• Door naar de hoofd inhoud
  • Skip to secondary menu
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
Neerlandistiek. Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Neerlandistiek

Online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek

  • Over Neerlandistiek
  • Contact
  • Homepage
  • Categorie
    • Neerlandistiek voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
    • Chris van Geel
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal

‘Zo verwaaien we samen duurzaam als klanken’

27 april 2026 door Mathijs Sanders 2 Reacties

In memoriam Wiljan van den Akker (1954-2026)

Leven en werk van Wiljan van den Akker waren onlosmakelijk verbonden met de stad Utrecht. De bètajongen uit Oss leek voorbestemd voor een studie Geneeskunde, maar koos voor Nederlandse Taal- en Letterkunde aan wat toen nog de Rijksuniversiteit Utrecht heette. Daar zou hij zich ontplooien als  wetenschapper en bestuurder. Hoe graag hij ook vertelde over de maanden die hij met zijn gezin doorbracht bij zijn vriend en collega Johan Snapper in Berkeley, telkens weer keerde hij terug naar de Domstad. Daar overleed hij op woensdag 22 april, nog geen anderhalf jaar nadat hij afscheid had moeten nemen van zijn geliefde, Esther Jansma. Op zijn laatste verjaardag liet hij me weten dat het leven wat stil en onwezenlijk was geworden, “maar ik sta weer rechtop”. Het kwam erop aan iedere dag monter tegemoet te treden.

Fier was hij dat hij samen met zijn zielsmaat Gillis Dorleijn de “dikke pil” had kunnen voltooien en dat het boek niet onopgemerkt was gebleven: Een nieuw geluid. De geboorte van de moderne poëzie in Nederland. Ook dat boek stond rechtop! Een nieuwe lente, een geboorte – maar een geboorte waar het einde van het leven doorheen schemerde, zoals in het gedicht van Leo Vroman op de allerlaatste bladzijde, een brief aan de gestorven geliefde:

Jouw jijheid, lieve tedere, is zo in mij verhout
Dat al wat aan jou kenbaar is mij in mij overleeft

Terug naar Utrecht. In 1990 maakte ik als eerstejaarsstudent kennis met professor W.J. van den Akker, de bevlogen jonge docent moderne poëzie. Starend door het raam van een collegezaal aan de Trans wees hij ons waar Nijhoffs Awater had gewandeld en keken we uit op de hoek tussen twee grachten aan het plein “dat als een zeester in het zand / zijn schachten uitzendt in de mijn der stad”, regels uit Tempel en kruis van H. Marsman. Voor even werd het woord werkelijkheid, al ging het natuurlijk uiteindelijk om de taal, om de woorden die een andere wereld tevoorschijn riepen.  

Lullige leeuwen

Dat tevoorschijn roepen had hij ook gedaan in zijn oratie in 1988 ‘bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht’, zoals de titelpagina van de door Van Oorschot uitgegeven lezing plechtstatig vermeldde. Die openbare les bracht samen waar het in het vak volgens de nieuwe hoogleraar om moest gaan: de zorgvuldige interpretatie van gedichten en de nieuwe inbedding van die interpretatie in de internationale literatuurgeschiedenis, waardoor Leopold tevoorschijn kon komen als ‘een vroege, zo niet onze eerste modernist’.

Wiljans liefde ging uit naar de literatuur en daarbinnen vooral naar de poëzie. Gedichten waren voor hem geen puzzels die je met het toverstokje van de poëzieanalyse eenvoudig kon oplossen. Goede poëzie stelde haar lezers telkens weer voor raadsels. Het lezen van gedichten was een avontuur. Naar goede gedichten keerde je telkens weer terug, omdat ze bij iedere lezing nieuwe perspectieven openden. Waarom zou je je bezighouden met iets wat je al begrijpt? Wiljan was geïntrigeerd door de raadselachtige helderheid van M. Nijhoff, aan wiens literatuuropvattingen hij zijn proefschrift wijdde, van J.H. Leopold, over wiens Verzen 1897 hij zijn oratie hield, en van Rutger Kopland. Over Koplands gedicht ‘Johnson brothers ltd’ gaf hij een college waarin hij ons liet zien dat het leven en de leer elkaar raakten. Hij ontleedde het gedicht – dat begint met de intrigerende versregel ‘Vroeger toen mijn vader nog groot was’ – op voorbeeldige wijze, reflecteerde op zijn eigen vaderschap en op het leven van zijn eigen vader, die in dat jaar zeventig werd: ‘Twee lullige leeuwen feliciteren elkaar daarmee’, zo besloot hij zijn artikel over dit ‘volmaakte gedicht’ in het tijdschrift Raster.

Vruchtbare discussie

Als begenadigd docent van hoorcolleges en werkgroepen opende Wiljan nog een ander venster: dat van de wetenschap, het vak dat hij zelf had ontdekt in de colleges van zijn leermeester A.L. Sötemann en door toedoen van zijn studiegenoot Frits van Oostrom. ‘Die kletste mij de wetenschap in. Ik wist: dit is het,’ vertelde hij in een interview. Als we beschroomd vroegen of hij zelf ook wel eens gedichten schreef, luidde het antwoord ontkennend. Nee, hij had zo ontzettend veel heel goede poëzie gelezen, daar had hij zelf niets aan toe te voegen. Schrijven over poëzie, daar lag zijn fort.

Wiljan studeerde en promoveerde toen zich ‘de explosie van de neerlandistiek’ voltrok. Daarmee doelde Wiljans aanstaande collega proximus W.P. Gerritsen op het steeds verder uit elkaar drijven van de deelgebieden Taalkunde en Letterkunde en op de sterke groei van het aantal studenten. Werd Sötemann bij zijn aantreden in 1968 nog geflankeerd door twee assistenten, Joost Kloek en Leo Mosheuvel (ja, ooit waren we klein), twee decennia later kreeg Wiljan van den Akker de leiding over wat zich met tien medewerkers zelfbewust een ‘afdeling moderne letterkunde’ kon noemen. Tegen het slot van zijn oratie riep hij zijn vakgenoten op om de vensters verder te openen, zowel naar het buitenland en naar andere wetenschappelijke disciplines. ‘Met behoud van eigen identiteit en waarde, kan er zo een vruchtbare discussie ontstaan tussen vakgenoten in andere disciplines.’ Die zin, uitgesproken op 18 november 1988 in Utrecht, zou voor hem in latere jaren ook een leidend bestuurlijk principe worden.

Waarde

Het samenspel van traditie en vernieuwing liep als een rode draad door het wetenschappelijke werk van Van den Akker. Met zijn proefschrift Een dichter schreit niet (1985) verfijnde en systematiseerde hij het onderzoek naar literatuuropvattingen, waarvan de krijtlijnen waren getrokken door zijn voorganger. Een dichter schreit niet behoort onmiskenbaar tot de meest geciteerde studies op het gebied van de moderne letterkunde. De historisch-kritische editie van Nijhoffs gedichten, bezorgd samen met Gillis Dorleijn en verschenen in 1993, maakte nieuw onderzoek naar de dichter en zijn wereld mogelijk. Dichter in het grensgebied. Over de poëzie van M. Nijhoff in de jaren dertig (1994) was er een rechtsreeks resultaat van. Wie nieuw onderzoek wilde doen moest terug naar de bronnen, zo luidde de boodschap. Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur moest dan ook niet het bekende verhaal reproduceren, maar op basis van feiten en getallen laten zien wat er allemaal op de markt was, welke schrijvers en werken werden gewaardeerd, gecanoniseerd of gemarginaliseerd en hoe die processen van waardentoekenning verliepen. In een groot aantal artikelen wezen Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn de weg. ‘Van den Akker & Dorleijn’ werd een begrip. Naarmate het academische klimaat onder het slaken van antieke oorlogskreten als veni, vidi, vici in snel tempo in het teken kwam te staan van concurrentie en competitie, leek hun bondgenootschap alleen maar sterker te worden.

Een aspect van het leven en werk van Wiljan dat niet onvermeld mag blijven is zijn rol als promotor. Toen ik in 1997 begon met het onderzoek voor mijn proefschrift leerde ik hem kennen als een betrokken begeleider die vooral in de eerste fase stevig kon sturen, maar die evenzeer de kunst verstond om zijn promovendi los te laten in het vertrouwen dat zij hun eigen boek zouden maken ‘met behoud van eigen identiteit en waarde’.

Vroom

Na mijn promotie zagen Wiljan en ik elkaar bij gelegenheden. ‘Ik lees wel eens iets van jou’, riep hij toen we elkaar op straat passeerden. Ik las ook wel eens iets van hem. Dat waren steeds minder vaak wetenschappelijke teksten, maar vooral gedichten en verhalen die hij in zijn latere Utrechtse jaren schreef en die hem vanaf 2008, toen zijn poëziebundel De afstand verscheen, toch nog als dichter op de kaart zetten. Hij kreeg er de C. Buddingh’-prijs voor, de poëzieprijs voor debuterende dichters. Samen met Esther Jansma vertaalde hij poëzie van Mark Strand en schreven zij de roman De Messias onder het pseudoniem Julian Winter. Mooi was het moment waarop ik Wiljan en Esther zag tijdens het Groningse poëziefestival Dichters in de Prinsentuin en Wiljan – camera in de aanslag – aan een dame voor hem vroeg of zij misschien een klein stukje kon opschuiven, ‘want straks gaat mijn vrouw hier optreden’.

Eind 2023 benaderde hij mij met het verzoek om deel uit te maken van de eerste jury van een nieuwe literaire prijs, vernoemd naar zijn oude vriend, de uitgever Johan B.W. Polak. Zo zagen we elkaar weer wat vaker, zo nu en dan ook bij Esther en Wiljan thuis aan de Jeruzalemstraat. Wiljan op zijn praatstoel. Ja, het was goed mis in de academische wereld. Maar was het dat niet altijd al? We moesten vooral iets proberen te maken – een boek, een editie, een goed verhaal – en we konden misschien iets mogelijk maken voor anderen. Ook haalden we herinneringen op en grossierden Wiljan en Esther in smaakvolle anekdotes. Zo vertelde Esther graag hoe de kleine Wiljan, een vroom katholiek jongetje, eens van een klasgenootje te horen kreeg dat de maagd Maria helemaal nooit had bestaan. Het kwam de kleine godloochenaar op een flink pak rammel te staan.

Intussen moest er gewerkt worden, zoals aan de facsimile van Gerard Reve’s Op weg naar het einde (met Koen Hilberdink), aan de doelen van de Stichting Johan Polak (met Frans Goddijn), aan de ‘dikke pil’ (met Gillis Dorleijn), ondanks afnemende gezondheid. Met Wiljan van den Akker verliezen we een markante vakgenoot, een bezielde schrijver en een bijzonder mens.

In april 2021 werd ter gelegenheid van Wiljans emeritaat zijn gedicht ‘Verstreken’ aangebracht op een muur in Drift 21, Utrecht. Aan de dichter is het laatste woord.

Verstreken

Alles is hier op dit moment altijd voortdurend
in een razende staat van verandering
bezig een verstreken gedaante aan te nemen.
Je kunt het zo bestendig niet bedenken of het is er
geweest en blijft als verdwenen afwezig.

Avond aan avond komt een nieuwe geliefde
trouw aan het beeld waarmee je elkaar ’s ochtends
aan tafel hebt achtergelaten weer thuis.

Kijk: ze verschijnt aan het eind van de straat
zwaait als vanouds met een kersverse hand
herinnerde warmte vooruit en kust je van ver al
tot ziens op een andere mond bij het opstaan.

Zo verwaaien we samen duurzaam als klanken
blijven verdwijnen als muziek in de oren
en wachten net zo lang op het slot
tot we volledig afwezig zijn om dan pas volmaakt
in het niets uit een stuk te kunnen bestaan.

Delen:

  • Afdrukken (Opent in een nieuw venster) Print
  • E-mail een link naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
  • Share op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
  • Delen op WhatsApp (Opent in een nieuw venster) WhatsApp
  • Delen op Telegram (Opent in een nieuw venster) Telegram
  • Delen op LinkedIn (Opent in een nieuw venster) LinkedIn

Vind ik leuk:

Vind-ik-leuk Aan het laden...

Gerelateerd

Categorie: Artikel, Uitgelicht Tags: In Memoriam, letterkunde

Lees Interacties

Reacties

  1. Els Stronks zegt

    27 april 2026 om 10:24

    Dank je wel, Mathijs, prachtig.

    Beantwoorden
  2. wilbert smulders zegt

    27 april 2026 om 13:04

    Mooi in memoriam, Mathijs!

    Beantwoorden

Laat een reactie achter bij wilbert smuldersReactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Primaire Sidebar

Gedicht van de dag

Alfred Kossmann • Feestdag

De kinderen bliezen kartonnen trompetten
(Wie een toeter heeft op een feestdag moet
Aan één stuk toeteren – geen mens kan ’t beletten –
Tot hij gaar in het hoofd wordt en raar ter been)

➔ Lees meer

Bekijk alle gedichten

  • Facebook
  • YouTube

Vlaggetjes

Met een snotneus
kun je geen bier halen

Bron: Joost Broere

➔ Bekijk hier alle citaten

Agenda

8 mei 2026: Symposium Onsterfelijke dood

8 mei 2026: Symposium Onsterfelijke dood

26 april 2026

➔ Lees meer
30 april 2026: Kampliteratuur van Charlotte Delbo

30 april 2026: Kampliteratuur van Charlotte Delbo

25 april 2026

➔ Lees meer
16 mei 2026: Hommage In de Knipscheer

16 mei 2026: Hommage In de Knipscheer

22 april 2026

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle agendapunten

Neerlandici vandaag

geboortedag
1854 Johannes Franck
1946 Ton Vallen
1947 Astrid Roemer
sterfdag
1936 Frederik Stoett
➔ Neerlandicikalender

Media

Sanneke van Hassel en Bert Paasman over Elisabeth Maria Post

Sanneke van Hassel en Bert Paasman over Elisabeth Maria Post

26 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
In gesprek met literaire duizendpoot Jonathan Van Der Horst

In gesprek met literaire duizendpoot Jonathan Van Der Horst

22 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
The perks of literature – with Jeroen Dera

The perks of literature – with Jeroen Dera

22 april 2026 Door Redactie Neerlandistiek Reageer

➔ Lees meer
➔ Bekijk alle video’s en podcasts

Footer

Elektronisch tijdschrift voor de Nederlandse taal en cultuur sinds 1992.

ISSN 0929-6514
Bijdragen zijn welkom op
redactie@neerlandistiek.nl
  • Homepage
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Over Neerlandistiek
  • De archieven
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacy­verklaring
  • Contact
  • Facebook
  • YouTube

Inschrijven voor de Dagpost

Controleer je inbox of spammap om je abonnement te bevestigen.

Copyright © 2026 · Magazine Pro on Genesis Framework · WordPress · Log in

  • Homepage
  • Categorie
    • Voor de klas
    • Vertelcultuur
    • Naamkunde
  • Archief
    • 10 jaar taalcanon
    • 100 jaar Willem Frederik Hermans
  • E-books
  • Neerlandistische weblogs
  • Jong Neerlandistiek
  • Frisistyk
  • Mondiaal Neerlandistiek
  • Over Neerlandistiek
  • Contact
 

Reacties laden....
 

    %d