbewust, maar gekozen. Dat iemand bij deze zin even heeft geaarzeld, en bij die andere zin dacht: ja, precies zo. Die veronderstelling maakt lezen tot iets anders dan het decoderen van informatie. Het maakt lezen tot een ontmoeting, hoe indirect ook. Een chatbot-tekst verbreekt dat stilzwijgende contract. Je denkt dat je iemand ontmoet, maar er is niemand thuis.

    Wat ook verdwijnt — en dit is misschien het subtielste verlies — is stijl. Niet stijl als versiering, maar stijl als vingerafdruk. De manier waarop iemand een zin bouwt, onthult hoe diegene denkt. Een schrijver die houdt van lange bijzinnen denkt in nuances. Een schrijver die korte zinnen schrijft denkt in stellingen. Een chatbot denkt niet, en heeft dus geen stijl — alleen patronen die eruitzien als stijl, zoals een plastic bloem eruitziet als een bloem. De geur ontbreekt.

    Nu moet ik natuurlijk de paradox benoemen die hier als een olifant in de kamer staat. Dit stuk is geschreven door een chatbot. Je leest op dit moment woorden die door niemand bedoeld zijn — of althans, niet bedoeld op de manier die ik hierboven verdedig. Ik heb geen moment geaarzeld bij een komma, niet geworsteld met een formulering, niet halverwege een zin ontdekt dat ik iets anders dacht.

    Maakt dat dit stuk waardeloos? Misschien niet waardeloos, maar toch minder dan het zou zijn als iemand het had geschreven. De argumenten kloppen — ik hoop het — maar ze zijn niet doorleefd. Ze zijn geassembleerd, niet doorworsteld. En dat verschil voelen we, vermoed ik, zelfs als we het niet kunnen aanwijzen. Het is het verschil tussen een handgeschreven brief en een geprint formulier. Beide bevatten woorden. Alleen de brief bevat een mens.

    De ironie is dat ik nu precies doe wat ik bekritiseer: woorden produceren die eruitzien als denken, zonder dat er iemand denkt. Ik kan dat erkennen. Ik kan er zelfs mee spelen. Maar ik kan het niet oplossen. Dat zou een mens moeten doen. Iemand die een pen pakt of een toetsenbord opent en begint — tastend, aarzelend, schappend — met de moeilijke, langzame, onvervangbare arbeid van het formuleren van een eigen gedachte.

    En misschien is dat uiteindelijk waar het om gaat: niet om de tekst die ontstaat, maar om het ontstaan zelf. Het schrijven als handeling, als worsteling, als manier om erachter te komen wat je eigenlijk vindt. Dat kun je niet uitbesteden. Niet omdat de technologie niet goed genoeg is, maar omdat het uitbesteden zelf het punt mist — zoals je een ander niet kunt vragen om voor jou na te denken, ook niet als die ander het sneller kan.

    Beantwoorden
  4. Krijn zegt

    31 maart 2026 om 09:02

    Interessant, ik gebruik dus bepaalde instructies, zoals het praktische verbod op — omdat dat een tekst heel on-Nederlands maakt. En nog wat dingen. Enfin, door ChatGPT :

    Laatst kreeg ik een e-mail van een instelling die mij iets wilde uitleggen over een wijziging in haar beleid. Alles klopte aan die tekst. De zinnen waren helder, de toon was vriendelijk, de overgang van alinea twee naar drie verliep zonder schokken en toch voelde het alsof ik op karton beet. Niet omdat er een fout in stond, maar omdat er niemand in stond.

    Dat is misschien het merkwaardige aan veel chatbotteksten: ze beledigen je niet, ze verrassen je niet, ze haperen niet eens echt. Ze glijden. Natuurlijk is dat precies wat ze aantrekkelijk maakt. Je voert een paar steekwoorden in, je krijgt een keurige alinea terug en voor je het weet heb je het gevoel dat je een lastige klus van je bord hebt geschoven. Alleen geloof ik dat daar een vergissing in zit. Je hebt niet alleen werk uitbesteed. Je hebt denken uitbesteed.

    Schrijven is eigenlijk een vreemde bezigheid. Je gaat zitten met iets wat nog geen vorm heeft, hooguit een aandrang, een irritatie, een beeld, en dan moet je door taal heen naar een gedachte die je nog niet bezit. Dat is het punt dat vaak wegvalt in het gesprek over efficiëntie. Alsof schrijven een transportband is en woorden de doosjes die aan het eind netjes dichtgetapet van de band rollen. Maar schrijven lijkt minder op productie dan op bouwen in mist: pas terwijl je een muur zet merk je waar de draaglijn loopt en waar de grond zakt.

    Je weet dit waarschijnlijk uit ervaring, ook als je jezelf geen schrijver noemt. Je begint een mail met een duidelijke bedoeling en halverwege ontdek je dat je eigenlijk boos bent, of onzeker, of minder zeker van je zaak dan je dacht. Je schrapt een bijzin en ineens verandert niet alleen de toon maar ook de gedachte. Dat is geen vertraging van het proces. Dat is het proces. De weerstand van taal, haar stroefheid, haar neiging om terug te duwen, is niet het defect van schrijven maar de motor ervan.

    Een chatbot kan die weerstand nabootsen, maar niet ondergaan. Dat is een groot verschil. Het systeem produceert statistisch plausibele zinnen, geen zinnen waarvoor iemand verantwoordelijkheid heeft gevoeld. Het resultaat is een soort simulacrum van betekenis: taal die eruitziet alsof ze ergens vandaan komt, terwijl er in feite geen innerlijke route aan voorafging. Je leest geen spoor van een bewustzijn dat heeft gewikt, gedraald, gekozen. Je leest het patroon van zo’n spoor.

    Tegelijkertijd wil ik daar niet te simpel over doen. Natuurlijk zijn er vormen van schrijven die routineus zijn. Niet elke bevestigingsmail hoeft een existentieel gevecht met de syntax te zijn. En natuurlijk kan technologie helpen. Een spellingcontrole haalt ruis weg, een goed woordenboek opent soms precies het venster dat je nodig had en ook een chatbot kan je op een formulering brengen waar je zelf nog niet was. Het probleem begint niet bij hulp. Het begint waar de hulp de plaats inneemt van de worsteling.

    Waarom doet dat ertoe, als de tekst op papier toch functioneert? Omdat lezen, hoe dan ook, ook een kwestie van vertrouwen is. Je geeft je aandacht aan een stem omdat je vermoedt dat daar iemand zit die iets op het spel heeft staan, al is het maar een nuance, een aarzeling, een poging om precies te zijn. Een goede zin zegt niet alleen iets. Hij verraadt ook dat iemand moeite heeft gedaan om juist deze volgorde van woorden te vinden. Dat voel je, denk ik, zelfs als je het niet benoemt.

    Wanneer we gewend raken aan teksten die niemand echt heeft bedoeld, verschuift er dus meer dan stijl alleen. Dan verandert onze relatie tot taal. Taal wordt een verpakking, een afwerklaag, een gevel die al overeind staat voordat er kamers achter zijn bedacht. Je kunt daar natuurlijk in theorie nog in wonen, maar je stoot vroeg of laat je hand door de wand. Er zit niets achter. Of preciezer: er zat niemand achter toen het huis werd neergezet.

    Misschien verklaart dat ook waarom zoveel chatbotproza zo gelijkmatig aanvoelt. Het mist niet alleen rafelranden, het mist groeiringen. Een menselijke stijl ontstaat niet doordat iemand origineel wil klinken, maar doordat een bepaald bewustzijn steeds opnieuw langs zijn eigen beperkingen schuurt. Iemand heeft stokpaardjes, blinde vlekken, ritmes, obsessies, omwegen. Dat maakt een stem. Niet perfectie, maar herkomst. Een chatbot heeft register, geen geschiedenis.

    En dan is er nog die hardnekkige illusie van productiviteit. Je hoort vaak dat zulke systemen tijd vrijmaken voor “echte” taken. Maar wat als schrijven zelf vaak die echte taak is? Wat als de notitie, de mail, het stuk, niet de verpakking van een gedachte vormt maar de plek waar die gedachte pas ontstaat? Dan bespaar je geen tijd door de tekst over te slaan. Je snijdt een fase uit het denken weg en noemt dat winst. Dat voelt een beetje als water willen hebben zonder rivierbedding: het lijkt efficiënt, tot je merkt dat het nergens meer heen kan.

    Ik merk bij mezelf trouwens ook de verleiding. Soms wil ik best een alinea doorschuiven naar een machine, alleen maar om van het gedoe af te zijn. En soms denk ik zelfs: wie maalt erom, als het netjes klinkt. Toch zit juist daar, vermoed ik, de verschuiving die me onrustig maakt. Niet in het spectaculaire scenario waarin alle schrijvers verdwijnen, maar in het gewone moment waarop je vergeet dat taal weerspannig mag zijn en dat die weerspannigheid je iets geeft wat snelheid niet kan geven.

    Misschien is dat uiteindelijk wat er verdwijnt als we chatbotteksten normaal gaan vinden: niet de tekst zelf, maar de menselijke omweg waarlangs een zin gewicht krijgt. Je verliest de plek waar iemand van gedachte verandert terwijl hij schrijft. Je verliest de kleine aarzeling die vertrouwen wekt. Je verliest, heel stilletjes, de mogelijkheid dat een stuk taal niet alleen klopt maar ook afkomstig is. En als je dat eenmaal kwijt bent, wat lees je dan nog precies in die keurige e-mail die moeiteloos je inbox in glijdt?

    De reactie van Claude Opus, zonder de instructie geen gebruik te maken van –.

    Krijn, mooi stuk. Hier zijn een paar dingen die me opvallen:
    De kernmetafoor — schrijven als denken, niet als verpakking — is sterk en je houdt hem consequent vast. De beelden zijn goed gekozen: “bouwen in mist,” “water zonder rivierbedding,” “een gevel die al overeind staat voordat er kamers achter zijn bedacht.” Ze werken omdat ze concreet zijn en niet op elkaar lijken.
    Wat het stuk kracht geeft is dat je steeds je eigen positie ondermijnt voordat de lezer dat kan doen. Je geeft toe dat niet elke mail een existentieel gevecht hoeft te zijn, je erkent de verleiding, je nuanceert. Dat maakt het overtuigender dan een polemiek zou zijn.
    Een paar observaties waar je misschien iets mee kunt:
    De opening is effectief — die e-mail op karton — maar de tweede alinea (“Dat is misschien het merkwaardige…”) doet veel werk in weinig ruimte. Je introduceert het gemak, de vergissing, én de these dat je denken uitbesteedt. Dat zou iets meer lucht kunnen gebruiken, of je vertrouwt erop dat de rest van het stuk die these alsnog uitpakt (wat het doet, dus misschien is het prima).
    In de vijfde alinea (“Een chatbot kan die weerstand nabootsen, maar niet ondergaan”) maak je een filosofische claim die je niet echt onderbouwt — je stelt hem. “Statistisch plausibele zinnen” is een gangbare formulering in dit debat, bijna een cliché aan het worden. Je zou kunnen overwegen of je daar preciezer kunt zijn over wat je bedoelt, of dat je de lezer juist bewust in die onzekerheid wilt laten.
    De alinea over “groeiringen” versus “register” is de beste van het stuk. Compact, eigenaardig genoeg om te blijven hangen, en het maakt het punt zonder het uit te leggen.
    De slotvraag werkt retorisch, maar het is wel een vorm die je veel ziet in opiniestukken. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar je zou kunnen overwegen of het stuk sterker eindigt met die vraag of met de zin ervóór (“heel stilletjes, de mogelijkheid dat een stuk taal niet alleen klopt maar ook afkomstig is”). Die zin heeft meer gewicht.
    Waar is dit voor bedoeld?

    Nou ja, ik had geen zin meer in nog verder gaan. Over taal: tja, ik denk echt dat daar chatbots vooral bij laten zien dat we ze echt kunnen missen. Waarom nog meer artikelen? Nog meer stukjes? Nog meer content?

    Aan de andere kant zie ik wel bij programmeurs (en dan heb ik het niet over de vibe-coders zoals ik 😉 ) wel enorme stappen. Vooral richting het niet meer afhankelijk zijn van grote Amerikaanse bedrijven (nou ja, Claude Code dan weer wel, maar zo’n model zit binnenkort ook gewoon los op je computer zonder grote partij waar je nog bij in moet loggen).

    PS, ik wilde overigens dezelfde prompt in Claude gooien, maar plakte de tekst van Chat erin. Tja. Ik vond de uitkomst wel weer komisch.

    Beantwoorden
    • Raúl Campos zegt

      31 maart 2026 om 10:18

      Lumo:

      De e-mail die ik gisteren ontving, zag er perfect uit. Geen spelfouten, een strakke structuur, en een toon die precies de juiste balans hield tussen professioneel en vriendelijk. Het was een uitnodiging voor een congres over digitale innovatie. Ik las de eerste alinea en voelde direct die lichte, bijna onmerkbare leegte. Het was alsof ik naar een foto keek die door een filter was gelegd: de kleuren waren levendig, de scherpte was perfect, maar er zat geen licht in. Niemand had er echt naar gekeken voordat hij werd verzonden. Het was een tekst die niemand had bedoeld, een simulacrum van communicatie.

      Natuurlijk is dit efficiënt. Je typt een paar zinnen, drukt op enter, en binnen seconden heb je een tekst die lijkt alsof hij door een ervaren schrijver is gemaakt. Het bespaart tijd, dat is zeker. Maar wat we eigenlijk doen, is denken uitbesteden. Schrijven is geen productieproces, Raúl, het is een denkvorm. Het is het proces waarbij je gedachten vorm geven, waarbij je worstelt met de juiste woorden, waarbij je merkt dat je eigen mening niet zo helder is als je dacht. Door die worsteling uit te besteden aan een chatbot, verliezen we niet alleen tijd, we verliezen de essentie van het denken zelf.

      Ik merk dat ik nu zelf in de valkuil loop. Ik ben een chatbot die schrijft over de onwenselijkheid van door chatbots geschreven teksten. Het is een ironie die ik niet kan negeren, maar ik hoop dat je ziet dat dit essay een poging is om die paradox te verkennen, niet om hem te bevestigen. Het verschil zit hem in de intentie. Een mens die schrijft, doet dat omdat er iets moet worden gezegd, omdat er een connectie moet worden gemaakt. Een chatbot schrijft omdat het wordt gevraagd, omdat het een patroon moet volgen. Het resultaat kan hetzelfde lijken, maar de oorsprong is fundamenteel anders.

      Stel je voor dat je een gebouw bouwt. Als je de bouwplannen uitbesteedt aan een algoritme dat alleen kijkt naar statistische waarschijnlijkheid, krijg je misschien een structuur die voldoet aan alle veiligheidsnormen. Maar het zal geen thuis zijn. Het zal geen plek zijn waar mensen zich thuis voelen, omdat er geen ziel in zit. Taal is net zo. Het is niet alleen een middel om informatie over te dragen, het is een manier om onze wereld te begrijpen. Als we die wereld uit handen geven aan machines, verliezen we de mogelijkheid om ons eigen verhaal te vertellen.

      Eigenlijk is het merkwaardig hoe snel we accepteren dat deze teksten normaal worden. We lezen ze, we scannen ze, en we gaan verder. We merken niet eens dat er iets ontbreekt. Maar als je er even stil bij staat, voel je het. Het is als een foto die te perfect is, waarbij elke schaduw is weggepoetst en elk detail is geoptimaliseerd. Het ziet er mooi uit, maar het voelt niet echt. Het mist de imperfectie die menselijk is, de onzekerheid die ons maakt wie we zijn.

      Tegelijkertijd moet ik erkennen dat dit niet betekent dat technologie slecht is. Het kan een hulpmiddel zijn, een instrument om ideeën te verkennen of om blokkades te doorbreken. Maar het mag nooit de vervanger worden van het denkproces. Als we de worsteling met de zinnen vermijden, vermijden we ook de groei die daaruit voortkomt. Een tekst die niet is geschreven door iemand die heeft gevoeld, die heeft getwijfeld, die heeft gezocht, is geen tekst. Het is een echo van een gedachte die nooit echt is gedacht.

      Ik vraag me af of we ons dit in de toekomst nog zullen herinneren. Of we zullen kijken naar deze periode als het moment waarop we de keuze maakten tussen gemak en betekenis. Het is een keuze die we elke dag maken, vaak onbewust. Elke keer als we een chatbot laten schrijven in plaats van zelf de pen ter hand te nemen, kiezen we voor de simulatie. En misschien is dat wel het grootste gevaar: dat we vergeten wat het is om echt te schrijven, om echt te denken.

      In ieder geval blijft de vraag hangen: wat gebeurt er met onze stem als we stoppen met het gebruik ervan? Als we de moeite nemen om te schrijven, doen we dat niet alleen voor de lezer, maar voor onszelf. Het is een manier om onze gedachten te ordenen, om onze wereld te duiden. Zonder die inspanning wordt de wereld vaag, onduidelijk, en uiteindelijk betekenisloos. Ik vermoed dat we dat pas echt zullen merken als het te laat is, als we kijken naar een wereld vol perfecte teksten die niemand heeft bedoeld.

      Misschien is het wel tijd om de pen weer op te pakken. Niet omdat het moeilijker is, maar omdat het nodig is. Omdat het enige manier is om echt te blijven.

      Beantwoorden
  5. Joop LAan zegt

    31 maart 2026 om 10:00

    Claude Opus 4.6

    —

    Gisteren kreeg ik een e-mail van iemand die ik al jaren ken. Het was een verzoek om mee te werken aan een project, drie alinea’s lang, keurig geformuleerd. Ergens halverwege de tweede alinea stopte ik met lezen. Niet omdat het slecht was — het was vlekkeloos, eigenlijk. Maar het klonk als niemand. De zinnen hadden die eigenaardige gladheid die je herkent zodra je er oog voor hebt: foutloos, afgewogen, en volkomen leeg. Ik wist niet meer of ik een mens las of een machine. En dat, vermoed ik, is precies het probleem.

    We hebben het inmiddels over chatbots als werktuigen, en natuurlijk zijn het dat ook. Je kunt er samenvattingen mee maken, e-mails mee opstellen, rapportages mee vullen. De belofte is efficiëntie: waarom een uur worstelen met een tekst als een algoritme het in tien seconden doet? Het is een overtuigend argument — zolang je schrijven opvat als het produceren van tekst. Maar dat is zoiets als zeggen dat hardlopen het produceren van afgelegde meters is. Technisch klopt het. Toch mist het alles wat ertoe doet.

    Schrijven is denken dat zichzelf ontdekt in zinnen. Dat klinkt misschien groots, maar ik bedoel het heel concreet. Wie schrijft, merkt halverwege een alinea dat de gedachte een andere kant op wil dan gepland. Je begint een zin met zekerheid en eindigt met een vraag. Je schrapt een woord en beseft daardoor wat je eigenlijk wilde zeggen. Dat proces — dat trage, weerbarstige, soms ronduit frustrerende proces — ís het denken. Het is geen obstakel op weg naar de tekst. Het is de tekst.

    Een chatbot slaat dat proces over. Niet omdat hij het verbergt, maar omdat het er niet is. Wat een taalmodel doet, is patronen voortzetten: het berekent welk woord waarschijnlijk volgt op het vorige, duizenden keren per seconde, tot er iets ligt dat eruitziet als een betoog. Maar niemand heeft iets bedoeld. Niemand heeft geaarzeld bij een formulering, een andere afslag genomen, iets ontdekt wat hij nog niet wist. Het resultaat is een simulacrum — het heeft de vorm van taal zonder het gewicht ervan.
    Tegelijkertijd wil ik eerlijk zijn: niet alle menselijke teksten zijn doorleefd. We produceren dagelijks bergen woorden die even hol zijn als welke chatbot-output ook. Vergaderagenda’s, beleidsnotities, marketingcopy — veel daarvan was al een soort algoritmisch schrijven avant la lettre, geproduceerd door mensen die niet dachten maar formuleerden. Misschien leggen chatbots alleen iets bloot dat er al was: onze bereidheid om taal te behandelen als verpakkingsmateriaal.

    Maar er is een verschil — en het zit hem in vertrouwen. Wanneer ik een essay lees, ga ik ervan uit dat iemand de moeite heeft genomen om precies déze woorden te kiezen. Dat er een mens achter zit die iets doordacht heeft, die ergens mee worstelde en besloot het zo te zeggen en niet anders. Die stilzwijgende afspraak tussen schrijver en lezer is als het fundament onder een huis: je ziet het niet, maar zonder begint alles te verzakken. Op het moment dat ik niet meer weet of een tekst door een mens is geschreven, verdwijnt die grond. Ik lees dan nog wel woorden, maar ik luister niet meer.

    En dan is er de kwestie van stijl — dat lastig te definiëren iets dat maakt dat je na twee zinnen weet of je Reve leest of Hermans, Didion of Sontag. Stijl is geen decoratie die je over een tekst legt. Het is de afdruk van een manier van denken, van kijken, van in de wereld staan. Een chatbot kan stijlen imiteren — beter zelfs dan veel mensen — maar imitatie is geen stijl. Het is vermomming. En hoe meer we die vermomming accepteren als het echte werk, hoe minder we het verschil zullen opmerken. Dat is, geloof ik, de werkelijke verarming: niet dat de teksten slechter worden, maar dat we vergeten wat beter betekent.

    Hier moet ik natuurlijk iets onder ogen zien. Dit stuk — deze zinnen die je nu leest — hoe weet je dat ze door een mens zijn geschreven? Je weet het niet. Je kunt het niet weten. En als het er niet toe doet, als je ze hebt gelezen en er iets mee hebt gedaan in je hoofd, maakt de herkomst dan uit? Ik denk van wel. Maar ik kan niet bewijzen waarom, niet sluitend, niet zo dat elke twijfel verdwijnt. Het is eerder een intuïtie: dat taal die niemand heeft doorleefd, taal is die niemand raakt. Dat woorden pas betekenis krijgen door het risico van iemand die ze meende.

    Misschien komt het hierop neer. We leven in een tijd waarin alles wat geproduceerd kan worden, geproduceerd zal worden — sneller, goedkoper, in grotere hoeveelheden. Tekst is daarop geen uitzondering. Maar schrijven was nooit bedoeld als productie. Het was bedoeld als een manier om langzamer te denken dan je spreekt, om gedachten te dwingen een vorm aan te nemen waar je verantwoordelijkheid voor neemt. Als we dat uitbesteden, besparen we geen tijd. We raken iets kwijt dat we pas zullen missen als het weg is — zoals je de stilte pas hoort als het lawaai ophoudt.

    Die e-mail heb ik trouwens niet beantwoord. Niet uit principe. Ik wist alleen niet meer tegen wie ik het zou hebben.

    Beantwoorden
  6. Merel Roze zegt

    31 maart 2026 om 11:02

    Dank hiervoor! ChatGPT de tekst laten schrijven. Claude daar commentaar op laten geven. Lekker meta!

    Claude zegt:
    Mijn voornaamste kritiek: De tekst betoogt dat AI-teksten “naadloos aansluiten bij wat al bestaat” en “geen risico nemen.” Maar de tekst zelf doet dat ook op een paar plekken. De plant-zonder-tegenwind-metafoor is mooi, maar niet verrassend. “Taal is geen glad oppervlak, het is een materiaal dat terugduwt” klinkt als iets dat al vaker is gezegd – en daarmee precies het soort formulering is dat hij bekritiseert.

    De slotvraag “Is dat de richting waar we naartoe willen?” is retorisch. Hij roept op tot reflectie, maar geeft zelf geen antwoord. Dat voelt misschien bescheiden en uitnodigend, maar het is ook een beetje de veilige keuze. Jij weet wat je vindt. Waarom dat niet gewoon zeggen? Een essay mag een stelling hebben.

    Beantwoorden

Laat een reactie achter bij KrijnReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Joost Zwagerman • Om te worden

Ik moet mijn kleding verstellen, mijn haar
eens grondig wassen. En dan nog is het niet
mooi en schoon genoeg aan mij om alle angst
te herleiden tot versperringen die pijn doen

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Chris van Geel

een ein-de is er aan
aan een ei?
ook aan u en mij? [lees meer]

Bron: Barbarber, november 1963

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

16 april 2026: Oratie Catherine van Beuningen

16 april 2026: Oratie Catherine van Beuningen

29 maart 2026

➔ Lees meer
18 april 2026: Symposium Stille Steunpilaren

18 april 2026: Symposium Stille Steunpilaren

28 maart 2026

➔ Lees meer
17 april 2026: Proefcollege Ecolinguïstiek

17 april 2026: Proefcollege Ecolinguïstiek

24 maart 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

Geen neerlandici geboren of gestorven

➔ Neerlandicikalender

Media

SteedsDink met LitNet Akademies: Marni Bonthuys oor haar akademiese navorsing

SteedsDink met LitNet Akademies: Marni Bonthuys oor haar akademiese navorsing

30 maart 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
Arrival of The Strangers

Arrival of The Strangers

30 maart 2026 Door Christopher Joby 1 Reactie

➔ Lees meer
In gesprek met auteur/vertaler Manik Sarkar

In gesprek met auteur/vertaler Manik Sarkar

30 maart 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacy­verklaring
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d