

Op 13 april 2026 klonk voor de derde keer poëzie in Carré. De eerste keer was in 1966, toen op initiatief van Simon Vinkenoog talrijke dichters het hoofdstedelijke podium betraden. Johnny the Selfkicker en Gerard [Kornelis van het] Reve epateerden toen het perplexe bourgeois publiek met hun spraakmakende optredens. De tweede keer poëzie in Carré was veertig jaar later, in 2006. Daarbij traden dichters op als Ilja Leonard Pfeijffer, Liesbeth Lagemaat en Tjitske Jansen – en H.H. ter Balkt, Gerrit Komrij en Menno Wigman … alle drie inmiddels dood. De presentator uit 2006, Joost Zwagerman: is er ook al niet meer.
Inmiddels – wéér twintig jaar later – is het tijd voor poëzie in Carré III, met dichters die nieuwe geluiden vertolken. Het publiek kwam overtuigend opzetten: ruim 1500 mensen vulden de zaal, onder wie merendeels jongeren. Het programma is van Joost Oomen, Ingmar Heytze en de Poezieboys. Dertien dichters doen hun ding. Muziek en theatrale acts veroorzaken de nodige afwisseling. Verbluffend is het gedurige contrast tussen onbeheerste uitbundigheid en opperste concentratie.
Vier presentatoren, die met hun theatrale aanwezigheid nadrukkelijk aandacht opeisen, trappen af met negen stellingen: poëzie is ook maar een mens. Dichteres Lieke Marsman verwijlt in de onderwereld met Gerrit Zalm. “De meeste mensen deugen”, zegt ze, en zodra dat comfortabel voelt volgt: “maar de meeste mensen zijn niet aan de macht.” Kees ’t Hart doet en danst Elvis Presley, inclusief zijn eigen muzikale begeleiding. Babs Gons neemt het publiek in haar taal en haar verhaal mee en krijgt de zaal stiller dan stil.
Verbinding met de manifestatie in 1966 maakt Spinvis met de hilarische compositie ‘De hoest van Holst’. Muziek en authentieke geluidsfragmenten worden afgewisseld met het gerochel van Prins der dichters A. Roland Holst: zijn gedragen regels uit 1966 klinken zestig jaar later vervreemdend. En hij blijkt zowaar geaffecteerd te kunnen hoesten.
Antjie Krog vertegenwoordigt een internationaal accent, Asmae Amaddaou confronteert het publiek frêle en onverzettelijk met de eigen vooroordelen en oogst het grootste applaus van de avond, Simone Atangana Bekono zingt zo zinnelijk dat niemand er genoeg van krijgt en Daan Doesborgh brengt Tom Waits tot leven. Over afwisseling gesproken. De vraag wat er van deze sensaties overkomt bij wie de vertolkte gedichten rustig thuis leest, in plaats van ze te zien en te horen op een podium laten we rusten.
Joost Oomen liet met zijn spetterende optreden merken dat ‘ie ook wel eens naar de Selfkicker had gekeken. Een medley van in het Nederlands vertaalde nummers van
Queen – uitsluitend met gebruik van eenlettergrepige woorden – werd door de zaal uit volle borst meegezongen.
Het was, kortom een spektakel van de buitencategorie. Telkens na een performance volgde een ovatie, telkens was deze voor honderd procent gemeend en verdiend. “Hoe kan een volgende dichter hier nog overheen?”, dacht je bij jezelf. En telkens was de volgende dichter onvergelijkbaar anders, waarmee de onuitputtelijke geschakeerdheid van taal en gedichten werd bevestigd. Poëzie is geluk, zei Gerrit Komrij al.
Laat een reactie achter