
Veel gedichten in Tussen mij van Maria Barnas gaan over gespletenheid. Dat blijkt natuurlijk al uit de titel: het voorzetsel tussen kan niet met iets enkelvoudigs gecombineerd worden, zoals Peter-Arno Coppen onlangs nog liet zijn, is er zelfs bij ogenschijnlijke uitzonderingen als tussen de middag en tussen de deur sprake van iets gespletens. En dat is dus ook het geval bij tussen mij. In de bundel is er regelmatig sprake van een beschouwer en een beschouwde, en blijken die twee samen te vallen.
Dat geldt bijvoorbeeld voor:
NABEELDEN
We gaan naar echte panters kijken
hoor ik haar zeggen. Ben ik datdie laat ontwaakte die kritisch
naar gekooide dieren gaat kijken?Zie haar langs de tralies gaan
in haar broekpak en zakelijke jas.Geen felle kleuren of asymmetrische
sieraden zoals de oudere strijdstersdie luid zijn maar wat doet zij.
Ze lacht niet omdat ze niemand wilpleasen omdat ze weet dat ze zo is
opgevoed. Wat ze geluk noemtis een dier dat nergens heen kan
en het gromt. Soms welt in een ooggeweld op. Achter de spijlen slijten
mijn passen een kring om wat een wilmoet zijn die sterk is en een zelf.
Een vrouw gaat naar een gekooide panter kijken, maar uiteindelijk zijn het mijn passen die een kring draaien.Is er eigenlijk wel een verschil tussen de panter en de vrouw? En zijn die passen nu van de vrouw in broekpak en zakelijke jas, of van de ik die de vrouw hoort zeggen dat ‘we’ naar echte panters gaan kijken? Of zijn zij eigenlijk dezelfde persoon? Namaakpanters in plaats van de echte?
Het gedicht verwijst zeker aan het eind naar het beroemde gedicht van Rainer Maria Rilke, ik denk niet dat het de komende eeuwen mogelijk zal zijn een gedicht over een gekooide panter te schrijven dat niet naar Rilke verwijst. Jullie kennen het natuurlijk uit je hoofd, en het staat al een miljoen keer op het internet, maar ik zet het hier voor de zekerheid toch ook nog een keer voor het geval Neerlandistiek zodadelijk de enige nog werkende website is:
Der Panther
(Im Jardin des Plantes, Paris)Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf –. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille –
und hört im Herzen auf zu sein.
De (dans)passen om een midden zijn hier gemeenschappelijks. De panter bij Rilke zit helemaal in die kring gevangen – daarbuiten is niets, niemand kijkt, en de panter ziet zelf ook niets, er gaan wel ‘beelden’ naar binnen, maar die leiden tot niets. De grote wil is verdoofd. De vrouw bij Barnas is zich juist extreem bewust van de ander: zij moet een wil hebben, en wel één die ‘sterk is en een zelf’. Misschien is ze van binnen even hol als die panter, maar de buitenwereld verlangt van haar een sterke wil en een sterk zelf. Vandaar die broekpak en die jas. Vandaar dat niet lachen.
Het is ook nog een generatiegedicht. De vorige generatie ‘strijdsters’ hullen zich in felle kleuren en asymmetrische sieraden, maar haar kleuren zijn kennelijk wat fletser en haar sieraden symmetrischer. Ze heeft gekozen voor aanpassing. Ze vindt van zichzelf weliswaar dat ze niet maar pleasen, maar feitelijk heeft ze zich in een kooi opgesloten: een kooi waarin ze zich wel degelijk bekeken weet, omdat ze zo is ‘opgevoed’.
Het hele gedicht zit daarmee al in de titel Nabeelden: het nabeeld van de panter waarin je jezelf herkende en het nabeeld van een opvoeding. Terwijl het gedicht zelf natuurlijk een nabeeld is van Rilke.
Laat een reactie achter