Rassenschande in bloemenwinkels

In 1936 berichtten verschillende bladen onder de kop “Rassenschande” in bloemenwinkels geamuseerd over een initiatief van ‘arische’ Duitse bloemisten, die hadden besloten de Judenkirsche voortaan in de markt te zetten als Herbstlampe. De rebranding moest een impuls geven aan de ingezakte verkoop van deze sierplant, want met nazi’s was het ‘slecht Jodenkersen verkoopen’.
Een lezer van Het Vaderland schreef naar aanleiding van dit ‘grappige berichtje’ dat deze naamswijziging, die in Duitsland ‘onder den druk van de naweeën der Jodenvervolging’ was doorgevoerd, zich in onze taal door ‘de bijna spreekwoordelijk geworden verdraagzaamheid van den beschaafden modernen Nederlander’ vanzelf al had voltrokken. De jodenkers heette bij ons al jaren lampionplant.
De jodenkers, die we tegenwoordig inderdaad lampionplant noemen, is Alkekengi officinarum (vroeger Physalis alkekengi en Physalis franchetii), een woekerende vaste plant uit de nachtschadefamilie. Uit de onopvallende, fijn gefranjerde witte bloempjes ontstaan in het najaar kogelronde oranje bessen, die elk worden omhuld door een menierode, papierachtige kelk die inderdaad het beeld van een lampion oproept. Het natuurlijke verspreidingsgebied reikt van de Balkan tot Japan, maar de lampionplant wordt in de Lage Landen al zeker een half millennium gekweekt, eerst als pisdrijvend middel en later als snijbloem, die, samen met de zilveren schijven van judaspenning, goed staat in herfstige droogboeketten.
De naam jodenkers verscheen midden zestiende eeuw voor het eerst op schrift in vertalingen uit het Duits: als Iueden kerſen en Iueden kriecken in het Dictionarium Latinogermanicum (1546) van de Zwitser Petrus Dasypodius, die zelf Juden kirſʒen schrijft, en als Jodenkerſen in het kruidboek Den nieuwen herbarius (1549?) van de arts Leonhart Fuchs, in wiens Duits het woord Judenkirſen luidt.
Meer dan Vertaliaans zal jodenkers toen niet zijn geweest, want Fuchs’ Zuid-Nederlandse vakgenoten Rembert Dodoens (1554) en Matthijs de Lobel (1581) noemen de plant in hun kruidboeken Criecken van ouer zee en vermelden Juden kirſzen, Juden hutlin (‘jodenhoedjes’) en Juden docklin (‘jodenpoppetjes’) alleen als Hoogduitse namen. Een eeuw na Fuchs was het woord blijkbaar ingeburgerd, want in een postume Dodoens-bewerking uit 1644 wordt opgemerkt: ‘in onſe tael is den naem Alkekengi ende Ioden Kerſen by den ghemeynen man bijnae alſoo ghemeyn als dien van Kriecken over Zee.’
Loofhutten
De vraag waarom de plant jodenkers heet wordt in de vroegmoderne kruidboeken gesteld noch beantwoord. De enige poging tot duiding in die jaren komt uit een heel andere hoek. Maarten Luther beweert in een kanttekening bij zijn bijbelvertaling dat sommige mensen de in Genesis genoemde liefdesappels (dudaim) voor Juͤdenkirſchen hielden en spoort de lezer aan zich af te vragen of dat klopt. In de woorden van de Nederlandse Lutherbijbel van 1648: ‘Vraegt ghy selfs/ wat Dudaim zijn; Het ſullen Lelien/ het ſullen Beſien zijn; ende niemant weet wat het zijn ſullen. Sommige noemen ’t Ioden-kerſen/ die in den terwen-oogſt rijp zijn.’ De lutherse theoloog Nikolaus Selnecker (1569) zag hierin de oorsprong van het woord: Juͤdenkirſchen zoueen verbastering zijn van Dudenkirſchen!
Ook joden schijnen de jodenkers als bijbelse plant te hebben beschouwd. Volgens de Duitse natuurvorser Martin Balduin Kittel (1872) werd de Judenkirſche door joden ‘als eine aus Judäa ſtammende vaterländiſche Frucht als nothwendige Beigabe zum Laubhüttenfeſte angeſehen’ en daarom in het Rijn- en Maindal voor de joodse markt gekweekt.
De Gelderse historicus L.A.J.W. baron Sloet (1879) bevestigt dat joden hun loofhutten versierden met de vruchten van de lampionplant, die hij kende als jodenappels of jodenkersen. Een eeuw later deden sommige joden dat nog steeds: in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam is een foto uit 1986 te zien van een met lampionplanten versierde Amsterdamse loofhut.
Jodenpruim
Misschien ligt het antwoord op de door Fuchs en consorten niet gestelde vraag dus wel daar, te meer omdat in de loofhut ook de bladeren van de Europese dwergpalm of jodenpalm en een ander soort jodenappel, de mandarijn, te vinden waren. Maar ik denk het niet – het Loofhuttenfeest is hooguit één van de associaties die het gebruik van het woord hebben bevorderd.
Een andere associatie, die in de negentiende eeuw in de literatuur verschijnt, is die met joodse hoofddeksels, al was men het er niet over eens of de kelken van de jodenkers nu lijken op de kappen van joodse vrouwen of op de gele puntmutsen die joodse mannen in de Middeleeuwen moesten dragen om zich te onderscheiden van christenen.
De Duitse namen die ‘jodenhoedje’ of ‘jodenpoppetje’ betekenen zijn zo misschien te verklaren, maar voor jodenkers zal een ander benoemingsmotief belangrijker zijn geweest. Heinrich Marzell wijst er in zijn Wörterbuch der deutschen Pflanzennamen (1977) op dat naast de lampionplant lokaal ook allerlei andere planten Judenkirsche werden genoemd, zoals rode kamperfoelie, hondsroos, vogelkers, wilde lijsterbes, wolfskers, bitterzoet en zwarte nachtschade. In het Nederlands vond ik jodenkers nog als naam voor wilde kamperfoelie en de nachtschades wolfskers, zegekruid en oranjeboompje.
Deze jodenkersen hebben met elkaar gemeen dat ze bessen voortbrengen die als minderwaardig of giftig golden. De verwijzing naar joden duidt dus aan dat er met de plant iets niet pluis is. Zulke planten heetten ook wel naar honden: rode kamperfoelie, gewone vogelkers en bitterzoet werden hondskers genoemd, wilde lijsterbes en zwarte nachtschade hondsbes en de sleedoorn niet alleen jodenpruim, maar ook hondskrieke.
Ook de lampionplant is verdacht. Niet alleen omdat de plant lijkt op de dodelijk giftige wolfskers, maar ook omdat de zoetzure bessen weliswaar eetbaar zijn, maar bitter worden als ze in aanraking komen met de kelk, wat bij het openpeuteren gemakkelijk gebeurt.
Fuchs waarschuwt al voor de ‘ſeer bitteren ſmaeck’ van jodenkersen, ‘principalick alſmenſe te voren aenruert’. De Duitse hekeldichter pater Abraham a Sancta Clara bespot in zijn Narrinnen-spiegel (1737) vrouwen die zijn ‘als Joden-kers, dat zo ras men ‘t maar aanraakt, bitter word’. Misschien is dit ook waar de Belgische botanicus en jezuïet Égide Pâque op doelt bij zijn duiding van jodenkers in De Vlaamsche volksnamen der planten (1913): ‘De vrucht lijkt op eene kers (fr. cerise), maar schijnt geen vertrouwen waardig, zooals de Joden.’
Minachting
Eind negentiende eeuw kwam de wat in de vergetelheid geraakte jodenkers weer in de belangstelling door de introductie van de nauw verwante Physalis franchetii, een Japanse variëteit die er sterk op lijkt, maar met zijn veel grotere lampions snel een geliefde snijbloem werd. Ook deze plant werd jodenkers genoemd, maar om het woord verschenen nu geregeld aanhalingstekens. De naam wekte kennelijk bevreemding: het was toch geen onkruid of gifplant?
‘Wij hebben niet kunnen nagaan’, schreef de Haagsche Courant in 1905 argwanend, ‘waaraan deze Semietische naam te danken is’. Volgensde Kleine W.P. encyclopaedie uit 1949 was de jodenkers een sierplant ‘met niet vergiftige eetbare bessen’ (cursivering in het origineel) – de naam suggereerde blijkbaar het tegendeel. De Vlaamse folklorist Isidoor Teirlinck maakt in zijn Flora diabolica (1924) ondubbelzinnig duidelijk hoe hij jood in plantennamen ziet. Over de moederplant, een ook jodenbaard genoemde kamerplant, merkt hij op: ‘in Duitschland noemt men ze Judenbart […], alhoewel het volk geene minachting tegenover de lieve Plant laat blijken’.
Jood drukte natuurlijk niet alleen in plantennamen minachting uit. Ewoud Sanders laat in zijn boek Jood, de vergeten geschiedenis van een beladen woord (2024) zien dat het j-woord in de negentiende eeuw door woorden en uitdrukkingen als jodenstreek, jodenlijm en aan de joden overgeleverd zijn in de taboesfeer raakte en in sommige kringen werd vermeden.
Tot die kringen behoorden ook bloemisten. In de kranten die zijn opgenomen in Delpher verschenen vanaf 1898 advertenties waarin Physalis franchetii te koop wordt aangeboden. In 79 advertenties wordt de plant aangeprezen als lampionplant of lampioenplant (soms voorafgegaan door Chineesche of Japansche). Jodenkers, een naam die in de volksmond wel degelijk in zwang was, komt in advertenties in het geheel niet voor.
De Nederlandse bloemisten waren hun hun arische Duitse collega’s dus bijna veertig jaar vooruit. Meden ze jodenkers uit spreekwoordelijk geworden verdraagzaamheid? Of was het in Nederland al in 1898 slecht jodenkersen verkopen?
Dit artikel verschijnt ook op vernoeming.nl.
incabes? NEE – De goudbes (Physalis peruviana), ananaskers, incabes, Kaapse kruisbes, kaibes of Kaapse goudbes is een tot twee meter hoge, overblijvende, kruidachtige plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae).