
Vandaag, de eerste maandag na Driekoningen, is het weer Koppermaandag. Die dag wordt de laatste eeuwen als ‘feestdag’ voor typografen gevierd. Zeker in de loop van de achttiende eeuw mochten zetters en drukkers van hun patroon op die maandag een eigen drukwerk maken. Daarvoor kregen ze dan wat geld, prenten voor centen, en daarmee kon een feestje worden gevierd. Wellicht zijn gilden indertijd ook met iets dergelijks bekend geweest.
Over Koppermaandag is in verscheidene publicaties is geschreven. De oorsprong ervan wordt soms in de heidense tijd gezocht. Het einde van de winter, het begin van een nieuw jaar en later ook de afsluiting van de kerstperiode. Erg duidelijk is het niet. Verder zou in een ‘Utrechts jaarboek’ van 1456 een verwijzing naar bedelen staan en in Amsterdam werd in 1531 een verbod op samenscholingen uitgevaardigd, lees ik. Drinkgelag en rumoer zal niet zijn toegestaan en wanneer leprozen, zoals in Amsterdam, voor hun goede doel een optocht mochten houden, zal het ook niet rustig zijn gebleven. Het WNT (deel VII2, kolom 5568) geeft nog veel meer informatie. In het eerste stukje van de aanduiding koppermaandag ziet men meestal kop, de nap waarin geld of etenswaren werden verzameld. En uit een kop kon je natuurlijk ook drinken. Met koper weet men zich niet goed raad.
Genadig
Van de stad Sneek is een uitgebreid ‘recesboek’ bewaard en dat is in 1960 getranscribeerd door Meinte Oosterhout en bij Van Gorcum in Assen uitgegeven. De meeste opgeschreven besluiten van het stadsbestuur zijn in het Fries gesteld. Dat was in de periode rond 1500 nog de officiële bestuurstaal. Dat neemt niet weg dat er ook veel als Nederlands te beschouwen elementen in voor komen. In deze recesboeken liep ik twee keer tegen kopermaandag aan (in het Fries, reces 190, respectievelijk 239).
Op 1 december 1493 (de datumaanduiding is van Oosterhout) koopt Jan bordwerwircker (iemand die borduurwerk leverde) een half huis op het Grootzand. Het moest op ‘kopren monendey nest commen’ volledig worden betaald. In de diverse besluiten worden veel betaaldagen genoemd. Al die dagen worden aangehaald met een naam met de dag van een betreffende heilige of een andere kerkelijke feestdag (maar geen zondag).
Op ‘sinte thomas jond’ (20 december) 1494 werd Peter Symenssin, vanwege een doodslag veroordeeld om een derde van de boete betalen voor ‘koper monendey’, een tweede part in mei (de huidige twaalfde natuurlijk) en het laatste ‘toe sint Jans dey midssimmer’ (dus 24 juni). Het stadsbestuur was Peter genadig omdat hij zoveel voor de stad had gedaan.
Beste wensen
Uit genoemde twee vermeldingen blijkt dat het begrip kopermaandag, eenvoudiger koppermaandag, dus eind vijftiende eeuw zeker in Sneek wel bekend was als datumaanduiding, in dit geval voor een zekere betaling. Die was weliswaar niet met koperen munten, het ging om acht ‘pond’, respectievelijk zes ‘kaepmans rinsgolden’.
Mogelijk, ik doe maar een gok, hangt dat ‘koper’ samen met de gewoonte om meteen in januari als jongen bij de huizen langs te gaan om te ‘nijjierjen’. Er werd dan als tegenprestatie voor de goede wensen wat koperen kleingeld verwacht. Ik heb dat, hoe uitdagend het ook was, nooit van mijn ouders mogen doen. ‘Suks doen alleen skoaiers en asosjalen’, zei mijn CHU-vader. En zo was het. Nu maak ik elk jaar een Kopperprint. Die wordt zonder enige tegenprestatie aan enkele vrienden en bekenden toegezonden, voor de beste wensen op koperen monendey.
Dank voor de vele boeiende berichten/artikelen.
Waarom wordt (bijna) alleen de naam Van Marc van Oostendorp vermeld bij zijn artikelen en (vrijwel) nooit de namen van andere schrijvers?
Die naam wordt altijd gemeld, los van de auteur.